De journalist is eigenaar van het verhaal

Iedere journalist maakt het mee. Je houdt een interview, en vervolgens gaat de afdeling communicatie er vrolijk met het rode potlood doorheen. Goed om in zo’n geval te weten: er is maar één eigenaar van het verhaal, en dat ben jij.
Illustratie Maaike Putman

Het moet midden jaren tachtig zijn geweest dat een oudere verslaggever van het Rotterdams Nieuwsblad na een interview ietwat ontstemd terugkeerde op de redactie. ‘Ze wilden het lezen van tevoren’, riep hij. ‘L-e-z-en… V-a-n  t-e-v-o-r-e-n…’ Wij waren allen gans verbaasd en zeiden: ‘Hoe heb je op dat verzoek gereageerd?’ ‘Ik heb het volgende geantwoord’, sprak de collega, ‘ik vertrouw erop dat u mij juiste informatie geeft. Dan moet u míj vertrouwen dat ik er een waarheidsgetrouw verhaal van maak.’

En daarmee was de kous af. Het interview werd niet ter inzage gegeven. De eerste tien jaar van mijn journalistieke loopbaan, zo ongeveer tot 1990, vroeg niemand om lezing vooraf. Dat veranderde pas voorgoed met de komst van internet en email. Toen werd autorisatie standaard. En vaak meer dan dat. In het ergste geval  willen communicatiemedewerkers vooraf je vragen zien, grijpen ze in tijdens het interview en eisen ze zeggenschap over kop, intro, toon en strekking.

Rond het journalistieke interview is een sfeer van georganiseerd wantrouwen ontstaan.  Als ik zie hoe ‘vakbroeders’ op internet reputaties door het slijk halen, kan ik daar inkomen. Overheden, bedrijven en instellingen zijn als de dood dat door één fout citaat of verkeerde interpretatie hun zorgvuldig opgebouwde goede naam wereldwijd aan diggelen gaat.

Onlangs was ik aanwezig bij een lezing van CDA-kamerlid Pieter Omtzigt en hij vroeg tot twee, drie maal toe op bevreesde toon of er verslaggevers in de zaal zaten (ik heb braaf mijn vinger opgestoken, maar dat zag hij geloof ik niet). Autoriteiten zijn bang van ons. Als journalist kun je vinden dat die achterdocht ongegrond en onredelijk is, en geheel en al te wijten aan de kornuiten van Geen Stijl c.s., maar ondertussen heb je er wel mee te dealen.

Het is vaak meteen paniek in de tent bij een eerste contact. Razendsnel ontvouwt zich rond jouw persoon een netwerk van krampachtigheid. Nog niet zo lang geleden schreef ik over een grote culturele instelling in den lande. Het was niet eens een heel erg ingewikkeld  onderwerp, maar de afdeling voorlichting stelde voor om het door twee topfunctionarissen te laten vertellen in aanwezigheid van een (meepratende) communicatie-adviseur. Onzekerheid en controledrift ineen.

Achteraf hoorde ik – ik wist van niets – dat een andere landelijke instelling, die heel zijdelings bij het onderwerp was betrokken, hemel en aarde had bewogen om het artikel in handen te krijgen, met als doel het ‘mede te autoriseren’. Dát hadden de communicatoren van de culturele instelling weten tegen te houden. Gelukkig maar, want ik had er, na de  ‘meelezers’ op de culturele instelling, niet graag nog meer ‘insprekers’ bij gehad.

Als je pech hebt, blijft er bij het vooroverleg al niets meer van je verhaal over. Ooit wilde ik een politicus interviewen onder meer over de invloed die een ernstig verkeersongeluk had uitgeoefend op zijn leven en carrière. Nadat het verzoek over verschillende schijven was gegaan, kreeg ik twee maanden later, luttele dagen voor de interviewdatum, definitief antwoord. Het mailtje had als doel, zo verklaarde de betreffende communicatiemedewerkster, ‘mijn verwachtingen te managen’ (ja, het  is ook een jargon waar je tegen moet kunnen). Waar het op neerkwam: over het verkeersongeluk kon niet worden gesproken. Punt uit.

Bij aanvang van het vraaggesprek deed ik alsnog een poging. Daar kwam niets vruchtbaars uit, waarop ik vertrok. Ik heb er nog steeds geen spijt van. Liever géén interview dan één waarvan je weet dat de ziel er al bij voorbaat uit is gesneden.

Maar goed,  als ZZP’er kun je natuurlijk niet al te vaak met lege handen bij je opdrachtgever aankomen, dus je zult moeten leren onderhandelen. En daarbij is het goed om te weten wat je rechten en plichten zijn. Zeker is dat de journalist eigenaar is van het verhaal en niet de afdeling marketing en communicatie. Trouwens veelzeggend dat dat vaak één afdeling is. Men wil blijkbaar niet alleen communiceren maar tegelijkertijd een product in de markt zetten, of dat nu een politicus is of een nieuwe tv-serie.

Enfin, de journalist houdt dus het laatste woord. De Raad voor de Journalistiek formuleert het in zijn leidraad aldus: ‘Journalisten die een artikel vooraf ter inzage geven – om feitelijke onjuistheden te corrigeren en om onduidelijkheden weg te nemen – zijn vrij om te bepalen hoe zij op- en aanmerkingen in het artikel verwerken.’ Allerlei gesuggereerde aanvullingen en ‘verbeteringen’ hoeven zij geenszins over te nemen. Mocht een gang naar de rechter volgen dan ligt, volgens de jurisprudentie, de bewijslast bij de journalist, waarbij datgene wat op de band staat geldt als juridisch bewijs.

Overigens, je zou het bijna vergeten, maar het ter inzage geven zelf is allesbehalve een verplichting. Geen wet of regel die het oplegt.  Het is een vrijwillige overeenkomst tussen  journalist en geïnterviewde. En dan gaat het alleen over feitelijke onjuistheden, en niet over een final cut van geïnterviewde. Ook dat laatste moet vooraf expliciet worden afgesproken. Als een geïnterviewde of diens woordvoerder  pas ná het vraaggesprek over ‘meelezen’ begint,  zou je dat strikt formeel zelfs kunnen weigeren.

Dat doe je natuurlijk niet, al was het maar om de relatie goed te houden. Echter wel zinnig om je zo nu en dan weer even bewust te zijn van hoe de kaarten juridisch liggen. Want het werkveld is soms weerbarstig. Een paar jaar geleden maakte ik een portret over een rijke gemeenschap, waarbij weliswaar één persoon centraal zou staan, maar waarin ook plaats zou zijn voor eigen observaties. Ik dacht dat van tevoren goed duidelijk te hebben gemaakt, maar nee. Het verhaal werd door geïnterviewde (dus niet eens door een afdeling communicatie) teruggezonden blauw van de wegstrepingen. ‘Het is mijn interview’, zei hij steeds. Uiteindelijk bleken zelfs de te publiceren foto’s voor hem onderhandelingsmateriaal.

Ik ben in mijn herinnering vrij ver gegaan in het tegemoetkomen aan de goede man. Misschien wel té ver. Er bleef een verhaal over wat ik een zeven waard vond, terwijl het eerst een acht was. Waarom dan toch niet wat meer tegengas gegeven? Onderhandelingsmoe, vrees ik. Wanneer je als freelancer veel schrijft, en daarbij velerlei bron raadpleegt, kan het ‘autoriseren’ en het gepalaver daaromtrent een flinke belasting zijn. Het is ook fysiek uitputtend.

Het essay, het commentaar en de column lijken de enig overgebleven vrijplaatsen van de journalist.  Hoewel…  Begin dit jaar schreef ik een column over een cultureel festival, waarbij een jonge communicatie-medewerkster opmerkte:  ‘Ik wil de tekst van tevoren lezen, hoor.’  Niet op ingegaan natuurlijk , maar wel een teken dat het steeds verder gaat met de beheersingsdrift. Misschien straks zelfs zo ver dat de persvrijheid in het gedrang komt.

Op stille momenten vraag ik me wel eens af: hoe redde ik me vroeger toch bij het Rotterdams Nieuwsblad, toen er nog nauwelijks afdelingen marketing en communicatie bestonden? Ik schreef  artikelen bij de vleet, en niets werd van tevoren gelezen. Maakte ik daardoor aan de lopende band fouten ? Ik geloof van niet. Nul rectificaties in al die jaren.

Naar die begintijd kunnen we niet terug, maar het zou goed zijn als communicatie-afdelingen en geïnterviewden zich zouden beperken tot waar het ooit allemaal om begonnen is, en waar iedereen wel bij vaart: een check op feitelijke onjuistheden. En niet meer.

Veel te veel mensen bemoeien zich tegenwoordig met je verhaal

https://www.villamedia.nl/artikel/willem-pekelder-autoriteiten-zijn-bang-voorons

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *