Monthly Archives: October 2014

Tv-ster voor één dag

Ter ere van het 25-jarig bestaan van RTL 4 hierbij een inkijkje in mijn eigen commerciële tv-‘roem’, die precies één dag duurde. Ik was een van de vele ontslagenen van TV 10, het commerciële omroep-avontuur van Joop van den Ende. Vijf jaar na het debacle kwamen we bij elkaar in Gooiland, waarover ik  precies twintig jaar geleden (31 oktober 1994) bijgaand verslag publiceerde in de Haagsche Courant. 

Als je wordt uitgenodigd voor een reünie van een bedrijf dat nooit heeft gefunctioneerd, moet er wel iets heel bijzonders aan de hand zijn. En inderdaad, het was dit weekeinde precies vijf jaar geleden dat de eerste uitzending van TV 10 de lucht in had moeten gaan. Om dat te ‘vieren’organiseerden de journalisten die bij het sterrennet een glanzende carrière was beloofd een herfstborrel in het Hilversumse Theatercafé Gooiland.

De meesten hebben hun zaakje inmiddels weer aardig op orde. Herman Wigbold geniet van zijn pensioen, Job Frieszo en Harmen Siezen zijn al weer ‘eeuwen’terug bij de NOS, Jaap Jongbloed beleefde een wedergeboorte bij de TROS en ik werd human interest-redacteur bij de Haagsche Courant. “Human interest, dat is toch zoiets als lingerie?”, vroeg tijdens de borrel een geïnteresseerde Gert-Jan Dröge, ooit voorbestemd als society-reporter bij TV 10 Nieuws.

Zo goed als het de voormalige nieuwsredactie nu vergaat, zo slecht was het met haar gesteld op die noodlottige 28ste september 1989. Toen besliste het Commissariaat voor de Media dat de zender niet kon worden beschouwd als buitenlandse omroep en dus niet op het kabelnet mocht. Commerciële tv was in die tijd nog een grote zonde in ons land, dus kon je alleen uitzenden als je juridisch gezien een buitenlands bedrijf was. Veronique, het huidige RTL 4, was buitenaards genoeg om te worden toegelaten tot de kabel. Dat laatste had niemand verwacht. Iedereen was ervan overtuigd dat het sterrennet van Joop van den Ende door de ‘ballotage’zou komen in plaats van ‘dat ordinaire’Veronique.

Niet in de laatste plaats Van den Ende zelf. Tijdens een welkomstborrel in augustus 1989 in Studio Aalsmeer straalde hij van zelfvertrouwen. “Straks zijn we eindelijk verlost van dat gezeur van de NCRV over te korte rokjes bij het showballet”, sprak hij opgetogen. Immers, alle grote shows, korte rokjes of niet, zouden voortaan met veel glitter en glamour worden uitgezonden door zijn eigen TV 10.

Ster na ster liep in de tweede helft van 1989 over naar Joop: Jos Brink, Ron Brandsteder, Henny Huisman, Koos Postema, Sandra Reemer, Tineke de Nooy, Hans van der Togt, André van Duin, zelfs Rudi Carrell. Iedereen wilde bij TV 10 horen. Als je dan als eenvoudig verslaggever van Sijthoff Pers ook ineens wordt aangenomen bij het sterrennet, wil geen collega je geloven. Totdat je toch echt een afscheidreceptie houdt, waar je trots je contract laat zien: buitenlandredacteur met ‘filmsterrensalaris’. Ja, gul met geld was Joop wel.

Geen sterveling dacht dat het avontuur ooit kon mislukken. Enthousiast ging de nieuwsredactie van start met een eerste vergadering bij hoofdredacteur Herman Wigbold thuis in Utrecht. Wat die avond precies werd besproken, kon geen van de reünisten zich meer herinneren. Op twee dingen na: we zouden het beste journaal van de hele wereld gaan maken, én we keerden met droge kelen huiswaarts. Niet zozeer vanwege het praten, maar vooral omdat ‘rooie’Herman alleen zijn eigen glas voortdurend bijvulde.

Groot was de klap toen Van den Ende eind september 1989 het ontslag aankondigde van dertig tot vijftig van de in totaal 110 personeelsleden van TV 10. Vijftien ontslagen vielen op de nieuwsredactie; Wigbold vertrok vrijwillig. Gedesillusioneerd en teneergeslagen.

Zenuwachtig nestelden de journalisten zich op de trap van Studio Aalsmeer om één voor één te worden binnengeroepen bij personeelschef Rien Bax, die je vertelde of je mocht blijven of niet. Als je goed luisterde, hoorde je op de achtergrond het geapplaudisseer van het publiek bij Ron Brandsteders ‘Honeymoonquiz’.

Ik zat bij de eerste ontslagenen en was bij benadering ongeveer één dag ‘tv-ster’geweest. “Afscheidscadeaus terug!”, riepen meteen mijn oud-collega’s van Sijthoff Pers, maar dat was natuurlijk een grapje. De resterende TV-‘tieners’ werden per 1 maart 1990 de laan uitgestuurd, de dag waarop Van den Ende zijn sterrennet definitief opgaf. Sommige redacteuren kregen een schadevergoeding, andere niet, ondanks een langdurige gerechtelijke procedure van de journalistenvakbond NVJ.

Beter waren de echte sterren af. Zij werden onder champagnegeknal overgenomen door Veronique. Harmen Siezen hoorde daar niet bij. Hij kon in die dramatische tijd, zo herinner ik mij, zijn tranen nauwelijks bedwingen. Lotgenote Vivian Boelen troostte hem: ‘Kom Harmen, we gaan toosten met de sterren van Veronique.’Op de reünie smaakte de champagne stukken beter.

Daten gaat sneller maar gestuntel blijft

Direct tongzoenen, zoals hier Lisa en Mike in 'Love at first kiss'.
Direct tongzoenen, zoals hier Lisa en Mike in ‘Love at first kiss’.

Een meisje belt aan bij een gigantische villa. Een jongen doet open en vraagt: “Kom je voor een date?” Zij: “Ja, ik kom voor een date.” De kijker denkt: wat is híer aan de hand? Wie zijn dit? En hoe zal dit bruuske avontuur aflopen? Het antwoord komt direct. Renske en Ron, want zo heten ze, zijn elkáárs date. Ze wandelen meteen door naar de tuin en vlijen neer bij een knetterende vuurkorf.

Renske: “Weet je, meisjes kunnen heel erg zeuren om kleine dingen. Zoek je iemand die ook heel erg kan zeuren?”Ron: “Ik zoek wel iemand die een eigen mening heeft.” Na dit verhelderende gesprek besluit het tweetal ‘met elkaar door te gaan.’ Volgende afspraak is bij de Halloweenparty.

Daten op tv is niets nieuws, maar de vorm is wel telkens anders. Zo kunnen in de bovenbeschreven SBS 6-show ‘Is this love?’kijkers afspraakjes maken met zes vrijgezellen in een villa. Tamelijk nieuw is ook de enorme omloopsnelheid van de reflectanten. Will werkt er binnen een half uur zes af. Dat gaat zo: “Marije, omschrijf jezelf eens in drie woorden.”Marije: “Enthousiast, intelligent, bijdehand.”Will: “Ik denk dat jíj het bent.”Marije: “Zo, dát is snel.”

Niet nieuw is het eeuwige geruzie dat nu eenmaal standaard is in elke reality-reeks bij de commerciële omroep. Vooral tussen de wat oudere Alexander en Will knettert het hevig. “Er dringt niets door tot die arrogante, egocentrische, botte hersenpan”, scheldt Alexander op zijn onverslaanbare liefdes-concurrent.

Ook BNN is op het amoureuze pad. Hier geen gekijf, wel, net als bij SBS, een ijltempo. De afspraakjes in ‘Love at first kiss’ beginnen zelfs met een verplichte tongzoen. Daarna een speeddate van twee minuten met een zedig kusje op de wang. Deze omgekeerde volgorde is nieuw en ongewoon, met uiteraard als doel om u en mij tot kijken te verleiden. Dat lukt nog niet goed: 186.000 kijkers.

Toch is het best een aardig programma, en dat komt vooral door de uitgekiende, ironische montage. Wessel zegt in de camera: “Ik hoop dat Charelle en ik op een onderwerp komen dat we allebei interessant vinden.”Daarna meteen beelden waarin Wessel vertelt: “Ik heb vroeger cavia’s gehad.” Charelle: “Ik ook. Eerst waren het er twee, maar al snel zat het hele huis vol, want ze hadden jonkies gemaakt.” Gelukkig, de ‘gezamenlijke interesse’ was boven water. Charelle concludeerde na afloop dan ook: “Het gesprek verliep eigenlijk best soepel.”

Je kan zeggen: ach, wat sneu dat die jongeren zichzelf zo te kijk zetten. Maar het zijn jongvolwassenen, die vermoedelijk wel weten wat ze doen. Voor de kijker is het leuk om te volgen of al die speeddates tot iets blijvends leiden. Vera en Sven lijken goed op dreef, al heeft Sven wel zijn baardje (‘m’n kindje’) moeten afscheren.

Menig kijker zal door ‘Love at first kiss’met weemoed terugdenken aan zijn eigen eerste afspraakje. De onhandigheid, de stroeve gesprekken. Wessel: “Ik zit op school vlakbij het Dolfinarium.” Charelle: “Oh, leuk.” Wessel: “Ik studeer iets tussen informatica en bedrijfskunde in.”Charelle: “Oh, leuk.” Wessel: “En jij?”Charelle: “Ik studeer verpleegkunde in Utrecht, vlakbij Ikea.”

Daten en datingshows mogen sneller gaan dan vroeger, het gestuntel blijft. Een hele troost voor de kijker.

Waarom Jinek saai is en Graham Norton niet

Miranda Hart doet een Beyoncé-loopje voor Graham Norton.
Miranda Hart doet een Beyoncé-loopje voor Graham Norton.

We waren al heel wat gewend met tv-sterren die elkaar kietelen, maar Eva Jinek slaat alles. Presentatoren bij wie Jinek eerst zélf te gast was, verschijnen korte tijd later bij haar. In augustus was ze te zien in ‘Linda’s zomerweek’, afgelopen weekend zat De Mol bij Jinek op de bank. Met Humberto Tan wist Jinek het Droste-effect te vervolmaken: in september portretteerde ze hem in ‘Brandpunt profiel’, op 10 oktober vroeg Tan haar voor ‘RTL late night’en een dikke week later zat Tan al weer bij Jinek.

Veel hebben die gesprekjes niet om het lijf. Het is vooral bewieroking van elkaars unieke persoonlijkheid en elkaars fantastische shows. “Hoe komt het toch dat alles wat je aanpakt een succes wordt?”, vroeg de KRO-gastvrouw zondag aan De Mol. “Omdat ik een nogal gemiddelde smaak heb”, antwoordde De Mol bescheiden. Jineks conclusie was dat ‘een einde aan Linda’s triomftocht nog niet in zicht was.’ Ik gun iedereen alle succes van de wereld, maar adoratie leidt tot voortkabbelend gebabbel en niet tot boeiende interviews. Jammer dat Jinek hieraan meedoet. Ze is tot meer in staat.

Kijkcijfers lijken doorslaggevend. Wie populaire sterren als Tan en De Mol weet te ‘strikken’, hoopt daar zelf een graantje van mee te pikken. Maar er speelt ook wat anders: de zwaar overbeviste vijver van interessante celebrities. Daar heeft Graham Norton, sinds kort op zondag bij de Vara, geen last van. Engelse en Amerikaanse sterren van wereldfaam schuiven bij hem aan: Denzel Washington, Hugh Grant, Dustin Hoffman. De Sunday Times meldde dat hij Cher onder zijn voorkeuzetoets heeft.

Ik zou het flauw vinden om te zeggen dat bij de BBC alles beter is. Jörgen Raymann, Paul de Leeuw en Paul Haenens alter ego Margreet Dolman kunnen hetzelfde als Graham Norton. Ze zijn, net als de BBC-host, nichterig grappig, ‘stout’, ad rem en ‘onbeschoft’nieuwsgierig. Alleen, wie vragen ze als gast? Welke BN’er durft het aan om op de buis het loopje van Beyoncé na te doen, zoals comédienne Miranda Hart zondag presteerde bij Norton? En welke Gooise beroemdheid geeft een hilarische imitatie van ‘Star wars’-ster Jar Jar Binks? De Britse acteur Benedict Cumberbatch keerde er pas zijn hand niet voor om.  Daarnaast etaleerde hij ook nog even een spraakgebrek. Cumberbatch krijgt het woord ‘pinguins’ maar niet zonder haperen uit zijn mond. Hij zegt zoiets als ‘pèngwens’. De acteur moest er zelf smakelijk om lachen.

Ook in ‘The Graham Norton Show’ krijgt de gast soms een veer op de hoed, maar dat gaat met zoveel (zelf)spot gepaard dat elke stroperigheid verdwijnt. Zo roemde Norton de Engelse filmster Timothy Spall als Oscar-kandidaat, maar de bejubelde zelf citeerde geamuseerd een recensie waarin hij werd omschreven als een ‘dikke zak snot’. Never a dull moment bij Norton (overigens wel bij zijn Amerikaanse ‘tegenhanger’ Jimmy Fallon van ‘The tonight show’ – hier uitgezonden door BNN – wiens humor nogal flauw is).

Ironie, kom er eens om bij Jineks sterren-interviews. Host en gast willen vooral serieus overkomen, en daardoor zijn die gesprekken vaak zo voorspelbaar en saai. In Engeland is het vrij normaal, zelfs een pre, om een beetje gek te zijn. Hier is het een schande.

Over mij

foto-van-mezelf

Willem Pekelder (Rotterdam, 1959) is journalist, columnist, schrijver en spreker. Hij verricht zijn journalistieke werk sinds 2002 vanuit zijn bedrijf P-Productions met als specialisaties: omroep, religie en levensbeschouwing.  Opdrachtgevers zijn/waren o.a. Trouw, de Volkskrant, NRC Handelsblad, De Groene Amsterdammer en de VPRO Gids.

Van 2010 tot 2016 was hij tv-recensent van Trouw, van 2005 tot 2016 secretaris van de Nipkowjury, en in 2010 en 2014 jurylid van de Sonja Barend Award.

In 2016 boekstaafde hij de negentig-jarige geschiedenis van de VPRO door middel van onder meer interviews met de vier kinderen van V.P.R.O.-oprichter ds. Everhard Spelberg (als bijlage bij de gids verschenen in mei 2016).

In 2005 en 2008 was hij redacteur van twee wetenschappelijke boeken over de media van prof. dr. Irene Costera Meijer, hoogleraar journalistiek aan de VU. In 2012 kwam zijn boek ‘De menselijke maat’ uit (beste verhalen) en in 2016 ‘Uitgekeken (honderd beste tv-recensies uit Trouw).

Vóór hij in 2002 ZZP’er werd werkte Willem Pekelder bij het Algemeen Dagblad (1995-2001) als chef-redacteur en mediaredacteur, en bij de Haagsche Courant/ Sijthoff Pers (1980-1995) op de streek-, stad-, binnenland- en kunstredactie. Hij doorliep het atheneum in Kralingen en daarna de School voor de Journalistiek in Utrecht. In te huren voor journalistieke producties en jureringen. Lezingen via de Speakers Academy  https://www.speakersacademy.com/nl/spreker/willem-pekelder/.

Het elegante pad van de gentleman-verslaggever

Michael Schaap dwaalt door het bisschoppelijk paleis in Haarlem.
Michael Schaap dwaalt door het bisschoppelijk paleis in Haarlem.

Er zijn twee mooi geklede reizigers op tv met in hun bagage de kostbaarste journalistieke eigenschap: verwondering. Het zijn heel verschillende programmamakers, maar hun insteek is precies dezelfde: nieuwsgierigheid, ontvankelijkheid en blijde verbazing.

‘Schaap zoekt paap’, kopte de VPRO Gids jolig boven een stukje over de speurtocht van Michael Schaap  naar de ‘ware katholiek’, maar in de uitzending zelf was van vooringenomenheid niets  te merken.  Schaap zocht onder en boven de rivieren naar hoe katholieken hun geloof beleven, en hij deed dat, zoals in al zijn ‘Hokjesman’-uitzendingen, als een observator.

Zijn driedelig pak met strik zorgt fysiek voor de juiste afstand, zijn open vraagstelling voor compensatie in nabijheid. “Wat maakt een katholiek tot een goede katholiek?”, wil hij weten van een vrijzinnig-gelovige in het bisdom Haarlem. En van een pastoor in Banholt: “Is Limburg nog een rooms-katholieke provincie?”

Prachtig zijn de beelden waarin de VPRO-presentator stilletjes opduikt achter twee jonge katholieken die over Maria filosoferen. De veldwerker in optima forma. Of zijn verkenning van het bisschoppelijk paleis in Haarlem. Hij tikt op de kluis- die klinkt niet vol – opent een keukenkast en toont ons een bisschoppelijk koffiekopje. In de koelkast treft hij wijn en cola, in de strijkkamer de onderbroeken van de monseigneur.

Zijn ontmoeting met bisschop Punt is meer een antropologische studie dan een interview. Nets over het eeuwige rijtje abortus, euthanasie en homo’s. Nee, Schaap trekt de sigarendoos op tafel open, en kijkt de prelaat vragend aan. “Ik rook er een paar per dag”, bekent hij. Schaap informeert: “Wat doet u op uw vrije avond?”Punt: “Dan kijk ik wel eens tv, maar ik ben een zapper.”

We zien hoe de bisschop zich kleedt voor de mis en horen Schaap als in een Sinterklaasrijm: “De staf? Waar is de staf? Daar is de staf!” Ook in voice overs is ‘De Hokjesman’ een toonbeeld van smaak. Dat geldt in mindere mate voor het buitenbeeld-commentaar in ‘t Is hier fantasties’, het oude succesnummer van jhr. Ursul de Geer (RTL 4), nu gepresenteerd door Beau va n Erven Dorens (SBS 6). Woordspelingen als ‘een gat in de ouzo-laag drinken’ of ‘met je neus in de van drank doordrenkte boter vallen’, zijn net iets te gekunsteld.

Maar voor de rest heeft Van Erven Dorens eindelijk een programma dat helemaal bij hem past. Én, tamelijk nieuw bij de commerciële omroep, hij probeert zuipende jongeren op Kreta of aan de Costa’s niet aan te zetten tot nóg meer drankgebruik. Nee, vaderlijk neemt hij een stomdronken jongen die een nachtelijke zwempartij wil ondernemen, onder zijn hoede.

Of Van Erven Dorens nu optrekt met feestende jongeren in Chersonisos, christelijke wandelaarsters in Tirol, nudisten in Kroatië of luxe jachtbezitters in Saint-Tropez, telkens is hij het prototype van de respectvolle, vriendelijke en oprecht belangstellende gentleman-verslaggever. En je leert ook nog iets over de vakantie-voorkeuren van een heel geschakeerde groep Nederlanders.  Wat sociologisch interessant is. Ik had niet gedacht dat ik het ooit zou durven schrijven, maar ik vind ’t Is hier fantasties’eigenlijk best eh, nou ja…fantastisch!

Niet van Mars

In de Süddeutsche Zeitung lees ik dat de paus er zijn hand niet voor zou omdraaien om Marsmannetjes te dopen. Tijdens de ochtendmis in Casa Santa Marta verkondigde Franciscus I dat de ‘groene mannetjes met hun lange neuzen en grote oren’zelfs récht hebben op de heilige doop, ‘mits ze het zelf wensen.’

Ik moest meteen aan Wim Eijk denken, onze kardinaal from outer space. Het aartsbisschoppelijk paleis is sinds zijn aantreden een  buitenaardse planeet, met daaromheen gelovigen en media als wanhopig rondcirkelende satellieten. Waar de paus de hele wereld en nu zelfs het universum tot zijn werkgebied rekent, vindt Eijk die paar vierkante meters in Utrecht al hemels genoeg.

Leo Fijen van de KRO mocht hem bij zijn installatie in 2007 precies één vraag stellen: of hij van zins was veranderingen door te voeren in zijn staf. Eijk wees op de bisschopsstaf in zijn knuist en mompelde dat die er nog goed mee door kon. En hij maakte zich snel uit de voeten. Het was zo’n beetje Eijks laatste tv-optreden.

Laten we eerlijk zijn: nog best een aardige grap voor een bisschop. Maar leuker is het repertoire van Simonis. “Er was eens een man met een erg slecht huwelijk”, schijnt Eijks voorganger op feesten en partijen voor te dragen. “De vrouw van die man werd betrapt op de diefstal van een blik perzikken. De rechter vonniste dat ze zes dagen de cel in moest, voor elke perzik één dag. Waarop haar man: Maar ze heeft ook een blik doperwten gejat!”

Het is Simonis’ favoriete grap, bezwoer diens hulpbisschop De Korte me ooit in een interview voor De Groene Amsterdammer. “Ja, en dan dist Simonis zo’n mop met smaak op, hè”, vertelde De Korte. “Van hoe slecht dat huwelijk wel niet was, en hoe die rechter tot zijn vonnis kwam .” Het was in de tijd dat aan de Utrechtse Maliebaan nog geen onbereikbare ster zetelde maar een bisschop van binnen de dampkring.

Je kon als leek Simonis gewoon tegenkomen in de gangen van het paleis. Zoals mij overkwam, na mijn interview met De Korte. “Kom, we gaan even wat drinken”, stelde de kardinaal voor toen De Korte en ik hem bij de lift aantroffen. “Die receptie kan nog wel even wachten”, zei hij, gebarend naar de fles cadeauwijn in zijn hand. Simonis ging ons voor naar zijn privé-vertrekken, liet koffie en koek aanrukken, en als ik me goed herinner ook een glas wijn.

Toen ik vertelde dat ik bezig was met een portret over hem voor de Groene Amsterdammer, sloeg dat bij de kardinaal niet in als een meteoriet. Wat zijn bescheidenheid sierde, vond ik. Hij was al die publiciteit wel gewend. “Het liefst zit ik bij de EO”, fluisterde hij. “Je hebt dan echt het idee dat je met mede-christenen zit te praten.” “En de KRO?”, maakte ik meteen van de gelegenheid gebruik. “Tsja, de KRO….”, verzuchtte de oude kerkvorst. “Wilt u nog iets drinken?”

Een beminnelijke en gemoedelijke man, herinner ik mij van die middag. Zeker, conservatief en recht in de leer, maar beslist niet van Mars.

‘De ander is een ding geworden’

Wie is de reiziger in de blik van de ander? Filosoof Ruud Welten komt tot de ongemakkelijke ontdekking dat de reiziger helemaal niet meer bestaat. En de blik van de ander al evenmin.

Ruud Weltens essay ‘Onder vreemden. De ander in de reisliteratuur’ begint met een schilderij van Gauguin: ‘Ruiters op het strand’.  De auteur is gefascineerd door dit kunstwerk, dat Gauguin in 1902 in Frans-Polynesië schiep. Het schilderij raakt hem door de blik van een van de ruiters. “Hij kijkt me onderzoekend aan, en maakt me duidelijk dat ik niet een van hen ben”, schrijft de filosoof. “Wat is er gebeurd? Gauguin heeft de blikrichting omgekeerd. Ik ben niet slechts toeschouwer, ik wórd bekeken.” In zijn essay borduurt Welten verder op die blik van de ander. Aan de hand van reisliteratuur van De Nerval, Said en Naipaul gaat hij op zoek naar de hermeneutiek van het reizen: wat gebeurt er in de ontmoeting met de ander? ‘Onder vreemden’ is het vervolg van ‘Het ware leven is elders. Een filosofie van het toerisme’(2013), dat op de longlist staat voor de Socrates Wisselbeker.

Hoe heeft de blik van de ander uit het schilderij van Gauguin u beïnvloed als filosoof en schrijver?

“De blik is een belangrijk thema in de Franse filosofie: hoe kijken wij naar de ander en hoe kijkt hij naar ons? In het toerisme is onze blik vooral gericht op de dingen die we verwachten. Ik ben in de moderne reisliteratuur op zoek gegaan naar een manier van rondtrekken die dat verwachtingspatroon doorbreekt. Dat Tahitiaanse schilderij van Gauguin, waarin hij het verschil tussen mij en de ander thematiseert, symboliseert de vraag die aan ‘Onder vreemden’ten grondslag ligt, is: waar in de reisliteratuur vind ik à la Gauguin de reflectie dat de ander de ander blijft?”

ruud welten
Foto Jörgen Caris

En u neemt daarbij de filosofie van Levinas tot uitgangspunt?

“Levinas is bij uitstek de filosoof van de ander. Hij vraagt zich af hoe na twintig eeuwen religie en filosofie de Holocaust heeft kunnen gebeuren. Het probleem volgens Levinas is dat we niet in staat zijn de ander de ander te laten. De ander moet zich aanpassen, worden geëlimineerd of als afzetmarkt dienen. In de door mij onderzochte reisliteratuur vind je, weliswaar op een andere schaal, diezelfde worsteling met het vreemde.”

Wanneer is de moderne reisliteratuur ontstaan?

“Op het moment waarop auteurs onbevangen op zoek gingen naar hun verhouding tot de ander, en hem niet langer wilden vangen in een bevooroordeelde blik. Tijdens het kolonialisme was het duidelijk: de ander is dom en moet bekeerd. Maar vanaf de negentiende eeuw veranderde dat langzaam. Gauguin beweerde als reisschrijver precies het tegenovergestelde, evenals Segalin: wij, kolonialisten, zijn heel erg slecht, de ander is authentiek en dus beter dan wij. Toch, als je zegt dat de ander beter en authentieker is, is dat eigenlijk ook de ander weer vangen in een blik. Naipaul heeft niets met al die vastgeroeste patronen. Wanneer hij in 1964 door India reist , schrijft hij dat de inwoners volslagen achterlijk zijn: ze gaan nota bene bidden voor een lotusbloem. Interessante observaties, omdat als de ander anders is het ook zo kan zijn dat ik hem totaal niet begrijp, of zelfs afwijs. Volgens Said kun je de ander alleen ervaren vanuit je eigen culturele achtergrond. In ‘Onder vreemden’pleit ik ervoor dat je  je bij het anders zijn van de ander neerlegt.”

Grote filosofen zijn notoire thuisblijvers. Kant kwam nooit verder dan dertig kilometer buiten zijn woonplaats, schrijft u, maar hij wekt in zijn boeken wel de indruk zeer bereisd te zijn. Hegel bereisde Nederland en daar hield het mee op.

“Reislust is geen noodzakelijke voorwaarde voor wereldburgerschap. Diogenes leefde in een ton, maar is wel de belangrijkste filosoof van het kosmopolitisme. Wat betekent kosmopolitisme? Dat je, ook al leef je in een regenton, je ervan bewust bent dat je de wereld deelt met anderen. Het is maar zeer de vraag of Hegels filosofie er anders had uitgezien als hij veel had gereisd. Onze veronderstelling is dat je van reizen heel veel leert. De vraag is ten zeerste of dat klopt. Zoals Seneca zegt: als je jezelf wilt leren kennen, moet je juist niet wegtrekken, want je overlaadt jezelf alleen maar met vluchtige indrukken. Reizen kan aan wereldburgerschap bijdragen, maar er ook aan afdoen, namelijk wanneer je een cliché-toerist bent.”

U schrijft dat we in het moderne toerisme alleen nog maar glimpen opvangen van andere culturen. Doordat we God en de hemel kwijt zijn, is er een leegte ontstaan die voortdurend moet worden opgevuld. Opgejaagd proberen we in hoog tempo nieuwe ervaringen op te doen, onder het motto: kijk míj eens ontzettend niet teleurgesteld zijn.

“In de woorden van Seneca: reizen is een vlucht. Toch wil ik toerisme niet alleen maar slecht noemen. Ik ben ‘Het ware leven is elders’ begonnen als anti-toerisme-boek, maar al schrijvende werd het genuanceerder. Rousseau bejubelt het reizen. Het is volgens hem zelfs  veel beter dan lezen, al heeft hij wel een heel boek nodig om die stelling te onderbouwen. Toerisme biedt hoe dan ook de mogelijkheid om de ander te ontmoeten.”

Hoe geseculariseerder een land, hoe massaler het toerisme, schrijft u. Nederland moet wel heel dol zijn op toerisme. Daar zit weinig blik van de ander bij.

“Klopt. Mijn claim is dat die blik steeds meer uit het toerisme verdwijnt. Ervoor in de plaats is een enorme nostalgie gekomen naar de tijd dat de wereld nog kon worden ontdekt. Dat maak ik op uit de gigantische productie van reisprogramma’s en reisliteratuur in Nederland, die op een vrij schreeuwerige manier reclame maken voor nieuwe avonturen in een liefst ‘onontgonnen’ wereld. Dat soort teksten raakt aan een fundamenteel menselijk verlangen om door de ander, of dat nu een mens is of een cultuur, te worden gezien, zoals een Tahitiaans schilderij van Gauguin ons bekijkt. Pas in de blik van de ander namelijk ervaren we ten diepste hoe het is om mens te zijn. In het moderne toerisme is de ander echter een ding geworden, zoals een vaas. De Afrikaan moet een rieten rokje aan en dansjes voor ons Nederlanders opvoeren. Als de mens ergens tot product is verworden dan wel in de toeristenindustrie. De moderne Nederlandse toerist is een tragische figuur.  Hij ontvlucht de consumptiemaatschappij, waar geen hechting mogelijk is, maar ontdekt dat hij in Vietnam in dezelfde anonieme hotelketen bivakkeert als in Costa Rica. Weer een teleurstelling erbij.”

U denkt dat ons in het moderne reizen niets anders overblijft dan het betreden van reeds begane paden. Had Geert Mak zijn’Reizen zonder John’- in het voetspoor van John Steinbeck – beter ongeschreven kunnen laten?

“Nee. Het is een mooi boek, net als zijn ‘Lopen met Van Lennep’over het reisdagboek van Jacob van Lennep. Het verschil met oude, romantisch reisschrijvers is alleen dat Mak niet een ons onbekende wereld beschrijft, maar een heimwee naar de tijd dat je al reizende voortdurend oog in oog stond met het andere, zoals Steinbeck in zijn tijd.”

Het toerisme heeft alles verziekt?

“Dat is mij te moralistisch. Wel doen reisprogramma’s en -organisaties alsof er nog van alles te ontdekken valt, terwijl het toerisme de wereld juist volledig transparant heeft gemaakt. De westerse toerist voelt dat aan, en wil aan die transparantie ontsnappen. Dus gaat hij op survivaltocht, of hij trekt naar oologsgebieden en sloppenwijken. Om maar geen toerist te zijn. Het toerisme ontkent toerisme te zijn. Er zijn zelfs bedrijven die zich tooien met namen als Beyond Tourism, maar ze volgen gewoon de patronen van de ‘oude’ toeristenindustrie.

Veel Nederlanders slepen hun kinderen mee naar de Efteling en andere pretparken. Volgens u zou  Rousseau dat uit den boze vinden. Waarom?

“Omdat ouders daarmee bij voorbaat voor het kind invullen wat het leuk moet vinden. Toen ik ooit met mijn dochtertje naar Blijdorp ging en enthousiast wees naar een olifant, bleek zij veel meer belangstelling te hebben voor een musje op het hek. Rousseau, de eerste westerse denker over opvoeding, bejubelt de onbevangenheid van het kind en zijn fascinatie voor het detail. Kinderen zouden volgens hem goede reisgidsen zijn. We moeten reizen met de attitude van het kind, maar in plaats daarvan slepen we hen mee naar Walibi, waar de dromen van A tot Z zijn bedacht door volwassenen. Typisch Nederlands om toeristisch aantrekkelijke plekken volledig te vermarkten. Een plek mag maar één betekenis hebben, er wordt louter geredeneerd vanuit marketing. Dat betekent: voldoende parkeerplaatsen en koffiegelegenheden, met mooie groene grasveldjes voor de kinderen, en alles terug te vinden op internet. In Frankrijk willen ze een ruïne nog wel eens een ruïne laten. Op Google valt er niets over te lezen. Dan ga je praten met dorpsbewoners, de één zegt dit, de ander dat. Dat heeft nog iets van avontuur in zich.”

In ‘Het ware leven is anders’ lijkt u te walgen van toerisme. Rode draad is de schaamte die u voelde in een Mexicaans restaurant, waar de ober u heel hoffelijk bediende, maar een arme zwerver bruusk wegstuurde?

“Ik zou toerisme niet walgelijk willen noemen. Als je de ander wilt leren kennen, kan toerisme daarbij zeer behulpzaam zijn. Bovendien is gêne voor mij een belangrijk filosofisch thema, omdat het het begin kan zijn van ethisch bewustzijn. Om met Sartre te spreken: zolang ik alleen ben, ben ik volledig vrij, maar op het moment dat een ander tegenover me zit, kan ik hem nooit meer slechts als object beschouwen. De blik van de ander kan, en daar ligt een link met Levinas, een moreel beroep doen op mij. Opvallend is dat in het moderne toerisme die moreel-ethische component volledig wordt afgedekt. Zie ik een zwerver dan denk ik: ik kan er toch niets aan doen? Of: geld geven houdt het probleem maar in stand. Of: ik ben op vakantie, geen problemen aan mijn hoofd.  We reizen eigenlijk nog steeds als ten tijde van het kolonialisme: we willen voordeel hebben van de ander. In ‘Onder vreemden’ breek ik een lans voor een update van die neo-koloniale blik.”

In datzelfde essay draagt u de moderne reisschrijver ten grave. De Brit Bruce Chatwin (1940-1989) was volgens u de laatste. Waarom?

“Omdat de wereld steeds meer hezelfde wordt. Zelfs een getalenteerd schrijver als Mak kan ons eigenlijk niets nieuws meer vertellen. Ander voorbeeld: ik begeleid als promovendus iemand die travelblogs bestudeert. Ontzettend saai wat je daar leest. Ze schrijven allemaal hetzelfde en roepen alleen maar: je moet daar naar toe en je moet daar naar toe. Chatwin trok niet rond als toerist. Over de aboriginals schrijft hij dat ze in feite zijn ‘uitgevonden’door de westerlingen. Maar daartoe beperkt Chatwin zich niet. Hij beschrijft hen ook als mens. Maar hij was wel de laatste. Zo eindig ik ‘Onder vreemden’ook: kon ik nog maar zo reizen als Chatwin of Naipaul. Reizen is heel moeilijk geworden. Mensen die zich reiziger noemen, zijn dat  meestal niet. Mezelf incluis. Na mijn afstuderen, in 1989, ging ik naar Alaska, juist toen daar de olieramp met de Exxon Valdez gebeurde. Dat verstoorde mijn blik. En wel zodanig dat ik geen enkele foto van die milieuramp maakte. En ik ging ook niet helpen opruimen.”

Weinig last dus van de blik van de ander?

“Ik dacht een reiziger te zijn, maar was een toerist in denial.”  

Waar blijft dan die blik van Gauguin?

“Als Gauguin vandaag naar Tahiti zou gaan, zou hij terechtkomen in een tourist resort, een totaal transparante wereld, waarin geen onderscheid meer is. Hij zou ‘Ruiters op het strand’nu niet meer kunnen schilderen, en wij zouden dus niet meer door de blik van de ander kunnen worden getroffen.”

Heeft dat laatste ook niet te maken met de secularisatie? We hebben niet meer de ervaring te worden bekeken door de Ander, dus waarom nog wel door de ander?

“De religieuze ervaring van het bekeken worden leert mensen omgaan met wat we niet kunnen kennen. Het verlies van het één heeft voor mijn gevoel zeker met dat van het ander te maken: waar transcendentie verdwijnt, verdwijnt ook het verschil. Alles wordt hetzelfde. Dat heeft iets tragisch, ja.  Aan de reisliteratuur van nu de taak om die tragedie te beschrijven.”

Wie is Ruud Welten?

Ruud Welten (1962) is universitair docent aan de Tilburg University en lector Ethics & Global Citizenship bij Hogeschool Saxion in het oosten van het land. Vorig jaar verscheen van zijn hand ‘Het ware leven is elders. Filosofie van het toerisme’, dat nu op de longlist staat voor de Socrates Wisselbeker. In dat boek onderzoekt hij aan de hand van schrijvers en filosofen de betekenis van het reizen. Deze maand verscheen zijn essay ‘Onder vreemden. De ander in de reisliteratuur’, waarin hij op basis van reisliteratuur van o.a. De Nerval, Naipaul en Chatwin reflecteert op de relatie tot de ander. Welten publiceert met name over Franse filosofen, onder wie Levinas, Sartre en Camus. Over de laatste twee schreef hij het boek ‘Zinvol geweld’(2006) en het toneelstuk ‘De hel’, dat in 2010 werd uitgevoerd door Theater EA. In het Frans verscheen Weltens boek ‘Phénoménologie du Dieu invisible’(2011). onder vreemdenRuud Welten: ‘Onder vreemden. De ander in de reisliteratuur’. Klement, Zoetermeer, 95 blz. € 14,90

Cleese als amusantste oom van de hele familie

John Cleese vermaakt de tafel bij Humberto Tan.
John Cleese vermaakt de tafel bij Humberto Tan.

Soms zijn er programma’s waar ik naar uitkijk. Het RTL 4-interview met John Cleese  bijvoorbeeld. En dat echt niet alleen omdat ik ooit te gast was in het Zuid-Engelse hotel dat Cleese inspireerde tot ‘Fawlty Towers’, en waar de eigenaar me toevertrouwde dat hij ‘sommige toeristen gaarne zou willen wurgen, maar dat hij daar te beleefd voor was.’

Nee, het gaat natuurlijk om Cleese zelf. De manier waarop de Britse komiek het slapstick-genre een nieuw, eigentijds gezicht gaf; de naadloze wisselwerking tussen fysieke en verbale humor, die je uit je stoel doet rollen van het lachen. De voorpret, of wat daarvoor door moest gaan, begon dinsdagavond al bij Jeroen Pauw. Margôt Ros en Maike Meijer (‘Toren C’) hadden in het publiek gezeten bij ‘College tour’, waar Cleese werd geïnterviewd. Een nogal platte bijeenkomst, meenden de dames. Meijer: “Die studenten wilden weten of hij ‘het’wel eens met een Nederlandse vrouw had gedaan. Nou, interessant…”Pauw evenwel veerde meteen op: “En?” Ros: “Nee, niet met een Nederlandse vrouw, wel met een opblaaspop.”

Die ‘College tour’, pas in december op de buis, hoeven we dus niet te zien. De twee actrices hadden meer willen horen over het geheim van een goede comedy. Zelf hadden ze daar wel wat ideeën over, geïnspireerd door de grote meester. Ros: “Het is een creatief proces van jezelf open stellen. Dan blijf je dicht bij jezelf en maak je iets bijzonders. Of zeg ik nu iets heel moeilijks?”Pauw: “Geen idee, maar ik begin zo langzamerhand wel af te haken.” Ziedaar het bewijs dat deze actrices beter comedy kunnen spelen dan erover praten.

‘RTL late night’ had het hele uur ingeruimd voor de komische acteur. Zelfs de aanslag op het Canadese parlement (wel in ‘RTL boulevard’) en de reclame (!) moesten ervoor wijken. Aan tafel (met o.a. Claudia de Breij en Patrick Stoof) bleek maar weer hoe geschikt Humberto Tan is voor dit soort showbizz-ontmoetingen. Hij heeft precies die Amerikaans aandoende zwierigheid en charme om een wereldster als Cleese in de watten te leggen.

Maar een echt interview werd het niet. Allerlei vragen over de autobiografie ‘Kortom’, waarvoor de komiek per slot van rekening naar Nederland was gekomen, bleven achterwege, omdat Tan en zijn tafelgasten kozen voor de rol van adorerende neefjes en nichtjes met Cleese als amusante oom. Het live-gesprek, met vertraagde vertaling, kreeg daardoor weinig richting. Daarnaast speelden zenuwen sommige genodigden parten. Stoof kreeg ‘gechoreografeerd’ maar niet in het Engels uit zijn keel. Waarop Tan: “Hij bedoelt: waren de silly walks routine?” Cleese: “Ik vond die hele sketch niet grappig.”

Ach, onze tv-ster praat wel. Zoals over die criticus die vond dat Cleese het in’Kortom’ wel heel veel over zichzelf had. “Hij denkt zeker dat deel twee van mijn autobiografie over iemand anders gaat.”En dan weer die lach. Ook ‘Fawlty towers’ zorgde bij Cleese, zo bleek, nog steeds voor tranen van plezier. “Connie Booth (een van zijn drie ex-echtgenotes, en Polly in de serie, W.P.) en ik hebben ons tijdens het schrijven al dood gelachen.” Maar wat de sleutel is tot een geslaagde comedy? “Timing en domme dingen doen”, zei Cleese. En daar mocht de kijker het zo’n beetje mee doen.

Elk hotel is Fawlty Towers

Ter ere van het bezoek van John Cleese aan Nederland, hierbij een verhaal van mij over Fawlty Towers, gepubliceerd in de VPRO Gids in augustus 2006.

fawlty towers

Het hotel dat model stond voor Fawlty Towers wordt verbouwd. De huidige hotelhouder maakt nog steeds reclame met de serie. “Als u eens wist hoe vervelend gasten kunnen zijn.”

Het is een rustige avond in het Gleneagles Hotel. “Iedereen is uit vanwege het mooie weer”, zegt de serveerster. En zo zit ik helemaal alleen in het grote restaurant van dit countryhotel aan de Engelse Rivièra. Gleneagles in het zonnige Torquay is niet zomaar een uitspanning. Hier deed John Cleese zijn inspiratie op voor de hilarische televisie-serie Fawlty Towers. Zou het nog steeds zo’n slecht hotel zijn?

“Kan ik u helpen?”, onderbreekt de ober mijn gemijmer. “Brengt u mij maar roast chicken”, zeg ik na een korte blik in de menukaart. De ober spreekt met een zwaar accent, net als Manuel in de tv-serie. Alleen is zijn accent niet Spaans, maar Oosteuropees. “Ik ben Peter, ik kom uit Polen en loop hier stage.” And he knows nothing, mompel ik er achteraan.

De kip hebben we wel eens lekkerder gegeten, maar gelukkig is het dessert – spotted dick – in orde. De ober is argwanend. “Bent u journalist?”, wil hij weten. “Eh, ja”, antwoord ik betrapt. “Fawlty Towers, daar vond ik niks aan”, verklaart Peter. “I think you have to be British to like that.” Een moment later verschijnt de eigenaar aan tafel: “I am Basil Fawlty”, zegt hij met een knipoog. Hij nodigt mij uit later die week koffie te komen drinken op zijn hotelterras met uitzicht op de Lyme Bay. “Dan zal ik u alles vertellen over Fawlty Towers.”

John Cleese logeerde begin jaren zeventig in Gleneagles vanwege opnamen voor Monty Python’s Flying Circus. De toenmalige eigenaar, Donald Sinclair, zou de leden van het Monty Python-team zo ongastvrij hebben behandeld dat ze na één nachtje besloten hun heil elders te zoeken. Behalve Cleese en zijn toenmalige vrouw Connie Booth (Polly in Fawlty Towers). Zij zagen in de gewezen marine-officier Sinclair gouden materiaal voor een nieuwe tv-serie. De BBC zond Fawlty Towers in 1975 en 1979 uit. Tot op de dag van vandaag wordt de serie wereldwijd herhaald.

“Oh, ik weet nog goed wat er in Gleneagles allemaal is gebeurd”, zegt Joan Nott, een bejaarde dame uit de deftige wijk Warberry in Torquay, die destijds woonruimte verhuurde aan het Monty Python-team. “Cleese vertelde mijn man en mij dat Sinclair ’s avonds in pyjama naar de bar kwam ten teken dat de gasten naar bed moesten. De koffer van Eric Idle werd het raam uit gesmeten omdat er een bom in zou zitten en bij het diner legde Sinclair demonstratief uit hoe er met mes en vork moest worden gegeten.” Ze neemt een slokje van haar brandy met ijs en peinst. “Toch gek. Mijn dochter heeft in 1969 een voortreffelijke huwelijksreceptie gehad in Gleneagles.”

De toenmalige eigenaar is inmiddels overleden. Zijn opvolger, Terrence Taylor (64), schat dat hij de vijfde hotelier is sinds Donald en Betty Sinclair. Juist vanwege Fawlty Towers, dat overigens werd opgenomen in een hotel ten noordwesten van Londen, is Gleneagles altijd een populair toeristenverblijf geweest, denkt Taylor. “Ik maak nog steeds reclame met de tv-serie”, zegt hij tijdens onze koffie-afspraak. “Bussen met toeristen uit de hele wereld komen hier langsrijden. Iedereen wil het hotel zien waar Fawlty Towers op is gebaseerd.”

Ofschoon zelf een groot fan van de serie, is hij niet van plan de John Cleese-rol op zich te nemen. “Gasten willen dat graag. Natuurlijk zou ik sommige toeristen gaarne willen wurgen, maar daar ben ik te beleefd voor.” Taylor vindt dat Cleese met de tv-serie een uitstekende schets heeft gegeven van de verborgen waarheid in het horecawezen. “De buitenwacht krijgt alleen het perfecte plaatje te zien, maar achter de schermen is het in elk hotel Fawlty Towers. Als u eens wist hoe vervelend gasten kunnen zijn. Gisteren nog. Kwam een echtpaar klagen dat de kleur van de gordijnen niet deugde, er een vlek op het tapijt zat en de thee te koud was. Wat ze werkelijk willen is een duurdere kamer, aan de zeezijde, voor dezelfde prijs. Maar dat vertellen ze er natuurlijk niet bij.”

“Ach”, verzucht Taylor, “it’s a job that I love to hate.” Ondertussen verstoren hamers en boren de rust in dit idyllische oord aan de Engelse Rivièra. Alle 41 kamers van Gleneagles worden verbouwd. Op 18 september wordt het geheel vernieuwde hotel heropend. Door niemand minder dan Prunella Scales, Sybil Fawlty in Fawlty Towers. En zo blijft een dertig jaar oude comedy tot de dag van vandaag levend.

‘Uitgekeken’

In oktober 2016 is bij Kick Uitgevers in Rotterdam mijn bundel ‘Uitgekeken’ verschenen, mijn honderd beste tv-columns uit Trouw (2010-2016).

uitgekeken

Signeren met mijn uitgever Matty Verkamman (r) van Kick Uitgevers.
Signeren met mijn uitgever Matty Verkamman (r) van Kick Uitgevers.

In november 2012 heeft tv-presentator Cees Grimbergen (ooit NCRV, nu Max) het eerste exemplaar van mijn boek ‘De menselijke maat’ overhandigd aan Henk Hagoort, voorzitter van de Nederlandse Publieke Omroep.

Henk Hagoort met het eerste exemplaar.
Henk Hagoort met het eerste exemplaar.
Mijn goede vriend Klaas Vos (r) in gesprek met Cees Grimbergen.
Mijn goede vriend Klaas Vos (r) in gesprek met Cees Grimbergen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

‘De menselijke maat’is een boek over dwarse, eigenzinnige mensen uit de hoek van media, religie en wetenschap. Een IKON-dominee als wijlen Wim Koole die zich ‘bekeert’ tot het atheïsme, mediapsycholoog Jaap van Ginneken die waarschuwt voor  het voortdurende bedrog van marketing en media, of de rebelse Rotterdamse dominee Visser.  Jezus zou zeker ruzie krijgen met Leefbaar Rotterdam, is zijn overtuiging. Het zijn mensen die hun eigen maat bepalen. In interviews en portretten probeert Pekelder te achterhalen wat hen beweegt. Wat geeft hun leven betekenis, wat is hun hoop, hun angst, hun visioen? De lezer hoort het uit de mond van oud-minister Agnes van Ardenne, kardinaal Simonis, VU-professor Irene Costera Meijer, Hans van der Togt, Ton Planken, Willibrord Frequin, bisschop Bär, hoogleraar Henri Beunders en vele anderen. Een zoektocht naar zingeving, kwaliteit, schoonheid en waarheid, afgewisseld met reportages, analyses en hier en daar een luchtigheidje. Dat alles in het besef dat het goede, in al zijn verschillende betekenissen,  er wel degelijk toe doet in de wereld. ‘De menselijke maat’, U2pi BV Voorburg, ISBN 978-90-8759-308-7, 400 pagina’s, € 24,50,–, info@jouwboek.nl

Of via bol.com: /https://www.bol.com/nl/p/de-menselijke-maat/9200000009598889/