Het dédain voorbij

Wat een afschuwelijk nieuws: Karen de Bok overleden, 55 nog maar. Eind augustus sprak ik haar nog op het afscheidsfeestje van NPO-baas Henk Hagoort. We hadden het over de mogelijkheid om Syrische vluchtelingen met omroepervaring in Hilversum te laten werken. Onderstaand verhaal schreef ik over Karen in november 2008 in Broadcast Magazine, nadat ze was aangetreden als VPRO-hoofdredacteur.
Foto ANP
Foto ANP

Continue reading Het dédain voorbij

Innige liefde in de circuspiste

Ter ere van Oleg Popov, die woensdag overleed, hierbij een verslag van zijn huwelijk bijna vijfentwintig jaar geleden in Breda (1-09-1992). Ik mocht er namens de Haagsche Courant bij aanwezig zijn. Een beetje naïef stukje, denk ik nu. Zouden weekblad Privé en burgemeester Nijpels de bruiloft niet gewoon samen hebben gekocht? Je gaat toch niet in Breda trouwen als dat ook in Parijs kan? Maar enfin…

Continue reading Innige liefde in de circuspiste

De ándere Duitser

Prins Claus, overleden in 2002, zou deze maand 90 jaar zijn geworden. Zijn geboorteplaats Hitzacker eert hem daarom met een expositie in het plaatselijke museum: ‘In de sporen van de Oranjes’.  Ter gelegenheid daarvan hierbij een herpublicatie van een portret dat ik na Claus’ dood schreef voor Vorsten. Een paar van zijn beste vrienden blikken terug op het leven van de Duitse jonkheer en prins-gemaal.

claus

Wat voor man was prins Claus? Avontuurlijk, open, intelligent, progressief. Vrienden en bekenden halen herinneringen op aan de gestorven prins-gemaal. “Den Uyl wilde hem best hebben als minister van buitenlandse zaken.”

Een avontuurlijke, open man, iemand die zoveel mogelijk alles zélf wilde meemaken. Zo herinnert Avi Primor, Claus’ beste vriend, zich de vorige maand overleden prins-gemaal. “Hij ging niet alleen met de Afrikanen om omdat dat nu eenmaal zijn werk was. Hij was persoonlijk en oprecht geïnteresseerd in die mensen, en dat merkten ze”, vertelt Primor, die in 1961 gelijktijdig met Claus diplomaat was in Abidjan, de hoofdstad van Ivoorkust. De belangstelling voor de Afrikaanse cultuur ging zo ver dat Claus, zo bekende hij ooit, er niet voor terugdeinsde qat te kauwen. “Ik weet dat hij een enkele keer heeft gebruikt. Toen ik vroeg waarom, antwoordde Claus: ‘Omdat deze drug een probleem van de mensheid is.’”

Voorzitter van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers Hans Simons, die halverwege de jaren negentig samen met Claus en hun gezamenlijke piloot Willem-Alexander een inspectie-reis maakte naar Tanzania, waar Claus opgroeide, ziet nóg de ergernis op het gezicht van de prins als hij tijdens een bezoek aan een Nederlands ontwikkelingsproject weer een stoet four wheel drives zag arriveren. “Hij wilde Afrikanen zien, geen westerlingen.”

“Claus was zonder overdrijving de populairste diplomaat van Ivoorkust”, zegt Primor, die namens de nog jonge staat Israël naar het Afrikaanse land was gezonden als ambassade-secretaris. Het duurde even voordat jonkheer Von Amsberg ook geliefd was bij Primor. “Omdat wij een nieuwe ambassade waren, vereiste het protocol dat wij kennis gingen maken met de andere ambassades in Ivoorkust, in totaal elf. Ik ben ze allemaal af geweest, behalve de Duitse. Ook toen mijn ambassadeur aandrong om toch te gaan, heb ik geen actie ondernomen. Als jood wilde ik niets met Duitsers te maken hebben.”

Oud-ambassadeur Avi Primor
Oud-ambassadeur Avi Primor: “Als Jood wilde ik eerst niets met Claus te maken hebben.”

Claus daarentegen had grote belangstelling voor het jodendom. Niet alleen vanwege Duitslands besmette verleden, ook religieuze motieven speelden een rol, denkt zijn vriend de priester-dichter Huub Oosterhuis. “Claus stond als vrijzinnig-gelovige zeer open voor een progressieve verwoording van de Bijbelse, christelijke traditie. Interesse voor het jodendom hoorde daar vanzelfsprekend bij.”

Het was Claus zelf die uit belangstelling voor de Israëlische ‘buren’ uiteindelijk contact opnam met Primor. “Volgens het protocol moet ik ú bellen”, probeerde Primor nog onder de afspraak uit te komen. “Ach, dat protocol…”, wuifde de jonge Duitse diplomaat het bezwaar luchtigjes weg, “is het goed als ik straks even aanwip?” Het onderhoud duurde twintig minuten. “Ditjes en datjes, small talk”, herinnert Primor zich. Hoewel de Duitse jonkheer een goede indruk op hem maakte was Avi Primor blij dat het bezoek achter de rug was. “Hij was vriendelijk, charmant en knap, maar ja Duitser…”

Een paar weken later ging weer de telefoon, dit keer bij Primor thuis. Claus was zojuist geland op het vliegveld en vroeg zich af of hij op weg naar huis een drankje mocht komen drinken. Primor: “Dit vonden mijn vrouw Miki en ik toch echt te ver gaan, maar we durfden geen ‘nee’ te zeggen.” Het bleef die avond niet bij een borrel, het werd een visite van vijf uur. “Het leek of Claus ons iets wilde uitleggen. Hij begon uit zichzelf te praten over Duitsland, over het nazi-tijdperk, over zijn dienstplicht bij de Wehrmacht. Wij hadden altijd geleerd dat Duitsers hun verleden ontkenden, maar Claus was er heel eerlijk en open over. Mijn vrouw en ik vroegen of hij bleef dineren. Van déze Duitser wilden wij niet meer af.” Die avond werd de basis gelegd voor een levenslange vriendschap. Mede door toedoen van Claus sleten de anti-Duitse gevoelens van Avi Primor. Van 1993 tot 1999 was hij zelfs Israëls ambassadeur in Duitsland.

Als de jonge diplomaten op hun thuisbases zaten – Primor in Jeruzalem en Claus in Bonn – schreven ze elkaar lange brieven. In het Frans, de taal van de diplomatie. “Internationaal telefoneren was voor ons te duur. Als diplomaat had je het niet arm, maar je kon je geen buitensporige uitgaven veroorloven.” Zo wisten Avi Primor en Claus voor een zacht prijsje een speedboot op de kop te tikken. “Omdat Miki en ik aan een lagune woonden, vatte Claus het plan op om te gaan waterskiën. ‘Dat is toch veel te duur?!’, riep ik, maar Claus wist dat in Japan de boten erg goedkoop waren. Via een collega van mij op de Israëlische ambassade in Japan, konden we ons voor een – laat ik zeggen – diplomatiek prijsje een boot aanschaffen. Claus kreeg het voor elkaar om via een collega van de Duitse ambassade in Washington voor weinig geld aan een motor te komen. In totaal hebben we voor boot en motor 600 dollar betaald. Het was ‘great fun’ met Claus.”

In de loop van 1965 kreeg Primor een belangrijke brief van Claus. Hij was verliefd geworden en wel zodanig dat had zijn nieuwe baan – tweede man op de pas geopende Duitse ambassade in Tel Aviv – er voor had laten schieten. In een volgende brief onthulde Claus wie zijn geliefde was: ‘Hoe moeilijk het misschien ook wordt, ik zal tot het einde toe aan deze liefde blijven vasthouden.’ Primor: “Hij wilde het Nederlandse volk tonen dat hij hun prinses waardig was.” Het met rellen gepaard gaande huwelijk in 1966 maakte Primor niet mee. “Ik schreef een brief met een smoes – ik had niet de moed om eerlijk te zijn – , maar uit Claus’ antwoord bleek dat hij precies wist wat mijn wérkelijke reden was: de joodse gemeenschap in Nederland boycotte het huwelijk. Claus had er alle begrip voor dat wij daarom hadden afgezegd. Wel drong hij er op aan om zo snel mogelijk na de huwelijksplechtigheden te komen logeren.”

Toen de logeerpartij voor de deur stond, hadden Avi en Miki Primor last van protocollaire zenuwen. “Hoe moesten we Beatrix aanspreken? Ze was kroonprinses, maar ook de vrouw van onze vriend.” Het probleem loste zich vanzelf op toen het echtpaar Primor bij Kasteel Drakensteyn aankwam. De kroonprinses liep al in de tuin op hen toe en zei: ‘Jullie moeten Avi en Miki zijn. Ik ben Beatrix.”’

Nog vele logeerpartijen zouden volgen – een weekendje Parijs stond altijd hoog op de gezamenlijke agenda – en daarnaast was er wekelijks zo’n drie à vier keer telefonisch contact. “Ook tijdens Claus’ ziekte bleven we gewoon bellen. Bijvoorbeeld toen hij was opgenomen in een kliniek in Basel. Hij vertelde mij dat hij geen controle meer had over zijn gemoedstoestand en plotseling last kreeg van huilbuien. Daardoor was het voor hem een tijdlang onmogelijk om mensen te zien. De oorzaak van zijn problemen was lichamelijk en niet geestelijk. Verhalen dat hij ziek zou zijn geworden omdat hij de tweede viool zou spelen, wimpelde hij af als onzin. Dat Beatrix op de voorgrond zou staan, wist Claus vanaf dag één. Ik heb tijdens die periode nooit gemerkt dat Claus niet meer wilde leven. Dat zei hij pas in de eindfase van zijn leven: ‘Ik heb geen kracht meer om door te vechten.’ Het viel mij overigens op dat Claus zijn gezondheid altijd een minder belangrijk onderwerp vond. Hij droeg zijn ziekte met waardigheid. Liever sprak hij over onze families, de wereldpolitiek of over de ontwikkelingslanden.”

Jhr, Beerlaerts van Blokland
Jhr. Beerlaerts van Blokland: “Claus heeft altijd iets ondeugends gehouden.”

Ook jhr. Pieter Beelaerts van Blokland – voormalig CDA-minister van volkshuisvesting en ruimtelijke ordening – herinnert zich de diepgang van de prins. “Je sprak met hem binnen enkele minuten over een wezenlijk onderwerp. Hij had een grote leergierigheid en sloot een discussie niet snel af. Liever zei hij: ‘Ik hoop dat we hierover binnenkort weer verder kunnen praten.’ Van formele of oppervlakkige antwoorden hield hij niet. Hij wilde echt weten wat je visie was op een bepaald probleem.”

Hans Simons, tevens oud PvdA-staatssecretaris van volksgezondheid, herinnert zich van de Tanzania-reis dat Claus graag discussies uitlokte. “Dan dacht ik: dit kan hij niet menen. Dit zegt hij om mij uit mijn tent te lokken.”

Hans Simons: "Een lieve vader-zoon verhouding."
Hans Simons: “Een lieve vader-zoon verhouding.”

Zijn intellectuele belangstelling weerhield de prins er niet van om bij officiële gelegenheden burgemeesters of commissarissen van de koningin even alleen te laten ten faveure van de ‘gewone man’. Beealerts: “Ik heb eens meegemaakt dat hij tijdens een receptie in het Paleis op de Dam met handwerkslieden ging praten, onder wie restaurateurs van meubelen. Geen gesprek over koetjes en kalfjes, maar over de vraag: hoe gaat dat nou, zo’n stoel-reparatie? Claus schatte representatieve verplichtingen op zichzelf niet hoog in, maar hij wist er iets van te maken. En de mensen genóten ervan om te praten met een prins die geen degen had ingeslikt.”

Hoe groot Claus’ interesse voor ogenschijnlijk ‘onbelangrijke’ mensen was, merkte Beelaerts direct al bij de eerste ontmoeting met de prins, vlak na diens huwelijk. “Wat mij opviel was dat hij een veel grotere belangstelling had voor mijn zes maanden oude zoontje, dat hij vrolijk op de buik trommelde, dan voor mij. Niet dat mijn vrouw en ik lucht voor hem waren, maar het was duidelijk dat Claus dat jonge wezentje een veel grote wonder vond dan mij. Waarin hij natuurlijk gelijk had. Hij had oog voor kinderen, wat niet altijd de regel is bij intellectuelen. Een kind was voor hem op zichzelf interessant, als klein mensje.”

Prins Claus en prinses Beatrix stichtten snel na hun huwelijk zelf een gezin. Beelaerts, wiens familie een lange traditie kent in dienst van het hof, denkt dat de acceptatie van Claus daardoor is versneld. Is de prins misschien zelf ook altijd een beetje een kind gebleven? Lachend: “Hij heeft altijd iets ondeugends gehouden. Grappig, want dat is een eigenschap die we niet direct aan Duitsers toeschrijven. Dat spottende, ook met zichzelf, dat onverwachtse is bij prins Claus, hoe ouder hij werd, steeds meer naar boven gekomen. Veel oude mensen veranderen niet meer, Claus wel. Met verve.”

Met plezier noemt Beelaerts de koninginnedag dat het koninklijk paar Utrecht bezocht en de prins ‘er vandoor’ ging op de fiets, met een meisje achterop. Of die keer dat hij zijn stropdas afwierp, wat volgens Beelaerts neigde naar ‘een lichte vorm van uitbundigheid’. “Ik denk dat prins Claus zich na zijn 65-ste bevrijd heeft gevoeld. Op die leeftijd kom je vrijer in de samenleving te staan, omdat het werk minder bepalend wordt. Wat je dán nog doet, kies je zelf. Claus werd weer de vrolijke man die hij vroeger was. Hij gaf ruim baan aan zijn emoties.”

Beelaerts denkt dat de prins in het begin moeilijk zijn draai heeft kunnen vinden in Nederland. “Koningin Juliana maakte zich daarover ernstige zorgen. Ze zei een keer tegen mij: Claus is een man die inhoudelijk aan de slag moet kunnen. Ze vond dat haar schoonzoon snel een kans moest krijgen, in elk geval voordat Beatrix op de troon zou zitten, want als echtgenoot van de Majesteit zou het voor Claus nóg moeilijker worden om zich zelfstandig te ontwikkelen. Hij heeft vrij lang moeten wachten op de inhoudelijke functie van inspecteur-generaal voor ontwikkelingssamenwerking (1984, W.P.). De prins heeft zich uiteindelijk wel gedeeltelijk kunnen ontplooien, maar hij heeft veel geduld moeten betrachten.”

Op de vraag of de door depressies geplaagde prins gelukkig is geweest, volgt een aarzelend antwoord. “Ik vermoed dat Claus zou antwoorden: ‘Uiteindelijk tóch wel.’ Ik denk dat het woord ‘toch’ erin zou zitten, omdat de prins zich in het begin waarschijnlijk dikwijls afvroeg: ‘Is het wel zinvol wat ik doe?’”

“Dat zijn echtgenote koningin werd, is voor Claus achteraf een plus geweest, denk ik, omdat zijn bijdrage als gesprekspartner vanaf dat moment veel groter werd en met een andere lading dan toen Beatrix kroonprinses was. Omdat hij geen man van de voorgrond was, heeft dat ‘meedoen’ met zijn sparring-partner de koningin hem vermoedelijk meer bevrediging geschonken dan wij ons wellicht realiseren. Maar het grootste geluk heeft Claus ongetwijfeld gevonden in zijn gezin, zijn kinderen en later zijn kleinkind Eloise.”

Hans Simons: “In Tanzania heb ik gemerkt hoe goed de relatie tussen Claus en Willem-Alexander was. Ze gingen heel warm en respectvol met elkaar om. Een lieve vader-zoon-verhouding.”

Oud-ambassadeur Otto von der Gablentz
Oud-ambassadeur Otto von der Gablentz

Oud-ambassadeur Otto von der Gablentz denkt dat Claus een belangrijke adviseur is geweest voor zijn kinderen, maar vooral voor zijn vrouw. Hij had volgens Von der Gablentz grote diplomatieke gaven, die hem, ware hij niet met de koningin getrouwd, beslist naar een belangrijke ambassadeurspost hadden geleid. Tel Aviv – samen met Den Haag de moeilijkste post in de Duitse buitenlandse dienst – zou zeker voor hem zijn weggelegd, weet Von der Gablentz die in beide steden Duits ambassadeur was. “Je stuurt niet iedere Duitser zomaar naar Israël. Renate Rubinstein schreef ooit: ‘Natuurlijk zijn alle Duitsers verschrikkelijk, behalve degene die je kent.’ Bij Claus kregen mensen het idee: ‘You are not like the other Germans.’ Door zijn bescheidenheid en zijn absolute oprechtheid heeft hij snel het vertrouwen van de Nederlanders verroverd. Zo zou het ook met de Israëlische bevolking zijn gegaan.”

Kunstzinnig en intellectueel Nederland, dat aanvankelijk voorop liep in de kritiek op Claus, liet zich eveneens geleidelijk aan voor de prins winnen. Huub Oosterhuis: “In het najaar van 1968 was een groep van zo’n vijftien à twintig kunstenaars verscheidene keren te gast op Drakensteyn om te discussiëren over de functie van de kunst in de moderne tijd. We waren allen zeer onder de indruk van de rol die Claus speelde: levendig, geïnteresseerd, charmant. Beatrix en Claus wilden hun vrienden duidelijk zoeken in andere kringen dan gebruikelijk bij het Oranjehuis. Niet in het militair-industrieel apparaat, waar de voorkeur van prins Bernhard naar uitging, maar in de artistieke wereld. Claus was een linkse man. Dat blijkt ook uit de uitspraak van Den Uyl in kleine kring dat hij de prins best als minister van buitenlandse zaken wilde hebben.”

Huub Oosterhuis
Huub Oosterhuis: “Claus was een linkse man.”

Die kosmopolitische instelling was voor Otto von der Gablentz reden om tussen 1983 en 1990, toen hij ambassadeur was in Nederland, elke twee à drie maanden een afspraak met de prins te maken. “Claus was een gedreven iemand, een Europees denkend man. Ik kon veel leren van zijn ervaringen als Duitser in Nederland. Hij heeft geprobeerd de Nederlands-Duitse betrekkingen te verlossen van cliché’s met als doel er Europese verhoudingen van te maken.”

De oud-ambassadeur zal in dat verband nooit het telefoontje vergeten dat Claus naar zijn residentie pleegde op de avond van 8 mei 1985, enkele uren na een historische rede van de Duitse bondspresident Richard von Weizsäcker. “Bij de 40-jarige herdenking van de bevrijding van het nazi-regime riep Von Weizsäcker de Duitsers op hun verleden eerlijk onder ogen te zien. Het was Claus’ wens dat die toespraak in het Nederlands werd vertaald en gepubliceerd. Toen Von Weizsäcker korte tijd later op staatsbezoek kwam in Nederland, heeft de prins die vertaalde rede tijdens het diner in het paleis aan hem overhandigd.”

Een zoektocht naar wereldwijde harmonie en vrede, dat lijkt het levensdoel van de prins te zijn geweest. Hans Simons: “Op een avond stonden we, geleund tegen een jeep, bij een Memisa-ziekenhuis aan de rand van de Serengeti-steppe. Aan de ene kant ging de zon onder en aan de andere kant kwam de maan op. Ik zal nooit vergeten wat de prins toen zei:  ‘Er is niets mooiers op de hele wereld.”’  

De ultieme regisseur

Ter gelegenheid van de benoeming van Hans Laroes tot interim-hoofdredacteur van KRO-NCRV hierbij een portret dat ik in juli 2005 over hem schreef in de VPRO Gids: de ultieme regisseur.

hans laroes

Hans Laroes wordt superhoofdredacteur. Alle NOS radio-, tv- en internet-afdelingen die met nieuws te maken hebben, vallen vanaf oktober onder zijn leiding. Portret van de machtigste nieuwsman van Nederland.  

Toen Hans Laroes eind 1991 werd neergestoken op Het Binnenhof was het eerste wat hij riep: `Geen foto’s in de krant.’ Geen emoties, geen tranen. ‘Denk erom, hij is een nuchtere Zeeuw. Hij laat zich door niets van de wijs brengen’, weet omroepcollega Ad van Liempt. Een voormalig parlementair verslaggever herinnert zich: ‘De redactie leek na die steekpartij meer van slag dan Hans zelf.’

Laroes (49), geheel in rustgevend wit gekleed, is ook deze middag een toonbeeld van beheersing. ‘Ik ben na dat voorval drieëneenhalve week thuis geweest en daarna weer aan het werk gegaan. De eerste twee avonden heb ik een collega gevraagd met mij mee te lopen naar de parkeergarage. That’s it.’ Toch moet zo’n steekpartij je leven veranderen. Het scheelde maar twee millimeter of het mes had Laroes dodelijk getroffen in de aorta. ‘Een steekpartij is een ultieme poging van iemand anders om jouw leven over te nemen. In dit geval ging het om een verwarde WAO’er, die wilde afrekenen met, zoals hij het noemde, het politieke complex: Ruud Lubbers, Flip de Kam en ik. Ik heb altijd mijn eigen leven en emoties willen regisseren. Die aanval heeft die wil alleen maar versterkt.’

Hij is er achterdochtig van geworden, fluisteren sommigen op de redactie, en wijzen op het achteruitkijkspiegeltje dat Laroes op een goede dag op zijn beeldscherm plakte. Zijn privé-adres is geheim, weet een ander. ‘Oh, dat spiegeltje’, lacht de hoofdredacteur. ‘Dat hebben we een jaar of vijf geleden cadeau gekregen van British Telecom. Het is allang van mijn beeldscherm afgevallen. En wat mijn adres betreft: het afgelopen halfjaar stond ik wegens privé-omstandigheden niet in het redactieboekje. Maar zodra ik een definitief adres heb, kom ik er gewoon weer in.’

Geen paranoia bij de hoofdredacteur van ’s lands toonaangevende nieuwsfabriek. Wel de ijzeren wil om `niet onopgemerkt voorbij te gaan.’ Toen hij nog maar net op de parlementaire redactie van het NOS Journaal werkte, riep hij al: ‘Ik word hoofdredacteur en René Went mijn adjunct.’ Nu, vijftien jaar later, is het zo ver. ‘Ik zal dat vast hebben gezegd, maar dat was meer bravoure. Zoals Lucille Ball altijd riep na een ontslag: Ik koop deze tent. Ik zit zo in elkaar dat ik me graag met alles en iedereen bemoei. Dan ligt het in de lijn om hoofdredacteur te willen worden. Velen gingen er ook zondermeer vanuit dat ik ooit op die stoel terecht zou komen. Toch moet je met die ambitie ontspannen omgaan, want negen van de tien keer komen dergelijke wensen niet uit.’

Bij hem dus wel. Onder oud-parlementair redacteuren herinnert men zich Laroes als een man die genoot van het politieke machtsspel. En meer dan dat: hij groeide zelf uit tot een behendig strateeg, een man die wist hoe hij van A naar B moest komen, desnoods via een omweg langs C. ‘Ik weet dat ik bekend sta als iemand die van machiavellistische spelletjes houdt, maar ik kan naar eer en geweten verklaren dat ik die alleen speel als Het Journaal in gevaar zou komen. Toen Gerard van der Wulp halverwege de jaren negentig vertrok als hoofdredacteur, heb ik in alle openheid gezegd dat ik hem graag wilde opvolgen. Niks geen spelletjes. Ik ben het toen niet geworden, maar Nico Haasbroek. Zo simpel ligt het.’

Al snel nam Haasbroek Hans Laroes als adjunct op in de hoofdredactie. En toen gebeurde er iets merkwaardigs. Na drie jaar de op één na hoogste man te zijn geweest bij het belangrijkste nieuwsmedium van Nederland ging de loodgieterszoon uit Walcheren solliciteren als hoofdredacteur van een regionale krant: De Gelderlander. Hij schopte het tot de laatste ronde, maar bleef toch bij Het Journaal, waar hij plotseling werd gepromoveerd tot ‘operationeel hoofdredacteur’, naast algemeen hoofdredacteur Haasbroek. Was die sollicitatie misschien bedoeld om een weg naar boven te forceren? ‘Absoluut niet. Ik heb mede bij De Gelderlander gesolliciteerd om te kijken hoe ik in de markt lag. Bovendien wilde ik graag eindverantwoordelijkheid voor een journalistiek product. Toen ik als laatste kandidaat bij De Gelderlander was overgebleven, is adjunct-hoofdredacteur Bernadette Slotboom naar toenmalig NOS-directeur Ruurd Bierman gestapt en heeft geroepen: Over my dead body, jij gaat iets regelen voor Hans. Vervolgens zijn Ruurd en Nico gezamenlijk met het voorstel gekomen om mij operationeel hoofdredacteur te maken.’

Enkele jaren later was Laroes de enig overgebleven hoofdredacteur, want Haasbroek werd door Bierman naar huis gestuurd. Met steun van Laroes. ‘Een Judas, een echte slechterik’, noemt Haasbroek zijn toenmalige collega in zijn boek `Journaaljaren.’ Stoïcijns hoort Laroes de beschuldigingen aan. ‘Het doet me niets. Het boek is meer een portret van Nico dan van mij.’ Moest Haasbroek weg omdat hij in zijn verwoede pogingen om Pim Fortuyn op de redactie-agenda te krijgen zich verdacht had gemaakt onder zijn overwegend linkse collega’s? ‘Nee’, schudt Laroes het hoofd. ‘Dat LPF-stempel heeft hij pas na zijn vertrek gekregen. Nico moest weg omdat hij er nooit was. De magie tussen hem en de redactie was geheel uitgewerkt. Hij heeft zijn vertrek aan zichzelf te wijten.’

Wel geeft de hoofdredacteur van NOS Nieuws toe dat de Journaal-redactie in de aanloop van de verkiezingen van 2002 het verschijnsel Pim Fortuyn ernstig heeft onderschat. In zijn notitie Ten Aanval, die hij in het najaar van 2002 publiceerde, omschrijft Laroes Het Journaal als een instituut dat te veel deeluitmaakt van de progressieve elite. Met de bijbehorende automatismen. Laroes: ‘Vroeger hoefde Greenpeace maar met een bootje op de Oceaan te dobberen of we waren aan boord met een cameraploeg. Een Shell-directeur zou niet snel diezelfde aandacht hebben gekregen. Ik vind dat je beiden met dezelfde combinatie van onbevangenheid en achterdocht moet bekijken.’ Zelf hoopt hij over niet al te veel automatismen meer te beschikken. Politiek is hij links noch rechts, eerder een zwever. Een kleine test: Was hij het eens met Bush’ inval in Irak? Geen antwoord. ‘Zulke vragen moet je niet aan de hoofdredacteur van het NOS Journaal stellen. Wat ik ook antwoord, de kijkers zullen altijd zeggen: Nu begrijp ik waarom Het Journaal onderwerp zus altijd zo en zo brengt.’ Dus de hoofdredacteur van dé nieuwsorganisatie van Nederland heeft zelf geen vrijheid van meningsuiting? ‘Het is in mijn functie verstandig om daar niet al te uitbundig gebruik van te maken. Het Journaal is oneindig veel belangrijker dan mijn individuele opinie.’

We moeten de straat met de staat verbinden, was de verfrissende conclusie, die Laroes in Ten Aanval trok. Komt dat al een beetje uit de verf? ‘Ik denk dat we op de goede weg zijn. We gaan relaxter met de multiculturele samenleving om dan vroeger. Jazeker, de vraag of er in Nederland ruimte is voor nieuwe immigranten, kan nu gesteld worden. Vroeger was dat ondenkbaar. Toen heerste hier een goedbedoelde politieke correctheid, een soort opvoedideaal.’

Is dat niet nog steeds het geval? Toen op koninginnedag in Amsterdam een Amerikaanse homo-journalist in elkaar werd geslagen, spraken verscheidene kranten over Marokkaanse daders, maar Het Journaal had het over een groepje jongeren. ‘Ik vind dat je afkomst moet melden als het relevant is. Groepen die de tolerantie bedreigen moeten bij naam en toenaam worden genoemd of het nu om Marokkanen of Tsjetjenen gaat. Dat we dat bij dat homo-zoen-protest niet hebben gedaan, komt omdat de politie niet de informatie van het COC wilde bevestigen dat het om Marokkaanse daders ging.’

Niet opiniëren, maar uitleggen is volgens Laroes de taak van Het Journaal. Zijn ideale Journaal-uitzending is er één waarvan de kijkers na afloop zeggen: Nu snappen we wat er aan de hand is in Nederland en de wereld. Het Journaal als Aha-Erlebnis. Ooit zei hij in een redactievergadering: Niet de Tweede kamer, maar het Journaal moet de maatschappelijke discussie in Nederland bepalen. Riekt dat toch niet een beetje naar opiniëring? ‘Ik denk dat ik die uitspraak heb gedaan ten tijde van een verkiezingscampagne. De politiek zet soms bepaalde thema’s nadrukkelijk niet op de agenda. Dat doen wij dan maar, want ook Het Journaal heeft een idee over wat de agenda van Nederland is. Ik heb geprobeerd het begrip nieuws een bredere invulling te geven dan gebruikelijk bij Het Journaal. Nieuws is niet alleen iets wat je aangereikt krijgt in een persbericht, maar tevens iets wat je zelf ontdekt. Tegels lichten en kijken wat er zich onder beweegt.’

Met de nieuwe organisatie NOS Nieuws, waarin op 1 oktober het NOS Journaal, NOS Actueel, het Radionieuws, Met het oog op morgen, het Radio 1 Journaal, Teletekst en NOS Internet gaan samenwerken, hoopt Laroes de eigen research verder uit te breiden. Nu rennen er zes NOS’ers naar de telefoon wanneer er iets belangrijks gebeurt. Dankzij de samenwerking is dat er straks nog maar één. De vrijkomende medewerkers kunnen hun tijd steken in andere zaken, bijvoorbeeld graaf- en spitwerk. `Dankzij NOS Nieuws zullen we een grotere pluriformiteit krijgen’, voorspelt Laroes. ‘We kunnen meer eigen verhalen brengen.’

En aan de top van die pluriforme nieuwspiramide staat één man, omringd door zes adjuncts. Zonder die messteek van ’91 had hij niet op deze stoel gezeten? ‘Het zou raar zijn om dat verband zo direct te leggen’, vindt Laroes. ‘Hooguit kun je zeggen dat een eigenschap waarover ik al beschikte versterkt is. Ik ben graag de ultieme regisseur.’

Een Monument van Beschaving

Al bijna dertig jaar lang is ‘Zomergasten’in juli en augustus hét gesprek van de dag. Is het niet de gast, dan is het wel de presentator die de tongen losmaakt. Over de betoverende kracht van dit VPRO-programma schreef ik in oktober 2005 op verzoek van priester-dichter Huub Oosterhuis onderstaand verhaal in diens magazine Roodkoper.

De huidige presentator van Zomergasten, Wilfried de Jong.
De huidige presentator van Zomergasten, Wilfried de Jong.

Een televisie-gesprek van drie uur, wie zit dat nog uit in de zap-cultuur? Toch is Zomergasten al sinds de start in 1988 populair bij honderdduizenden kijkers. Wat is het geheim van dit VPRO-monument?

De kijkers van ‘Zomergasten’lijken gezegend met een subliem geheugen. Toen de VPRO-afdeling Backstage enkele maanden geleden peilde welke van de 80 Zomergasten die sinds 1988 de revue zijn gepasseerd op hen de meeste indruk hebben gemaakt, kwamen er al snel drie namen uit de bus: Pierre Janssen, Piet Vroon en Ischa Meyer. Kunstkenner en oud-AVRO-presentator Janssen trad in 1988 aan als de allereerste Zomergast, hoogleraar psychologie Vroon volgde in 1991 en Meyer was in 1992 aan de beurt. Welk mysterie gaat schuil achter een programma waarvan de gasten zelfs vijftien à twintig jaar na dato nog op het netvlies van de kijker staan gebrand?

De kracht van het programma zit allereerst in de unieke formule. Voorzover bekend bestaan nergens ter wereld programma’s die beeldfragmenten als uitgangspunt nemen voor een gesprek. Juist die fragmenten leggen dikwijls onvermoede kanten van de Zomergast bloot. Zijn keuzes ‘verraden’ een karaktertrek, een visie, een passie. Als strafrechtpleiter Wim Anker, een van de gasten van Connie Palmen afgelopen seizoen, eenvoudigweg had verteld dat hij fan is van Marianne Weber, waren de kijkers die ontboezeming een dag later waarschijnlijk al weer vergeten. Maar de combinatie van een ontroerde Friese advocaat bij beelden van een droevig lied over rode rozen beklijft, ofschoon er op de VPRO-burelen enig gemurmel viel te beluisteren over deze promotie van het levenslied in ‘vrijzinnige’ zendtijd.

Een minder recent voorbeeld. Pierre Janssen, een begenadigd vertelller, liet beelden zien van de Tour de France. Op zich niet bijzonder, maar ze wérden het door het bijbehorende verhaal. Janssen bekijkt het wielerevenement vooral om te genieten van het Franse landschap. Hij zoekt er zelfs zijn vakanties op uit.

Onder de 120 VPRO-leden die afgelopen juni een speciaal Backstage-evenement rond de drie populairste Zomergasten allertijden bezochten, waren er velen die zich de combinatie van dit beeld en dit verhaal feilloos wisten te herinneren. Ze waren blij dat ze het nu eens aan hun kinderen konden laten zien. De kijkers van ‘Zomergasten’zijn langzamerhand uitgegroeid tot een familie met eigen uitstapjes tijdens welke de favoriete gast opnieuw wordt bekeken, bediscussieerd en bewierookt.

Dat is nauwelijks verwonderlijk als men weet met hoeveel zorgvuldigheid de Zomergasten worden uitgekozen. Waarmee we zijn aangeland bij de tweede factor die dit programma tot een succes maakt. Reeds in het vroege voorjaar stelt de redactie – bestaande uit drie researchers, één beeld-, één eind-, één webredacteur en de presentator – lijstjes samen met mogelijke gasten. Daarna volgen vergaderingen waarin de kandidaten worden besproken. Bij de uiteindelijke keuze zijn drie vragen van belang: heeft de betreffende man of vrouw voldoende ‘beeldgeheugen’, beschikt hij over een eigen universum en is hij in staat om op een zeker abstractieniveau en met enige diepgang te spreken over zichzelf en zijn wereldbeeld? ‘In bijna ieder mens schuilt een Zomergast, maar niet ieder heeft een houdbaarheid van drie uur’, is een constatering die geregeld op de redactie valt te beluisteren.

Houdbaar of niet, elk jaar melden zich spontaan bekende Nederlanders die graag in het prestigieuze programma willen gloriëren. Dit seizoen waren het er een stuk of vijftien. De één loopt in de kroeg ‘toevallig’ een redactielid tegen het lijf, de ander pakt het omzichtiger aan door zijn uitgever ‘voor heel iets anders’ naar de redactie te laten bellen, waarbij tussen neus en lippen door zijn naam als mogelijke Zomergast moet worden opgeworpen. Helaas voor de gretigen, de keuze valt meestal niet op hen. Beter af zijn die getalenteerde Nederlanders, die in alle eenzaamheid hunkeren naar het verlossende telefoontje uit Hilversum en al jaren hun lijst met beeldfragmenten stilletjes op hun nachtkastje hebben klaarliggen, zoals Paul de Leeuw (Zomergast in 2003).

Paul de Leeuw, Zomergast in 2003.
Paul de Leeuw, Zomergast in 2003.

Aan de andere kant zijn er ook gasten die de redactie dolgraag wil hebben, maar die weigeren. Prinses Irene bijvoorbeeld. Dit seizoen nog bedankte de Belgische kardinaal Danneels, een van de papabili tijdens het afgelopen conclaaf. Danneels is overigens een van de weinige geestelijken die door ‘Zomergasten’is benaderd. Het programma lijkt vooral geïnteresseerd in auteurs en journalisten. Van alle 87 gasten die tussen 1988 en dit jaar hun opwachting maakten, vallen er 36 in die categorie. Wellicht zijn zij als geen ander in staat te reflecteren op Het Leven, ‘Zomergasten’dankt aan de oververtegenwoordiging van schrijvers wel de naam een entre-nous van de grachtengordel te zijn. Op nummer twee staan wetenschappers (14), waarbij de voorkeur uitgaat naar de alfa-richting. Op nummer drie prijken musici (6). Onderaan bungelen ondernemers (4), beeldend kunstenaars (3) en architecten (1). Ook politici (6) zijn niet razend populair. Omdat de redactie wil voorkomen dat kostbare zendtijd wordt gebruikt voor partijpropaganda, zijn slechts onafhankelijke politieke denkers welkom

Wie eenmaal genood is geweest in ‘Zomergasten’, mag rekenen op wekenlange post- en emailexplosies. Hirsi Ali (2004) ontving honderden reacties en het optreden van Van Agt (2003) genereerde een publiciteit als ware hij nog minister-president. Vooral Van Agts verhaal over Wim Kan hield dagenlang de vaderlandse media bezig. De cabaretier zou begin jaren tachtig in het diepste geheim de CDA-leider hebben gevraagd langs te komen in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag om zodoende een goede imitatie van Van Agt te kunnen instuderen. ‘Onzin’, riep meteen de volgende dag Frans Rühl, oud-medewerker van de cabaretier. Kan zou die imitatie begin jaren tachtig allang onder de knie hebben gehad. Van Agt heeft zich in die discussie nooit meer gemengd. Een mooie gelegenheid om een uitstapje te maken naar de Heilig Land Stichting. Van Agt, telefonisch: “Ik heb de waarheid gesproken en niets dan de waarheid. Ik ben uit de ellenlange formatie-onderhandelingen met Den Uyl en Terlouw geglipt om Wim Kan van dienst te zijn. Om niet op te vallen heb ik de achteringang van de schouwburg genomen. Corry Vonk heeft foto’s gemaakt en Kan bandopnamen.” De oud-premier is nog steeds verbaasd over de felle reacties die zijn onthulling teweeg bracht. “Zelfs al zou ik mijn verhaal hebben voorzien van krullen en arabesken, wat niet het geval is, dan nog valt mij het venijn in de media op. Wellicht mág het niet zo zijn dat Wim Kan en ik op goede voet stonden.”

Niet alleen de gasten, ook de presentatoren zijn vaak doelwit van felle kritiek. Freek de Jonge (1996) maakte er een ‘one man show van’, Wim T. Schippers (1997) ‘sprong van de hak op de tak’ en over Joost Zwagerman (2003) merkte een briefschrijver in de VPRO Gids sarcastisch op: ‘Leuk om te zien hoe Zwagerman zes avonden lang steeds door een andere presentator werd geïnterviewd.’ Waarmee we zijn aangekomen bij de derde factor die het kijken naar ‘Zomergasten’ tot een geliefd tijdverdrijf maakt: de gastheer/-vrouw.

Velen mogen zich geroepen voelen tot dit hoge ambt, slechts een enkeling is uitverkoren. Bij de selectie gaat het er niet eens zozeer om of de man of vrouw over journalistieke vaardigheden beschikt. Belangrijker is de vraag of hij de kunst van het converseren verstaat. Sommige presentatoren, zoals founding father Peter van Ingen – gastheer van 1988 tot 1995 -, beschikken over beide kwaliteiten. Connie Palmen daarentegen ‘onthulde’ in de voorgesprekken met de redactie dat ze van interviewen de ballen verstand had. Geen probleem voor ‘Zomergasten’. Het programma pretendeert veel meer te zijn dan een journalistiek product, waarin actuele vragenlijstjes van A tot Z worden afgewerkt. ‘Zomergasten’ is een ontmoeting van persoonlijkheden, een inkijkje in twee zielen, waarbij de actualiteit alleen wordt besproken voorzover de vertoonde fragmenten daartoe uitnodigen.

Peter van Ingen, founding father van 'Zomergasten'.
Peter van Ingen, founding father van ‘Zomergasten’.

Zo kon het gebeuren dat Connie Palmen het bekritiseerde TBS-beleid van minister Donner niet aan de orde stelde in haar gesprek met Wim Anker (720.000 kijkers), maar wel de scheidingen die Anker in zijn leven aanbrengt: het ‘abnormale’ van zijn werk (het verdedigen van moordenaars) en het normale van zijn dagelijkse leven (al 47 jaar met vakantie naar Slenaken), het loskoppelen van de persoon van de misdadiger en de misdaad, en het adoreren van Wiegel zonder VVD te stemmen. “Ben jij goed in het aanbrengen van scheidingen omdat jij je om je te ontwikkelen tot individuele persoonlijkheid hebt moeten loskoppelen van je tweelingbroer?”, vroeg Palmen zich af. Met dit soort vragen gaf de filosofe/schrijfster het programma een diepgang, die een puur journalistieke aanpak moeilijk had kunnen evenaren.

‘Zomergasten’ staat bij veel kijkers en programmamakers bekend als een Monument van Beschaving. De kijker kan zich eindelijk laven aan gesprekken die langer duren dan drie minuten en voor presentatoren en gasten betekent een optreden in deze avondvullende VPRO-show dat hun namen definitief worden bijgeschreven in de annalen van de televisiegeschiedenis. Ze mogen in hun vakgebied hun sporen dan al ruimschoots hebben verdiend, ‘Zomergasten’ is voor hen de kers op de slagroomtaart.

Met dank aan ‘Zomergasten’-redacteur Carine Eijsbouts en eindredacteur Peter van Ingen.

De CHU was een wijze van zijn

Deze maand verschijnt een biografie van Johan van Hulst (104), oud-verzetsstrijder, voormalig hoogleraar en ex-senator van CHU/CDA. Het boek, getiteld ‘Pedagoog, politicus, verzetsman'(eindredactie Gerlof Verwey), wordt op 27 mei in de Eerste Kamer gepresenteerd. In 2008 mocht ik Van Hulst spreken omdat het dat jaar een eeuw was geleden dat de Christelijk-Historische Unie werd opgericht. Hij en vele andere oud-CHU’ers figureerden in een verhaal dat op 17 oktober van dat jaar in De Groene Amsterdammer werd gepubliceerd. Bijzondere, beetje gekke partij, die CHU. Ter ere van de biografie hierbij een herpublicatie.

Premier Netanyahu van Israël eert oud-verzetsman en -CHU'er Johan van Hulst.
Premier Bibi Netanyahu van Israël eert oud-verzetsman en -CHU’er Johan van Hulst.

 

Honderd jaar geleden zag de Christelijk-Historische Unie het levenslicht. De partij is allang ter ziele, maar het jubileum werd in Den Haag uitbundig gevierd. Want er bestaat  zoiets als CHU-nostalgie.  “De Unie is in het CDA zo goed als verdampt.  Heel spijtig.”

Toen hij ter wereld kwam was de CHU nog geen drie jaar oud:  Johan Wilhelm van Hulst,  geboren op 28 januari  1911 in Amsterdam. Zoon van een hervormde meubelstoffeerder. Nu, bijna een eeuw later, woont hij nog steeds in de hoofdstad, waar hij tot zijn pensioen hoogleraar pedagogiek was aan de VU.  “Ik ben, als ik het wel heb, zo rond 1930 lid geworden van de Christelijk- Historische Unie”, vertelt hij met heldere stem. “Ik was onderwijzer  in Oudewater en de CHU-afdeling aldaar had zo’n donkerbruin vermoeden dat ik wel zou sympathiseren met de club. Wel, dat hadden ze goed gezien. Ik mocht verslagen maken van de plaatselijke vergaderingen en die werden dan gepubliceerd in het CHU-blad De Nederlander.  Apetrots was ik natuurlijk.”

Van 1956 tot 1981 was hij Eerste Kamerlid voor CHU/ CDA, waarvan de laatste twaalf jaar als fractievoorzitter.  Tevens was hij van 1969 tot 1972 partijvoorzitter.  Een groepering met een gemoedelijke sfeer, zo omschrijft  Van Hulst  (97) de Unie. “Toen ik  in de jaren dertig voor het eerst de districtsvergaderingen bezocht, werd ik getroffen door de grote mate van vrijheid. Ieder had recht op zijn eigen  mening en tegenstanders gingen mild met elkaar om.  Dat was men vanuit de hervormde kerk gewend, waar vele stromingen – van vrijzinnig tot orthodox – onder één dak samenwoonden. Men had een grote bereidheid tot samenwerking met andersdenkenden.”

Van Hulst memoreert dat het  CHU-premier De Geer was die als eerste socialisten in zijn kabinet (1939-1940) durfde op te nemen.  “Ik heb jonkheer De Geer nog meegemaakt. Je kwam hem tegen op districtsvergaderingen. Als persoon was hij moeilijk te peilen. Geen man voor small talk. Hij miste uitstraling en charisma. Maar wel een uitstekende minister van financiën en in zijn eerste kabinetsperiode ook een goede premier. Tijdens de oorlog was hij een heel zwakke minister-president.  Zijn defaitistische houding tegenover de Duitse bezetter  valt niet goed te praten.”

De Geer was de enige premier die de CHU in haar 72-jarig bestaan (1908-1980) leverde, en die viel nog in ongenade ook.  De ARP – eveneens een middelgrote partij – tekende zeven keer voor het minister-presidentschap: baron Mackay,  Kuyper, Heemskerk, Colijn  (vijf kabinetten), Gerbrandy, Zijlstra en Biesheuvel.  “Tsja, dat is nou typisch die CHU-bescheidenheid”, verklaart Van Hulst.  “Wij probeerden te leven naar het Bijbelwoord de ander uitnemender te achten dan onszelf. Bij de ARP  trof je een enorme geldingsdrang: Wij weten het en wij weten het alleen. Ik meen me te herinneren dat Colijn altijd een kwartier te laat op partijvergaderingen kwam, zodat iedereen hem kon zien binnenkomen.  De Geer zat een kwartier voor aanvang al achter de tafel. Dat is tekenend, niet?”

Dat verschil in mentaliteit is blijkens  het boek ’Geschiedenis van de Christelijk-Historische Unie’, dat Marcel ten Hooven (hoofdredacteur van christen-democratische verkenningen) en Ron de Jong (historicus) ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van de  CHU schreven, terug te voeren op de ontstaansgeschiedenis van de twee protestants-christelijke partijen.  De ARP was een emancipatiepartij voor de kleine luiden, zoals de gereformeerden werden genoemd, en had van daaruit een grote daden-  en organisatiedrang. De CHU, in 1908 deels als afsplitsing van de ARP ontstaan onder leiding van jonkheer Alexander de Savornin Lohman,  kon als vertegenwoordiger van  het  (hervormde)  establishment  veel ontspannener politiek bedrijven.

Dat verschil vertaalde zich ook ideologisch. De ARP beleed, onder vurige aanvoering van Abraham Kuyper, de antithese-gedachte:  Het volk was op te delen in een christelijk en een niet-christelijk deel. De Savornin Lohman, die zich van Kuyper had afgekeerd vanwege diens in zijn ogen dictatoriale en machtsbeluste gedrag,  beschouwde het volk veel meer als één geheel.  “Wij waren vólksvertegenwoordigers”, zegt dr. Roelof Kruisinga, de laatste voorzitter van de CHU-Tweede Kamerfractie. “Wij hadden alleen  te maken met het belang van het volk en ons eigen geweten.  Dat onafhankelijke gedrag zie ik in het huidige CDA veel minder terug.”

Het ontbreken van een hechte partijorganisatie – de CHU was niet meer dan een los verband van kiesverenigingen, zonder politiek programma – en de afwezigheid van een strenge fractiediscipline maakten de Unie tot een curieuze verzameling  volièrevogels die bij stemmingen vaak alle kanten op vlogen.  In zijn villa in Wassenaar bekijkt Kruisinga glimlachend de indrukwekkende lijst van zijn afwijkende stemgedrag binnen de CHU-fractie. “Ik vermoed dat dit alleen nog maar de lijst is van mijn Eerste Kamer-periode.  De totale lijst is veel langer. Zo heb ik altijd tegen álle gemeentelijke herindelingen gestemd. Ik geloof in bestuur op kleine, menselijke schaal. Ik vond dat  standpunt heel goed passen bij  de plattelandspartij die de CHU after all was.”

Ook zijn verzet tegen de invoering van de neutronenbom is volgens Kruisinga (86) terug te voeren op de vrijheid die hij als CHU-vertegenwoordiger had. “Binnen de CHU en het CDA bestond over dat wapen geen eenstemmigheid. Als minister van defensie was ik faliekant tegen omdat invoering indruiste tegen de Conventie van Genève. Bovendien had ik als medicus gewetensproblemen omdat een dergelijk stralingswapen de menselijke vruchtbaarheid aantast. Op de achtergrond speelde mijn  opvoeding in de doopsgezinde kerk, een genootschap dat tegen wapens is.”

Zijn afwijkende standpunt noopte Kruisinga in maart 1978 tot opstappen, na een kortstondig ministerschap in het kabinet Van Agt.  De oud-bewindsman sluit niet uit dat zijn aftreden verregaande invloed heeft gehad:  “President Carter heeft kort na mijn vertrek de neutronenbom in de ijskast gezet.”

Verhalen als zou hij  door de Amerikanen zijn gedwongen tot opstappen omdat hij politieke contacten onderhield achter het IJzeren Gordijn en bovendien te veel zou drinken, wimpelt Kruisinga weg. “Ik dronk en drink graag een glas wijn, maar aanmerkelijk minder dan bijvoorbeeld Henk Vredeling. En ja, ik ging vanwege mijn vroegere werk voor milieubehoud en internationale volksgezondheid geregeld naar Oost-Europa, waar ik bevriend was met een paar bewindslieden.  Na afloop kwam er vaak een BVD’er langs, die mij vroeg naar mijn ervaringen.  Er bestaat van mij een dossier, maar dat is er van Jan, Piet en Klaas.”

De CHU in de gaten gehouden door de BVD, wie had dat ooit gedacht? De uiterst brave partij, die niet eens op macht uit was (‘niet de majoriteit, maar de autoriteit van het Evangelie’, stond in het beginselprogramma), en voornamelijk een burgerlijk-conservatieve koers voer. Een partij ook met redelijk wat  landadel, die zich aangetrokken voelde tot het historische karakter van de CHU: Onze gewetensvrijheid was niet uit de lucht komen vallen maar door Willem van Oranje duur bevochten in de Tachtigjarige Oorlog.  “Ach, we waren een partij van nette mensen”, relativeert baron O.W.A. van Verschuer, die van 1972 tot 1977 partijvoorzitter was.  “Een vriendenclub  die met haar rug naar de politiek toe stond.”  Die mentaliteit is in de huidige fusiepartij  soms nog terug te vinden, meent  de overtuigde CDA’er. “Dat mijn partijgenoot Veerman  na vier jaar minister van landbouw te zijn geweest in 2006 opstapte met de motivering dat hij weer eens wat anders wilde doen, past helemaal binnen het CHU-denken. Wij zijn geen mensen die aan het  het pluche kleven.”

De auteurs van het zojuist genoemde boek, het eerste historisch-wetenschappelijke werk over de CHU, geven van die onthechtheid pregnante voorbeelden.  Ten Hooven (51 ), voormalig politiek redacteur van Vrij Nederland:  “Bij de formatie van 1948 wilde kamerlid freule Wttwaal van Stoetwegen van de voortgang van de besprekingen op de hoogte worden gehouden. Het antwoord van fractieleider Tilanus sr. luidde: ‘Freule, dat is politiek, en daar hebt u niets mee te maken. Politiek, dat doe ik zelf.’”

Freule Wttewaal van Stoetwegen tijdens de CHU-verkiezingscampagne van 1971.
Freule Wttewaal van Stoetwegen tijdens de CHU-verkiezingscampagne van 1971.

De CHU maakte een strikt onderscheid tussen regering en volksvertegenwoordiging. Dat dualisme kwam, volgens de auteurs, niet voort uit het Verlichtingsideaal van de trias politica, waarbij rechterlijke, uitvoerende en wetgevende macht ieder een gelijkwaardige rol vervullen, maar uit de overtuiging dat het parlement ondergeschikt is aan de regering. De Jong (47): “De regering heeft het gezag van God ontvangen, was de gedachte, en staat daardoor in haar eigen recht.  Zo gauw een CHU’er minister werd, zette hij zijn partijpet af en was hij dienaar van de Kroon.”

Wat de auteurs betreft wordt de CHU-mentaliteit in het huidige politieke tijdsgewricht node gemist.  “De Unie stond model voor de betekenis van harmonie en verzoening in een pluriforme samenleving. Dat ondogmatische was haar stille kracht. Zo’n partij zou in deze tijd van grote woorden en opgeklopte tegenstellingen goed werk kunnen verrichten.”

Van Hulst: “Voorzover de CHU een politiek programma had, ging dat over een sterke defensie en politie, trouw aan het koninklijk huis en dat soort algemene zaken. De partij was bovenal een wijze van zijn.” Toch zijn er, wanneer hij de voorbije eeuw overziet, wel enkele politieke successen te noemen. “Onze minister De Visser  heeft in 1920 de financiële gelijkstelling  van het bijzonder met het openbaar onderwijs wettelijk kunnen regelen.  Dat de CHU de Doorbraak heeft overleefd is ook een belangrijke verdienste.  Ik wil hier toch ook De Geer noemen. Hij heeft tijdens de crisisjaren als minister van financiën Nederland voor een faillissement behoed. Ik vind dat hij voor dat deel van zijn carrière gerehabiliteerd moet  worden. De man is te hard gestraft  en moet  recht worden gedaan”, meent de voormalige CHU-partijvoorzitter.

De behandeling van De Geer, die wegens zijn toegeeflijke houding in de oorlog in 1947 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf werd veroordeeld, is niet het enige wat gevoelig ligt in de voormalige CHU. Ook de onzichtbaarheid van de christelijk-historischen in het CDA is voor sommigen een pijnlijke werkelijkheid.  Sinds het ontstaan van het CDA in 1980 zijn alle belangrijke partijpolitieke functies (partijvoorzitter,  premier en fractieleider  in de Tweede Kamer) naar oud-KVP’ers en -ARP’ers gegaan. Van Hulst:  “De CHU-invloed is zo goed als verdampt, ja.  Aan de ene kant logisch, want de bloedgroepen bestaan officieel niet meer, maar op gevoelsmatig niveau zijn ze er nog wel. Daarom zeg ik: Heel spijtig voor de CHU.  Dat de KVP veel posten claimt is logisch. Het was de grootste partij van de drie. We zijn vooral gesneuveld onder de dadendrang van de ARP.”

Er zijn oud-CHU’ers die het niet willen laten bij dergelijke verzuchtingen. Zo  bestaan er achtentwintig jaar na de opheffing van de partij nog steeds stichtingen die de christelijk-historische mentaliteit levend proberen te houden in het CDA, zoals de Beerninkstichting (genoemd naar de voormalig CHU-minister van binnenlandse zaken) en de  jhr. De Savornin Lohmanstichting. De laatste club organiseerde deze week een reünie rond honderd jaar CHU in de Oude Zaal van de Tweede Kamer, waarbij het boek van Ten Hooven en De Jong officieel werd gepresenteerd aan premier Balkenende.  Een  come back van de CHU?  “Er zijn CDA’ers  die vinden dat de CHU meer aandacht verdient”, verklaart Kruisinga diplomatiek.  Zelf is de oud-bewindsman, die de totstandkoming van het boek financieel ondersteunde,  ook minder enthousiast geworden over de fusiepartij. “Als de Unie  morgen opnieuw werd opgericht sloot ik mij meteen weer aan.”

Roelof Kruisinga
Roelof Kruisinga

Zo ver gaat Leo de Snaijer (77), bestuurllijk actief in bovengenoemde stichtingen,  niet. Hij zegt dat hij als één man achter premier Balkenende staat. Wel waakt het voormalig CHU-hoofdbestuurslid ervoor  dat er voldoende ‘christelijk-historischen’ op de CDA-lijst staan. Thuis in Vlaardingen houdt hij de stand nauwkeurig bij.  “Acht van de huidige 41 CDA Kamerleden hebben wortels in de CHU. Dat is een redelijk aantal. In de jaren tachtig hebben we er zeer slecht voorgestaan. Toen was de fractie groter en waren er maar vijf CHU’ers.”

Tweemaal al heeft hij als privé-persoon voorkeursacties gehouden voor oud-CHU’ers.  Eerst  voor Jan ten Hoopen, secretaris van de Lohmanstichting, en bij de laatste verkiezingen voor Antoinette Vietsch.  Beide keren kreeg De Snaijer  zijn favoriete kandidaat  op een verkiesbare plaats. “Bedenk wel: Ik heb  alles langs de koninklijke weg gedaan, dus via de kiesverenigingen. Bij de laatste actie heb ik heb tevens de hulp ingeroepen van zorginstellingen omdat mevrouw Vietsch uiterst deskundig is op het gebied van volksgezondheid.  Vooral de Philadelphia Zorgstichting, waarvan voorzitter  Frits Brink een oud-CHU’er is, heeft me uitstekend gesteund.”

De Snaijer beseft dat er over een aantal decennia  geen oud-CHU’ers meer zullen zijn, maar tot die tijd moet de strijd doorgaan, vindt hij. “We zijn dit avontuur met z’n drieën begonnen. Dan mag de CHU er, als kleinste partner, niet  een beetje bij gaan bungelen.”

En zo lijkt honderd jaar na de oprichting van de CHU het machtsconflict tussen De Savornin Lohman en Kuyper nog steeds actueel.  “Voor sommigen geldt dat zeker”, beaamt baron Van Verschuer, kasteelheer te Beesd (Gld.). “Zelf ben ik erfelijk belast. Mijn betovergrootvader kreeg het als kerkvoogd alhier aan de stok met zijn predikant, Abraham Kuyper. Kuyper zette alles op alles om de kerk te gebruiken als proeftuin voor zijn staatsrechtelijke vernieuwingen, onder meer door te sleutelen aan de kerkelijke kiescolleges.  Mijn betovergrootvader heeft zich daar steeds tegen verzet.”

Otto baron Van Verschuer
Otto baron Van Verschuer

 

“En zie hier”, zegt de CHU-baron, een parallel trekkend met het heden, “de heer Aantjes beklaagt zich in de Staatscourant dat het CDA niet de kant op is gegaan waar hij als AR-man altijd voor had gevochten. Ik stoor me aan dit soort Kuyperiaans gedrag en heb die ergernis ook overgebracht aan onze CDA-voorzitter Van Heeswijk, die me pas uitnodigde voor een gesprek.  Lohman tegen Kuyper, inderdaad,  die strijd heeft mensen als Aantjes en ik nog altijd iets te zeggen.”

Keizerin Sisi was een ware ‘liberal’

 

In Paleis Het Loo is tot 27 september een expositie te zien over keizerin Elisabeth van Oostenrijk. Eind 1999 sprak ik voor het Algemeen Dagblad haar achterneef aartshertog Otto von Habsburg. Aanleiding was de Joop van den Ende-musical ‘Elisabeth’, die toen net uit was. Het beeld dat de keizerszoon (1912-2011) in dat AD-interview schetste van zijn oud-tante ‘Sisi’ week nogal af van het suikerzoete plaatje dat we tot dan toe kenden. “Ze was een ware liberal”, meende de edelman.

Romy Schneider als Sisi de keizerin.
Romy Schneider als Sisi de keizerin.

 

De zoon van de laatste keizer van Oostenrijk en koning van Hongarije is weer even terug in 1916. Vanuit het Intercontinental Hotel in Boedapest wijst aartshertog Otto von Habsburg naar buiten, waar sneeuwvlokken neerdwarrelen op de Donau. Daar, aan de overzijde van de rivier, in de Matthiaskerk was hij als 4-jarige kroonprins getuige van een van de meest indrukwekkende gebeurtenissen uit zijn leven: de kroning van zijn ouders.

De 87-jarige edelman, die zich nog gaarne met keizerlijke en koninklijke hoogheid laat aanspreken, hoort weer de lieflijke klanken van de kroningsmis en ziet in gedachten de toenmalige premier van Hongarije voor zich. In het zwart gekleed, naar het gebruik van de calvinistische adel in die tijd. Ook de gestalte van de koning van Bulgarije doemt op. “Hij stond links van het altaar en fluisterde mij allerlei, naar ik later heb begrepen, filosofisch bedoelde gedachten over de kroning in. Dat verveelde mij stierlijk, want het leidde mijn aandacht alleen maar af.”

Karel I en Zita waren de laatste gekroonde hoofden van de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije, maar nooit zijn ze zo beroemd geworden als het voorlaatste keizers-/konings-echtpaar Frans Jozef en Elisabeth. Dat is logisch, want zij zaten decennialang op de troon, terwijl Karel en Zita na twee jaar al werden verjaagd door de revolutie. Bovendien was Elisabeth von Habsburg, een oud-tante van aartshertog Otto, beeldschoon, ongelukkig en excentriek. Kortom, het leven van deze prinses Diana avant la lettre bevatte alle ingrediënten voor onsterfelijke roem.

Over het leven van ‘Franzi en Sisi’zijn talloze films en boeken verschenen. En nu ook de musical ‘Elisabeth’, met Pia Douwes in de titelrol. In 2,5 maand tijd is het recordaantal van 232.000 kaartjes verkocht voor deze Joop van den Ende-productie. Aartshertog Otto neemt er zijn chapeau voor af: “Is it really, how nice?!”De keizerszoon kan heel goed begrijpen dat zijn oud-tante, 101 jaar nadat ze door een Italiaanse anarchist werd vermoord, nog altijd springlevend is. “De mensen kijken graag tegen iemand op, en de monarchie biedt hen daartoe alle kans. Dat is een van de mooie trekjes van deze staatsvorm. Bovendien, keizerin Elisabeth is geen figuur van voorbijgaande aard, zoals veel huidige sterren. ‘Sisi’is echt en dat kun je van de meeste hedendaagse beroemdheden helaas niet zeggen.”

Niet dat de edelman ook maar de geringste aandrang heeft om de musical, die eerst in Wenen draaide en op 21 november in Nederland in première ging, te bezoeken. Hij heeft in een grijs verleden een niet geheel suikervrije Romy Schneider-film gezien, en liep daarbij een dermate hoge dosis ‘Sisi’- romantiek op dat hij voor de rest van zijn leven was genezen. “Ik heb Romy Schneider nooit gesproken. Eén keer heb ik samen met haar in het vliegtuig naar Madrid gezeten, maar ik denk niet dat ze wist wie ik was.”

Het ‘probleem’is, filosofeert Otto von Habsburg nippend aan zijn middag-thee, dat ‘Sisi’-films en –musicals dikwijls een bijzonder eenzijdig beeld schetsen van zijn oud-tante. “Sisi’is in onze familie geen gespreksonderwerp, dus ik kan alleen mijn persoonlijke mening geven. En die is: natuurlijk was ze romantisch en beeldschoon, maar keizerin Elisabeth had ook een uitgesproken politieke kant en die wordt in die producties zelden goed belicht.”

Otto von Habsburg is edel genoeg om te kunnen begrijpen dat het doorsnee film- en theaterpubliek op zijn vrije zaterdagavond niet op politiek zit te wachten, maar wat hem betreft waren de staatsrechtelijke ambities van de Oostenrijkse keizerin veel interessanter dan haar getuttel met make up, obsessies met afslanken en rusteloos gereis door Europa. “Keizerin Elisabeth heeft de basis gelegd voor de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije in 1867, waardoor de twee landen een gelijkwaardige verhouding kregen.”

Tot dat jaar was Hongarije slechts een vazalstaat van de oppermachtige Habsburg-dynastie in Wenen. In 1848 kwam het Hongaarse volk onder leiding van graaf Andrássy in opstand tegen de Oostenrijkse overheersing. De revolte werd een jaar later met behulp van Russische troepen de kop in gedrukt, maar het zou nog tot 1867 duren voordat het echt vrede werd. Otto von Habsburg: “Hongarije kreeg gelijke rechten. Alleen de ministeries van financiën, en buitenlandse zaken en oorlog waren nog gemeenschappelijk met Oostenrijk. En het staatshoofd natuurlijk. Dankzij de uitstekende contacten van Elisabeth met vooraanstaande Hongaarse politici – met name de leider van de liberale oppositie Frans Deák – en het vertrouwen dat deze intelligente vrouw genoot bij mensen uit het verzet, kon de dubbelmonarchie het levenslicht zien. Zij was de bruggenbouwer, het politieke brein. Het is tragisch dat een dergelijke overeenkomst met de Slaven nooit tot stand is gekomen.”

Aartshertog Otto von Habsburg
Aartshertog Otto von Habsburg.

Was zijn oud-tante diep in haar hart misschien de anti-monarchistische revolutionair waarvoor sommige geschiedschrijvers haar houden? Von Habsburg: “Ze was in haar tijd een ‘liberal’, niet in de betekenis van wat je tegenwoordig socialistisch zou noemen, maar in de zin van open-minded. Ze onderhandelde met revolutionairen die tegen keizer Frans Jozef van Oostenrijk, haar man, in opstand waren gekomen. Toch bleef ze ook loyaal aan haar echtgenoot, met wie ze een excellent huwelijk had. Haar enige doel was vrede te stichten in het Habsburgse rijk. Het is waar dat ze zich verzette tegen de rigide kanten van de monarchie, maar dat ze voor een republiek was, daar geloof ik niets van. Dat rebelse van haar, ach wat moet ik erover zeggen? Waarschijnlijk was ze in een republiek monarchiste geweest.”

Over zijn persoonlijke opvatting over de monarchie als staatsvorm is hij kort. Is het de volkswil, dan is het oké, is het niet de volkswil, dan moet je er niet aan beginnen. “Ik ben geen republikein en geen monarchist, maar democraat”, zegt de edelman die tot dit jaar lid was van het Europarlement voor de Beierse CSU. De keizerszoon benadrukt dat ook Frans Jozef niet zo rigide was als hij vaak wordt afgeschilderd. “De keizer had een liberaal-democratische inborst. Hij heeft in Oostenrijk algemeen kiesrecht ingevoerd, niet voor vrouwen natuurlijk, want dat had je toen nog nergens. In Hongarije heeft hij hetzelfde geprobeerd, maar dat is helaas niet gelukt.”

Hongarije was het lievelingsland van ‘Sisi’. Zo gedeprimeerd als ze zich voelde in de Oostenrijkse Hofburg, zo vrij en onbekommerd in haar kasteel Gödöllö, zo’n dertig kilometer buiten Boedapest. “Ik kan me dat goed voorstellen”, zegt Otto von Habsburg. “Ik heb als jonge kroonprins nog in gangen van dat paleis in Wenen gespeeld. Een droefgeestige plek. Bovendien was Elisabeth graag in Hongarije omdat ze daar een groot politiek succes had behaald, wat een hechte band smeedde tussen haar en het Hongaarse volk.”

Dat ze Wenen ronduit haatte en met name haar schoonmoeder Sofie, relativeert de aartshertog. “Het hof van Frans Jozef was dat van de overwinnaar van 1848, en kende een groots en streng protocol. Dat was Elisabeth als Beierse prinses niet gewend. Dat klopt. Maar van haat was geen sprake. En wat Sofie betreft: ze was een opmerkelijke vrouw, maar ik geef toe, inderdaad niet erg plezierig in de omgang.”

Maar ook ‘Sisi’was geen doorsnee. Haar achterneef beaamt met enige spot: “Net als haar neef koning Ludwig, aan wie Beieren een aantal prachtige kastelen heeft te danken, was ze nogal buitengewoon en excentriek.”

Als telg uit het geslacht Wittelsbach was Elisabeth een ware kunstliefhebster, met name de poëzie vermocht haar te bekoren. De keizerin dichtte zelf ook.: Ik reis als een eenzaad over deze aarde, sinds lang ver weg van het plezier van het leven. De aartshertog kent de poëzie van zijn verre tante, maar hij betwijfelt of het dichtkunst is met een hoofdletter D. Doemt uit die gedichten niet het beeld op van een zeer ongelukkige vrouw? “Dat weet ik niet”, mompelt de aristocraat. “Mijn oud-tante was rusteloos, en daar zit natuurlijk wel een stukje ongeluk in, maar of ze echt diep-ongelukkig was, dat durf ik nederig te betwijfelen. Op die vraag weet God alleen het antwoord.”

En Joop van den Ende.

 

‘Ik mag nóóit misgrijpen’

Linda de Mol scoort met ‘Familie Kruys’, een RTL 4-comedy die ze zelf heeft bedacht en waarin ze zelf ook de hoofdrol speelt. Een kleine vijftien jaar geleden, in oktober 2000, interviewde ik Linda voor het Algemeen Dagblad. Ze had toen net haar eerste acteerrol te pakken, in de misdaadserie ‘Spangen’. “Acteren”, zei ze toen “is voor mij relaxter dan presenteren. Ik voel een minder grote verantwoordelijkheid.” Ter gelegenheid van ‘Familie Kruys’hierbij het hele verhaal.

'Familie Kruys', met Bette (Linda de Mol) en broer Kirk,  zondag weer bij RTL 4.
‘Familie Kruys’, met Bette (Linda de Mol) en broer Kirk, zondag weer bij RTL 4 .

‘Als ik iets níet wil zijn in het leven, is het een tut. Ik wil een boeiende, sprankelende persoon blijven. Toen ik voor de eerste keer zwanger was, ben ik na zes maanden gestopt met werken. Ik werd een muts, een enorme muts. Oh God, ik moet vandaag naar de bank. Dat was ineens een issue. Ik heb onze complete cd-collectie gealfabetiseerd, wat ongeveer aangeeft hoe verschrikkelijk ik mij verveelde. Er zijn mensen die met niet-werken een heel zinnige invulling aan hun leven kunnen geven. Ik niet.

Ik heb een redelijk zorgeloos bestaan. In Nederland valt prima te leven als bekendheid. Iedereen die beweert dat het niet zo is, die wíl graag dat het niet zo is. Mij is gelukkig veel bespaard gebleven. De zorgen die ik heb, zijn terug te voeren op mijn werk. Maar zodra ik mijn huis binnenwandel, zijn ze weg. Thuis staat m’n zoontje Julian meteen met een brandweerautootje klaar. Dat relativeert enorm.

Kinderen werken in zekere zin therapeutisch. Het vervelende van dit vak is dat je vaak denkt: dit programma is leuk, maar kan het niet nóg spectaculairder? Zo word je door mijn broer John ook wel een beetje gemaakt. Mijn partner Sander kan de dingen heel slecht loslaten, maar ik roep hem geregeld een halt toe. De schaarse uren die je thuis bent, moet je het lekker hebben. Het is per slot van rekening maar werk, hoe leuk ook.

Privé ben ik soepel in de omgang, kan ik gemakkelijk vergeten. Ik zoek geen ruzie, ben niet wraakzuchtig en niet gauw kwaad. Als je aan mensen die mij heel goed kennen vraagt hoe ik ben, zeggen ze: lief. Dat klopt, maar zoet ben ik niet. Althans minder dan mijn imago doet vermoeden. Ik heb een wat scherpere humor en kan op mijn werk bijzonder opvliegerig zijn. Ook ten opzichte van John, ja. Als wij het niet eens zijn, kunnen de vonken er vanaf vliegen.

Ik heb het idee dat er ontzettend veel op mijn schouders rust. Als iemand in mijn team zijn afspraken niet nakomt, de kantjes ervan afloopt of te veel eigen initiatief toont in de zin van: ‘ik heb maar besloten dat we het heel anders gaan doen’, dan kan ik echt uit mijn vel springen. Om het vervolgens dezelfde avond nog goed te maken. Ik kan niet met ruzie leven.

Mijn broer wordt vaak afgeschilderd als kil en afstandelijk, maar ik weet dat hij dat niet is. John is ten slotte de bedenker van emotie-tv. Hij weet feilloos waar iemands gevoelens zitten en hoe hij ze naar boven kan halen. Hij is wel introvert. John heeft geen enkele behoefte zijn kleine inner circle ook maar 20 centimeter groter te maken. Daarin verschillen wij enorm. Maar John is voor zijn doen al veel extraverter dan tien jaar geleden. Vorige week nam Leo Janssen na een jarenlang dienstverband afscheid van ons bedrijf. Hij is onder meer de bedenker van de 5 Uur Show. John heeft een heel warme, emotionele toespraak gehouden. Tien jaar geleden had hij dat nog niet gekund.

We zijn dol op elkaar, zonder dat we dat van de daken schreeuwen. Het is naarmate je in de tv-wereld bekender wordt en meer geld verdient heel belangrijk dat je van een aantal mensen weet: die zullen altijd achter me blijven staan. John is daar één van, zoals ik er altijd voor hem zal zijn. Dat spreek je niet uit, je weet het gewoon. Sinds ik op de televisie ben, hebben we die band.

Ik kom uit een warm, maar ook streng nest. Eén uur thuis was bij ons één uur thuis, en niet één over één. Ik haalde het ook niet in mijn hoofd om één minuut later te komen. Wat mijn ouders mij ook hebben ingeprent: wees érgens goed in, maakt niet uit wáárin. Ik denk dat het in die tijd vrij uniek was een meisje zo op te voeden.

foto-bji-linda

Ik dacht dat ik een ontzettend goede advocaat zou worden. Dat had mijn vader ook gehoopt. Spijt? Nee, geen dag. In Nederland is advocaat geen spannend beroep, tenzij je Moszkowicz, Spong of Doedens heet. Glamour heb ik niet nodig. Aandacht wel. Graag en veel. Ik zou graag de Televizierring winnen, waarvoor ik vier keer ben genomineerd. In Duitsland heb ik aanzienlijk meer prijzen ontvangen dan in Nederland. Ik heb het geluk gehad om bij de televisie te komen in een periode waarin het er nog niet zo bikkelhard aan toeging als nu. Je kon op je bek gaan, zonder dat het meteen over en sluiten was. Jaren geleden had ik een talkshow bij de TROS, Linda. Vreselijk slecht. Ik was 21 en ben nog nooit zo hard onderuit gegaan. Ik vloog naar Londen om David Bowie te interviewen. Onvoorbereid. Zorgeloos. Nu zou ik drie nachten van tevoren wakker liggen. Sonja Barend zei: ze heeft talent, maar het leven moet er nog een beetje overheen.

Mijn echtscheiding heb ik als een heel nare tijd ervaren, maar verder heb ik weinig leed gekend in mijn leven. Dat klinkt heel saai, ik weet het, maar het is de realiteit. Ik heb hooguit mijn opa’s en oma’s verloren. Er is voor mij dus geen reden om in een depressie te schieten.

Een perfect leven? Ik moet het afkloppen, maar het is zo. Het streven naar perfectie zit in me. Anderen worden er geregeld knettergek van. Ik maak nu 17 jaar televisie, en steek mijn mening niet meer onder stoelen of banken. Als ik een concept niet goed vind, zeg ik dat ronduit. Maar ik zal nooit over beginnende presentatoren roepen dat ze er niets van kunnen. Ik kijk wel uit. Als ik mezelf terugzie als 19-jarige presentatrice schaam ik me diep. Wat een oeverloos gekwebbel.

Ik ben sinds Spangen ook actrice, als je het zo wilt noemen. Een opleiding heb ik daar niet voor genoten, maar ik denk dat je als presentatrice ook een beetje moet kunnen acteren. Vandaar dat het me misschien niet eens zo slecht afgaat. Monique van de Ven is een enig mens. Het soort vrouw waar ik van hou. No-nonsense, een groot relativeringsvermogen en behept met hetzelfde gevoel voor humor als ik.

Als actrice ben ik relaxter dan als presentatrice. Ik voel een minder grote verantwoordelijkheid. Spangen is niet de Linda de Mol-show, zal ik maar zeggen. Ik concentreer me op de scènes die ik moet spelen en voor de rest heb ik het ontzettend gezellig met collega’s.Als presentatrice voel ik op het moment dat ik de studio binnenkom al een enorme verantwoordelijkheid op me drukken. Hadden we niet afgesproken dat die bank grijs zou zijn in plaats van zwart, en is die kandidaat nou tóch door de selectie gekomen? Dat was niet de afspraak! Het is míjn programma, en als het niet goed gaat, gaat míjn kop eraf. Dat idee.

Ik heb het ’t allermoeilijkst als ik me probeer te beheersen, bijvoorbeeld wanneer een computer crasht. Ik barst dan om een uur of vijf alsnog in woede uit. Geheel ten onrechte natuurlijk, maar het lucht zo lekker op. Het is maar goed dat ik in Nederland bij de publieke omroep zit. Bij een commerciële zender, zoals RTL in Duitsland, heb je ook nog die voortdurende dwang om marktaandelen te scoren. Die druk zou ik niet in twee landen tegelijk aankunnen.

Als je vraagt wat het merkwaardigste aan mij is, zeg ik: mijn overdreven organisatiegevoel. Ik moet alles onder controle hebben zodat de kans op uitglijders minimaal is. Gelukkig remt Sander mij zo nu en dan af, anders zou dat ordenen tot in het absurde doorgaan. Ik zou ’t liefst ’s avonds alle Barbiepoppen van mijn dochtertje keurig bij elkaar leggen, net als alle autootjes van ons zoontje, als het kan op kleur en afmetingen. Voordat ik naar bed ga, controleer ik de koelkast, of alle levensmiddelen netjes zijn gerangschikt. Ik maak overal lijstjes voor. Dat is mijn manier om de chaos te beheersen. Ik mag nóóit misgrijpen.

Mijn irritantste eigenschap is dat ik moeilijk tegen mijn ongelijk kan. Ik ben in staat om onheuse argumenten aan te dragen om maar mijn zin te krijgen. Ik gooi er rustig een paar getallen tegenaan die niet kloppen: 30 procent van de kijkers waardeert dit of dat. Dat verzin ik dan ter plekke. Haha. Het mooiste aan mezelf? Mijn lach. En wat mijn innerlijk betreft: mijn inlevingsvermogen. Ik kan goed luisteren en mensen uit de shit helpen. Ik zou een goede psychotherapeute zijn.

Overigens heb ik de pretentie dat ik in veel beroepen goed zou kunnen worden, een fantastisch restaurant runnen bijvoorbeeld. Ik heb zelfs het gevoel dat ik een heel bekwaam minister zou zijn. Als ik zie hoe Tineke Netelenbos dat rekeningrijden erdoor jast, denk ik: dat zou ik ook kunnen. Alleen, ik wil het niet. Ik zit in het goede vak. Ik zal wel altijd bij de televisie blijven, al kan ik mij ook voorstellen dat het later iets achter de schermen wordt.

Het is van de TROS een gouden greep geweest om Love Letters na een afwezigheid van vier jaar terug te brengen op het scherm. Het programma scoort enorm, terwijl bij de start in 1992 iedereen verontwaardigd riep: dat kan toch niet, trouwen op de televisie?! Het was het eerste emotieprogramma op de Nederlandse tv, mensen moesten er nog aan wennen. We krijgen nu ook homo-paren in Love Letters. Eindelijk! Bij de TROS levert dat weinig problemen op, maar de RTL-directie in Duitsland wil er niets van weten. Traumhochzeit is een traditioneel programma, zeggen ze,  en dat moet zo blijven. Maar ik denk dan: verdomme, als homoseksualiteit in Duitsland nog steeds zo’n groot probleem is, moeten er juist homo’s in. Ik heb al vijf jaar geleden geroepen dat ze zich moeten aanmelden, maar het aantal kandidaten is op de vingers van één hand te tellen. Wanneer mijn eigen Traumhochzeit komt? Sander en ik denken niet zo aan trouwen. De kinderen scheppen al een onverbrekelijke band.

Toen ik hoorde dat bij Miljoenenjacht, mijn nieuwste programma, de hoofdprijs tien miljoen was, dacht ik: moet dat nou? Maar goed, de kandidaat kan evengoed met 100 gulden naar huis gaan. Dat we zulke grote sommen kunnen weggeven, komt door de deelname van de Postcodeloterij. Zolang er miljarden naar goede doelen gaan, heb ik minder moeite met prijzen van tien miljoen. Alhoewel het natuurlijk een beetje decadent blijft. Maar het gaat blijkbaar zo goed met Nederland dat we ons dit soort bedragen kunnen permitteren.’

 

Altijd weer die angst

 

Ter ere van Frank Houtappels, scriptschrijver van ‘Schaep ahoy’ (KRO), hierbij een interview dat ik in april 2009 met hem hield voor Broadcast Magazine.

 

Riek (Jenny Arean) en scheepsjongen Barend (Guy Clemens) in de stuurhut.
‘t Schaep Ahoy’, morgenavond weer op tv.

 

Hij groeide op in Noord-Limburg, maar wist als puber al dat hij naar de grote stad wilde. In Amsterdam groeide hij uit tot een begenadigd toneel-, film-  en tv-schrijver. Frank Houtappels:  “Altijd weer die angst dat het compleet uit je handen klettert.”

Frank Houtappels (1968) schiep samen met Joan Nederlof  Hertenkamp (VPRO),  bewerkte het script van ’t Schaep met de vijf pooten (KRO) en schreef daarna ’t Vrije schaep. Tevens is hij een van de tekstschrijvers van Gooische Vrouwen (RTL 4) en Koefnoen (AVRO). Maar hij begon ooit als toneel- en tv-acteur. Het interview vindt plaats kort na de première van Houtappels nieuwste toneelstuk Hotel Atlantico over vier homoseksuele boezemvrienden op vakantie in Portugal..

Wanneer wist je zeker dat je acteur wilde worden?

“Dat is nooit een bewuste keuze geweest. Ik ben opgegroeid in Weert en was als puber maar met één ding bezig: zo gauw mogelijk naar de grote stad. Ik heb daar mijn studie op uitgezocht.  Het moest iets creatiefs zijn, dat stond vast. Uiteindelijk werd het de toneelschool.”

Waarom wilde je zo graag weg uit Weert?

“Ik was homo en dacht: I’m the only gay in the village. Een eenzaam gevoel, hoewel ik niet kan zeggen dat ik een ongelukkige jeugd heb gehad. Ik kom uit een warm nest. Mijn ouders maakten van mijn homoseksualiteit geen probleem.”

Misschien werd je acteur omdat je na je `onzichtbare’ homo-jeugd wilde opvallen?

“Ik wilde zeker in the spotlights staan, maar of dat daarmee te maken heeft…  Het acteurschap vloeide meer voort uit mijn voorliefde voor zingen.  Als jongen zat ik op het kerkkoor en bij Johnny Hoes, die in Weert zijn studio had, zong ik voor het schlagerfestival de kinderstemmetjes in.  In het Duits, jawel.  We zongen met drie kinderen, maar onze stemmetjes werden gedubt zodat het leek of er een compleet kinderkoor optrad. Ken je Wij zijn twee vrienden van Dennie Christiaan met de Marsipulami?  Dat ‘hoebahoebahoebahophophop’  ben ik.”

Je hebt aardig wat toneel- en tv-rollen gespeeld, maar bent geen acteur gebleven. Was je niet goed genoeg?

“Ik maak mezelf heel graag wijs dat als ik me ertoe had gezet,  ik een groot acteur had kunnen worden, maar ik vond schrijven interessanter.  Ik kon me met mijn pen ook beter onderscheiden, vermoedde ik. Bovendien was het heel vervelend om altijd maar te moeten wachten op telefoontjes. Je had in die tijd één groot castingbureau, Kemna Casting. Speciaal voor hen schafte je een antwoordapparaat aan.  Mijn debuut  – ik zat nog op de toneelschool –  was overigens niet onverdienstelijk. Het was een mimevoorstelling van Nieuw West en tijdens het repeteren viel voor mij langzamerhand alles op zijn plek.  De repetitieperiode was aanvankelijk rampzalig.  Schrijver Rob de Graaf had zijn stuk niet op tijd af voor de eerste try out en mij werd steeds verweten dat ik `niets van mezelf liet zien’.  Bij de  try out dacht ik: dikke schijt, ik doe gewoon alsóf ik mime kan spelen en alsóf ik kan dansen.  En het lukte. Voor mij stond vanaf dat moment vast: Als je acteert hoef je niet per se het hele drama te herleven.”

Terwijl ik  nou juist altijd dacht dat je je diepste zelf moest laten zien.

“Ik ken die verhalen. Op de toneelschool  maakten we kennis met  method acting van de Russische regisseur Stanislavski, waarbij je als acteur moet putten uit zelf ervaren belevenissen en stemmingen.  Ik ben niet van die school. Acteren begint met gêne overwinnen en jezelf aanpraten dat je het kan.  Ach, over de kunst van acteren is eigenlijk geen zinnig woord te zeggen.  De één doet maar wat en het ziet er altijd beeldig uit en de ander moet honderd toeren uithalen en het is nog niets. Mijn leraar op de toneelschool Ton Lutz zei altijd:  Acteren is denken.  Je moet je rol denken. ”

Je had graag klassiek toneel gedaan, met name Tsjechov.

“Klopt. Ik baal ontzettend dat het er nooit van is gekomen, want ik heb een heel  goede tekstbehandeling.”

Je hebt een voorliefde voor de rol van Trepljov, de jonge toneelschrijver uit De Meeuw van Tsjechov. Trepljov worstelt in dat stuk met zijn schrijverschap. Herkenbaar?

“Nee. Het schrijven gaat me vrij makkelijk af. Natuurlijk moet je, nadat je een eerste versie op papier hebt gezet, voortdurend schaven en bijpunten, maar dat vind ik alleen maar leuk. “

Mis je de spotlights van het acteren?

“Geheel niet. Ik hoef niet herkend te worden op straat. Liever niet zelfs. Wat ik veel belangrijker vind is dat ik waardering krijg als vakman. Dat men na het zien van een tv-serie of toneelstuk zegt: Dat was een echte Houtappels. Zoals een echte Maria Goos wordt herkend.”

Is er ooit een moment dat je tevreden bent over een script?

“Niet als je het inlevert, dan ben je altijd onzeker.  Maar als het eenmaal  wordt gerepeteerd en je ziet dat de regisseur je tekst intact laat en erop vertrouwt, zoals Kees Prins bij mijn laatste toneelstuk Hotel Atlantico heeft gedaan, dan ben je tevreden. Maar er komt steeds weer een moment dat je denkt:  Kut, ik had het anders moeten doen.  Ik zorg er altijd voor dat ik tijdens de eerste twee weken van de repetitie op vakantie ben.  Dan kunnen ze rustig zeggen: wat een rotstuk, wat moeten we hier mee? Ja, zo gaat dat, ik ben zelf acteur geweest.  Bij de eerste lezing vinden acteurs het stuk prachtig, maar dan moeten ze het gaan veroveren en blijkt het toch taaier dan ze hadden gedacht. Als ze na een paar weken vragen om veranderingen, hebben ze meestal gelijk.  Van schrappen wordt een stuk bijna altijd beter.“

Frank Houtappels
Frank Houtappels

Hotel Atlantico geeft een nogal triest beeld van het homoleven: vier eenzame, narcistische homo’s van middelbare leeftijd die maar zitten te piekeren over zichzelf.

“Misschien zit er wel een heel treurige kant aan het homoleven, hoewel, wat mij betreft,  niet treuriger dan aan het hetero-leven.  Een verschil is wel dat ouder wordende homo’s heel erg moeten oppassen voor blikvernauwing.  Ze hebben over het algemeen geen kinderen en kunnen daardoor hun leven helemaal inrichten naar hun eigen wensen. Ik heb ervoor gekozen om die egocentrische kant uit te vergroten. Het stuk is gebaseerd op een vriendenclubje van mij. Pas zijn we gaan skieën en  vroegen ze: Heb je het niet wat overdreven? Nou, ammehoela.  Ik denk dat achter Hotel Atlantico de existentiële angst van veel homo’s  schuilgaat: eenzaam oud worden.  Hoewel ik al jaren dezelfde vriend heb, is dat ook míjn angst.”

En je  grootste angst als schrijver?

“Dat je een première hebt en er niets gebeurt in de zaal, dat wat in de repetitieruimte er zo mooi uitzag  op het moment suprème totaal niet overkomt. Bij de première van Uit liefde had ik het idee: het klettert compleet uit mijn handen. Achteraf bleek dat reuze mee te vallen. Iedereen was enthousiast. Maar toch heb je altijd weer die angst. Bij de première van Hotel Atlantico was ik aan de diarree van de zenuwen. Ik ben op een plek gaan zitten waar ik direct de zaal kon verlaten. Waar ik ook niet goed tegenkan is slechte kritieken. Een mevrouw van de Volkskrant had in een recensie, die zo te zien in een kwartier was geschreven, opgemerkt dat Hotel Atlantico het niveau van een gemiddelde comedy niet overstijgt. Zoiets maakt me onzeker.  Je krijgt acht goede kritieken en één mindere. Die laatste blijft hangen. Het is bijna masochistisch.”

Wat is het grote verschil tussen schrijven voor toneel en  tv?

“Als ik een script schrijf voor tv ben ik me altijd veel meer bewust van het publiek dan voor toneel. Kijk, toneelpubliek heeft een kaartje gekocht en blijft wel zitten, een televisiekijker kan elk moment wegzappen.  In élke tv-scène moet daarom iets gebeuren:  spanning, een grap, ruzie. Bij toneel kun je scènes veel meer uitspinnen.  Het grappige is:  Bij toneel gaat het om gecomprimeerde tijd, maar je hoeft nooit een tijdsaanduiding te geven.  Niemand die zich bij het zien van Hotel Atlantico afvraagt hoe lang die mannen op dat vakantie-adres in Portugal hebben doorgebracht, maar in `t Vrije schaep moet ik wel uitleggen dat Doortje de vorige zomer in Spanje heeft  gezeten, anders raakt de kijker de draad van het verhaal kwijt.  Bij tv, waar je door het aantal afleveringen `eeuwig’  de tijd hebt, moet je voor de kijker dus steeds duidelijk maken `hoe laat’ het is. ”

Wanneer is een dialoog goed?

“Als het erop lijkt dat de acteur hem ter plekke verzint.  Een groter compliment, zoals ik pas ontving van een echtpaar van ver in de tachtig dat naar Hotel Atlantico was geweest, kan men mij niet maken.”

De eerste reeks van ’t Schaep met de vijf pooten was gebaseerd op de oorspronkelijke serie eind jaren zestig van Eli Asser.  In hoeverre heb je door jouw bewerking je eigen stempel erop kunnen drukken?

“Ik heb dat eerste Schaep heel erg naar me toe getrokken. Je moet je voorstellen dat de serie destijds maar eens per maand werd uitgezonden. Er zaten daardoor veel minder doorlopende verhaallijnen in dan in de serie die ik ervan heb gemaakt.  Zo kwam Opoe Withof maar in één aflevering voor.  Bij mij in alle. Dat heb ik vooral gedaan omdat Carry Tefsen die rol ging spelen.  Ook de sluimerende liefde tussen Doortje en Kootje, die maar geen liefde wil worden,  is in elke aflevering aanwezig. ”

En Lukas Blijdschap, gespeeld door Marc-Marie Huijbregts, is,  zeker in de tweede reeks, veel explicieter homoseksueel dan Leen Jongewaard in de oorspronkelijke reeks ooit is geweest.  Frederik Fluweel wordt Blijdschap genoemd.

“Ja, of meid met een handvat, zoals Kootje hem betitelt. Het Bargoens is voor mij een rijke bron geweest bij het schrijven.  Avonden lang heb ik me ermee vermaakt. Wat dacht je van stangenpoetser, Bargoens voor hoer? Voor mij is ’t Vrije schaep echt een ode aan taal. Ik heb met woordenboeken in de hand de serie geschreven.”

Er is natuurlijk ook een groot verschil in liedjes?

“Zeker. In de eerste reeks zaten we vast aan de liedjes die Eli Asser en Harry Bannink hadden uitgekozen.  Daar zaten prachtige nummers bij, maar ook liedjes die we geen van allen om te pruimen vonden zoals Waar vind je tegenwoordig nog een goede timmerman?  Nu konden we zelf de liedjes uitzoeken. Een mer à boire. De jaren zeventig waren rijk aan mooie nummers.”

De eerste reeks van ’t Schaep trok gemiddeld 1,4 miljoen kijkers, de tweede zelfs vaak meer dan twee miljoen. Wat doen zulke getallen met jou?

“Niet zo heel veel.  Wat ik wel leuk vind is dat als ik op maandagochtend naar de Noordermarkt ga het kan gebeuren dat ik twee vrouwen achter mij letterlijk hele gedeelten uit de laatste aflevering hoor navertellen, in de trant van: Toen zei Kootje zus en daarop reageerde Doortje zo.  Of een martkoopman roept mij toe: ‘Als je iets over de Jordaan wilt weten, moet je mij bellen , hoor. Ik ben een echte Jordanees.’ Wat echt Jordanees is?  Elkaar keihard de waarheid vertellen, maar  je ook gedragen als een warm mens.  Beide zie je terug in ’t Schaep.”

Waar doe jij je inspiratie op?

“Het kan uit de eigen vriendenkring komen,  zoals bij Hotel Atlantico, maar ik laat me ook inspireren door wat ik hoor op straat, of door een boek of film.  Zo heb ik voor mijn nieuwe toneelstuk Hulp voor alle dagen, dat ik voor Kitty Courbois wil schrijven, inspiratie opgedaan bij Michiel van Erp, een goede vriend van mij. Zijn nieuwste film, die nog niet uit is, heet Angst en gaat over mensen met een angststoornis.  Kitty Courbois wordt, als ze in mijn stuk wil spelen, nu een vrouw die binnen zit met een angststoornis. Bij Gooische vrouwen is Linda de Mol een geweldige inspiratiebron. Zij vertelt wat zij of mensen in haar omgeving hebben meegemaakt. Daar hoef je soms niets meer bij te verzinnen. ”

Toch een eenzaam beroep: je schrijft alleen en als het script eenmaal af is, gaat het buiten jou om een geheel eigen leven leiden.

“Klopt. De leden van de cast bouwen tijdens de opnames een enorme band met elkaar op en jij bent er niet bij. Dat vind ik wel jammer van mijn vak.  Soms heb je het gevoel dat ze jouw verjaardag vieren en jij achter een dikke ruit staat. Aan de andere kant: ik werk graag in mijn eentje, zonder een baas boven me. Toen ik twee jaar geleden een uitstapje maakte naar het toneel, bij Mugmetdegoudentand, en ik de regisseur hoorde zeggen doe dat ‘es zus en dat ‘es zo, dacht ik: Nee, dat ben ik toch geheel ontwend. En dan dat eeuwige wachten als acteur…”

Wat is het overkoepelende thema in jouw werk?

“Ik denk eenzaamheid of, beter gezegd, de angst voor eenzaamheid, zoals ik die zelf ook voel. Ik ben dol op mijn vriend, maar als hij onder de tram komt, ga ik wel door met leven.”

Zoals Loes Luca na de plotselinge dood van haar geliefde gewoon moest doorgaan als Doortje Lefèvre in ’t Vrije schaep?

“Op dat moment moest de laatste aflevering nog gedeeltelijk worden opgenomen. Loes heeft stralend-blij ’t Is weer voorbij die mooie zomer meegezongen. Hoe moeilijk moet dat voor haar zijn geweest, zo kort na de begrafenis. Op zo’n moment is het een gruwelijk vak:  the show must go on. “

Is er verschil of je voor de VPRO schrijft (Hertenkamp) of voor RTL 4 (Gooische vrouwen)?

“Nee, eigenlijk niet. Hooguit had je bij de publieke omroep meer geld tot je beschikking, maar dat is nu ook niet meer het geval. Vroeger groeiden bij de VPRO de bomen tot in de hemel. Met Hertenkamp zaten we voortdurend in België, waar we voor de hele ploeg een hotel afhuurden . Dat is nu geheel ondenkbaar.  Bij het eerste Schaep merkte ik dat ik een extra set nodig had voor Riek en Arie. Er was geen geld meer, dus verzon ik een heel goedkope oplossing: een slaapkamerachterwand met een bedhoofd. Dat zijn mijn dierbaarste scènes geworden. ”

Wat is er mislukt in je carrière?

Bergen binnen, de opvolger van Oppassen.  Sigrid Koetse en Ingeborg Elzevier speelden bejaarden die in huis woonden bij een jonger stel.  Het wilde maar niet leuk worden. Het script was wel aardig, maar op de één of andere manier zat overal het Oppassen-sausje overheen.”

En nu?

“Ik hoop dat we door mogen met ‘t Schaep. Ik heb er zo’n zin in. De netmanager hoeft alleen maar groen licht te geven.”

Naschrift 27 maart 2015: Over dat laatste hoeft Frank Houtappels zich geen zorgen te maken. ‘Schaep ahoy’is  inmiddels zijn vijfde ‘Schaep’-serie voor de KRO. 

Michiel van Erp ziet het bijzondere in het gewone

 

Ter ere van Michiel van Erp, elke donderdag op de VPRO-tv met ‘Hollands welvaren’ (en afgelopen maandag bij de Ikon met ‘De dingen die voorbij gaan’), hierbij een interview dat ik in november 2004 met de filmer en programmamaker hield. Gepubliceerd in Broadcast Magazine.

Morgen in 'Hollands welvaren'(VPRO): Olympisch medaillewinnaar springruiter Albert Voorn.
Morgen in ‘Hollands welvaren'(VPRO): Olympisch medaillewinnaar springruiter Albert Voorn.

   

Met de oprichting van productiebedrijf De Familie is programmamaker Michiel van Erp (41) een nieuw leven begonnen. Maar onveranderd blijft zijn liefde voor het alledaagse. “Liever een spruitjes schillende moeder dan een arrivé.”

Waarom drinken we koffie uit Alexander en Máxima-kopjes?

“Puur toeval. Ik weet niet waar dit servies vandaan komt. Het is geen statement.”

Toch moet je iets hebben met royalty. Je maakte Op handen gedragen over de begrafenis van prins Claus, filmde aan de vooravond van koninginnedag in Katwijk en bent nu bezig met een portret van prins Bernhard.

“Ik vind het heel erg leuk om kennis te maken met werelden waarvan ik vroeger altijd dacht dat ik er nooit in zou kunnen komen. Om me binnen alle regels en afspraken die daar gelden staande te kunnen houden. Of het nu gaat om het schlagerfestival of het koninklijk huis, maakt me in principe weinig uit.”

Heb je een hang naar het sprookje?

“Nee, want ik probeer juist door het sprookje heen te prikken. Ik maak het leven niet heiliger dan het is. In Op handen gedragen liet ik zien dat de begrafenis van prins Claus voor veel mensen uiteindelijk aanleiding was om te reflecteren op doden in de eigen familie. En de broodjeszaak, die tijdens de begrafenis dichtgaat, verkoopt de volgende dag weer gewoon kroketten. Zo zit het leven ook in elkaar.”

Een pure registratie van de werkelijkheid?

“Nee, meer een zorgvuldig uitgekozen versie van de werkelijkheid. Ik laat de werkelijkheid zien zoals ik hem ervaar.”

Jouw werk valt op door het ontbreken van cynisme.

“Dat vind ik leuk om te horen, want sommigen vinden mij juist wel cynisch. Wat ik probeer is een onbevangen, optimistische visie op het leven te tonen. Zelfs in Afrika waar ik pas heb gefilmd voor een inzamelingsactie tegen aids probeer ik die optimistische blik te behouden.”

Jouw programma’s stralen een soort knusheid uit: huiskamer, potkachel, vriendelijkheid.

“Dat heeft met mijn afkomst te maken.Ik kom uit een Brabants middenstandsgezin met vier kinderen. Mijn vader had een muziekwinkeltje, heel klein. Die winkel was onderdeel van onze huiskamer. Het woongedeelte was afgescheiden met een kartonnen wand. Boven hadden we een muziekschool, waar mijn ouders les gaven in accordeon, gitaar, mandoline en blokfluit. De leerlingen liepen de hele dag door ons huis. Een gezellige, vrolijke drukte.”

Houd je van tuttigheid?

“Ja. Ik houd er niet zo van om mensen te filmen die arrivé zijn.” Liever mensen in een rijtjeshuis met een kabouter in de tuin? “Ja, maar dan zonder close up van de kabouter.”

Wat wilde je worden als jongen?

“Ik wist pas op mijn 24ste wat ik wilde gaan doen. Ik heb eerst industriële vormgeving gestudeerd in Delft, vooral omdat een vriend van mij dat deed. Vervolgens heb ik een paar jaar als acteur gewerkt en daarna ben ik gaan filmen.”

Hoe is je acteurscarrière verlopen?

“Ik ben begonnen bij het studententoneel en dat ging goed. Na mijn afstuderen op de TH ben ik auditie gaan doen bij een jeugdtheatergroep in Den Haag en aangenomen.”

Als spermacel, als ik goed geïnformeerd ben?

‘Nee, eerst heb ik gespeeld in De Wijze Kater van Herman Heijermans en daarna kreeg ik een rol als spermacel.”

Was dat een promotie of een degradatie?

Lachend: “Ik vond het een achteruitgang en daarom ben ik bij die groep weggegaan. Daarna heb ik nog bij een Fries gezelschap gezeten. Uiteindelijk ben ik er maar mee opgehouden, want ik geloof niet dat ik een groot acteur was. Ik kon mezelf niet helemaal geven, bleef meer mezelf observeren dan dat ik mij in mijn rol stortte. Ik geloof dat ik geschikter ben als regisseur: mijn eigen verhaal vertellen in plaats van dat van een ander.”

Wat trok je aan in het acteren?

“De magie van het theater.”

Of de aandacht?

“Die krijg je alleen als je heel goed bent.”

Was de televisie een middel om in het aandachtsveld te staan?

“Nee. Het gaat niet om mezelf, maar om de dingen die ik maak.”

Wat wil je vertellen met je programma’s?

“Ik geloof dat ik wil laten zien hoe mensen proberen gelukkig te worden. Het zijn nooit super-gelukkige mensen die ik portretteer, maar wel mensen die eraan werken om het te worden. Het leven als een heuvel die je moet beklimmen. Volgens mij zit dat in bijna alles wat ik doe. Ik heb bewondering voor mensen die ver gaan in die klimtocht.”

Hoe kwam je bij de VARA terecht?

“Ik zat bij de VPRO en stelde hoofdredacteur Roelof Kiers voor een serie te maken over Lang leve de vereniging. Maar Kiers was op dat moment niet geïnteresseerd in gewone mensen, zoals hij het uitdrukte. De VARA wel.”

Heb jij de gewone man ontdekt voor de tv?

“Ik heb hem herontdekt, als je het zo zou willen formuleren. In de jaren zeventig zag je ook gewone mensen op de tv, maar op een gegeven moment zijn ze verdwenen. Ik zou niet weten wat daarvan de oorzaak is.”

Wat is het leuke aan gewone mensen?

“Ze zijn nog niet gekneed door mediatrainingen en dergelijke, zoals veel mensen aan de top. Ik wil de top ook wel volgen, maar dan bij voorkeur via secretaresses. Helaas is de authenticiteit van de gewone man vaak ook al verdwenen, omdat heel Nederland inmiddels op de tv is geweest. Ik probeer die authenticiteit terug te krijgen door mensen te filmen tijdens hun dagelijkse bezigheden. In mijn programma’s zijn mensen altijd wat aan het doen. In Op handen gedragen reageren ze op de beelden van de begrafenis van prins Claus. Ondertussen stel ik vragen. Stel, we zijn nu aan het filmen. Mijn collega komt hier dadelijk de koffiekopjes weghalen. Tijdens het weglopen zou ik haar kunnen verrassen met een moeilijke vraag. De verwarring die zich door die vraag op jouw gezicht aftekent, zou het shot kunnen zijn dat ik op de televisie vertoon. Beelden zeggen vaak meer dan woorden. Ik probeer altijd niet te voldoen aan de verwachtingen van mensen die worden gefilmd. En de tijd nemen, het allemaal niet zo officieel maken.”

Jij haalt het bijzondere uit het gewone?

“Ja. Ik praat liever over een gestorven kind als de moeder spruitjes aan het schoonmaken is dan dat we aan tafel zitten met een foto van dat kind voor onze neus.”

Waarom werkt het beter met spruitjes?

“Wat er ook gebeurt, die vrouw zal toch elke dag moeten eten en koken. Bovendien heb ik het idee dat mensen zich vrijer voelen als ze tijdens het filmen iets doen. Om een voorbeeld te noemen. Bij het programma over koninginnedag in Katwijk ben ik bij een echtpaar thuis geweest tijdens het eten. Ik zei: u moet gewoon praten waarover u wilt. Af en toe zal ik een vraag stellen, maar misschien ook niet. Die mensen gingen bidden voor het eten. We hebben het gefilmd als iets terloops. Niet pontificaal er bovenop, maar met afstand. Dat levert mooiere televisie op dan wanneer je zegt: gaat u nu maar bidden, dan gaan wij filmen.”

Michiel van Erp
Michiel van Erp

 

In de Lang leve-serie was je observator, in het vervolg – Op avontuur – koos je bewust voor een participerende rol. Waarom?

“Je moet jezelf blijven vernieuwen. Bovendien wilde ik mensen de kans geven om een discussie met mij aan te gaan. Toch blijf ik ook in Op avontuur tevens een observator c.q. regisseur. Ik wil dingen altijd naar mijn hand zetten. Dat zit nou eenmaal in me.”

Je toog met Gretta Duisenberg naar de Palestijnse gebieden. Een moeilijke tante?

“We zaten in hetzelfde hotel en konden ’s avonds niet naar buiten omdat we in een heel rare buurt in Jeruzalem verbleven. We verkeerden dus zo’n beetje dag en nacht in elkaars nabijheid. Dat geeft sowieso irritaties. Op een gegeven moment stelde ik haar voor Israëliërs te gaan filmen in de bezette gebieden. Wat zou je daar willen filmen?, vroeg ze. Ik zei: ik wil de twijfels van die mensen in beeld brengen, bijvoorbeeld van moeders die ’s ochtends hun kinderen door soldaten naar school laten brengen, omdat die kinderen anders gekielhaald worden door de Palestijnen. Gretta vond het een belachelijk idee. Je gaat daar niet wonen als je twijfelt, riep ze. Ik denk dat dat niet waar is. Iedereen twijfelt. Ik ben eerder nieuwsgierig naar iemands twijfel dan naar iemands schurkachtigheid. Maar goed, dit idee paste niet in de boodschap die Gretta wilde overbrengen. We hebben er flinke ruzie over gehad. Zelfs in beeld. Zij wil iedere Palestijn als slachtoffer laten zien en iedere Israëliër als dader. Dat gaat mij te ver.”

Heb jij nog contact met haar?

“Nu al een tijdje niet. Ik heb nog gedacht om haar te bellen toen Yasser Arafat was overleden. Ik vind haar een heel leuke, spannende vrouw, alleen ze mist nuance.”

Ben jij voldoende overeind gebleven naast deze krachtige dame?

“Nee, maar dat is toch geen must?! Ik hoef niet als winnaar uit een programma te komen. Mensen mogen best mijn twijfels en onzekerheden zien.”

Ben jij een twijfelaar?

“Een aartstwijfelaar. Ik lig wakker van mijn werk. Of een montage wel klopt, of de kijker zal snappen wat ik bedoel of iedereen tevreden zal zijn over het resultaat. Ik vaar eigenlijk nooit op routine. Ik ben net terug uit Afrika voor dat VARA-programma over die inzamelingsactie tegen aids, maar als ik het resultaat zie, denk ik: is dit wel fondswervend genoeg?”

Die twijfel is misschien wel een motor om goede dingen te maken?

“Denk je? Dat betwijfel ik. Ik ben sinds twee jaar ook actief als theaterregisseur. Daar heb je iedere seconde onder controle omdat alles afgesproken werk is. Dat is ook wel eens lekker, die zekerheid.”

Je liet je twijfels goed zien in die uitzending van Op avontuur waarin je een bezoek bracht aan Amerikaanse christenen die homo’s willen `genezen’. Op een gegeven moment dacht ik: die Van Erp wordt én christen én hetero.

“Waar het mij om ging, is te laten zien dat het niet alleen maar een geluk is om homo te zijn. Die indruk zou je kunnen krijgen als je het homowereldje op de televisie ziet. Het is in Nederland taboe om je homoseksualiteit in twijfel te trekken of te zeggen dat je eigenlijk liever hetero zou zijn.”

Wilde je werkelijk hetero worden?

“Vroeger kwam die gedachte vaak bij mij op, nu minder. Ik heb per slot van rekening sinds 22 jaar een vaste vriend. Ik ging naar Amerika om een programma te maken waarin ik mij volledig open, eerlijk en kwetsbaar zou kunnen opstellen. Natuurlijk zitten aan mijn homo-zijn ook genoeg zekere kanten, maar daar ging het nu even niet om.”

Je leek diep onder de indruk. Je sprak zelfs een soort gebed uit en vroeg je af: wat heb ik allemaal gemist door mijn homo-zijn?

“Ik ben iemand die makkelijk is te beïnvloeden. Die Amerikaanse christenen vertelden dat als je als zoon te weinig vaderliefde hebt gehad, je die later gaat zoeken bij een man. In de uitzending heb ik mijn vriend gebeld om te vertellen dat ik weinig ben geknuffeld door mijn vader. Hij had er gewoon geen tijd voor. In het homo-zijn zit ook pijn. Ik word tot op de dag van vandaag benaderd door homo’s, die zich in de uitzending hebben herkend.”

Je hebt sinds een paar maanden je eigen productiebedrijf De Familie. Waarom ben je weg bij de VARA?

“Om met het eerste te beginnen: ik wilde de mensen met wie ik graag werk vast om me heen verzamelen. Investeren in elkaar en elkaar motiveren. De oprichting van De Familie liep ongeveer synchroon met mijn vertrek bij de VARA dit voorjaar. Volgens de VARA was er op Nederland 3 minder ruimte voor documentaire-achtige programma’s. Ze hadden er al een paar, zoals Zembla, en dat was genoeg. Maar, zoals je weet, in Hilversum verandert voortdurend alles. Ik heb inmiddels weer contact met de VARA en ben bezig met twee programma’s. Het ene houd ik nog even voor me, het andere gaat over Marc-Marie Huijbregts. Een soort Op avontuur vanuit Marc Maries blik op de wereld. Verder maak ik voor de VPRO SOS Noodservices, een dramaserie over een bureau dat problemen oplost. Zo zit er een aflevering tussen over twee homo’s, van wie geen van beiden tijd heeft om zoonlief van school te halen. De vraag is dan: zijn homo’s geschikt om kinderen te adopteren? Het is een soort normen- en waardenprogramma met een vrolijke ondertoon.”

Je hebt je vaker op dramagebied begeven: TV7, een parodie op de commerciële televisie, en De Koekoeksclub, waarin fictie en non-fictie door elkaar liepen. De laatste serie is niet door iedereen begrepen.

“Klopt. Ik dacht dat het leuk zou zijn om de werkelijkheid te beïnvloeden door acteurs er een plaats in te geven. Probleem was dat we dat niet duidelijk genoeg aan de kijker hebben uitgelegd. Jammer, want er zaten een paar heel goede afleveringen bij. Bijvoorbeeld die in dat hotel in Limburg waar tegelijkertijd een optreden van BZN en een bijeenkomst van de Arabisch Europese Liga was. Het hotelpersoneel, gespeeld door acteurs van Mugmetdegoudentand, pendelde tussen die twee bijeenkomsten heen en weer. Omdat niemand wist dat het acteurs waren, ontstond er een bizarre mengeling van werelden. Vooral toen NOVA ook nog eens kwam filmen vanwege die AEL. Zagen wij ’s avonds de acteurs van Mugmetdegoudentand figureren in de NOVA-uitzending. Hilarisch natuurlijk. Die beelden hebben wij weer gemonteerd in De Koekoeksclub. Inderdaad, een soort Droste-effect. Erg leuk voor de makers, maar voor de rest begreep niemand er geloof ik iets van.”

Wat is het mooiste wat je hebt gemaakt?

“Vergeet mij niet, een film over het leven van de Zangeres zonder Naam. De zangeres wilde een heel gewoon leven, nam haar vrienden mee naar de Chinees en dat soort dingen. Maar haar vrienden hebben geroken aan de faam en laten na haar dood doorschemeren dat zij nu beroemd zijn omdat ze de zangeres hebben gekend. Het mooie vond ik dat de film in feite over Brabant ging. De onbevangenheid waarmee Brabanders tegen het leven aankijken. Zo van: mijn moeder is gisteren dood gegaan, maar morgen weer aan het werk. Brabanders hebben een grote onbeholpenheid om over hun gevoelens te praten. Ze geven nauwelijks duiding aan het leven, maar hun lichaamstaal verraadt hun gevoelens. Ik film graag in het zuiden. Je zult mij zelden met de camera in Amsterdam aantreffen. Ik vind daar geen mensen die ik wil filmen.”