‘De ander is een ding geworden’

Wie is de reiziger in de blik van de ander? Filosoof Ruud Welten komt tot de ongemakkelijke ontdekking dat de reiziger helemaal niet meer bestaat. En de blik van de ander al evenmin.

Ruud Weltens essay ‘Onder vreemden. De ander in de reisliteratuur’ begint met een schilderij van Gauguin: ‘Ruiters op het strand’.  De auteur is gefascineerd door dit kunstwerk, dat Gauguin in 1902 in Frans-Polynesië schiep. Het schilderij raakt hem door de blik van een van de ruiters. “Hij kijkt me onderzoekend aan, en maakt me duidelijk dat ik niet een van hen ben”, schrijft de filosoof. “Wat is er gebeurd? Gauguin heeft de blikrichting omgekeerd. Ik ben niet slechts toeschouwer, ik wórd bekeken.” In zijn essay borduurt Welten verder op die blik van de ander. Aan de hand van reisliteratuur van De Nerval, Said en Naipaul gaat hij op zoek naar de hermeneutiek van het reizen: wat gebeurt er in de ontmoeting met de ander? ‘Onder vreemden’ is het vervolg van ‘Het ware leven is elders. Een filosofie van het toerisme’(2013), dat op de longlist staat voor de Socrates Wisselbeker.

Hoe heeft de blik van de ander uit het schilderij van Gauguin u beïnvloed als filosoof en schrijver?

“De blik is een belangrijk thema in de Franse filosofie: hoe kijken wij naar de ander en hoe kijkt hij naar ons? In het toerisme is onze blik vooral gericht op de dingen die we verwachten. Ik ben in de moderne reisliteratuur op zoek gegaan naar een manier van rondtrekken die dat verwachtingspatroon doorbreekt. Dat Tahitiaanse schilderij van Gauguin, waarin hij het verschil tussen mij en de ander thematiseert, symboliseert de vraag die aan ‘Onder vreemden’ten grondslag ligt, is: waar in de reisliteratuur vind ik à la Gauguin de reflectie dat de ander de ander blijft?”

ruud welten
Foto Jörgen Caris

En u neemt daarbij de filosofie van Levinas tot uitgangspunt?

“Levinas is bij uitstek de filosoof van de ander. Hij vraagt zich af hoe na twintig eeuwen religie en filosofie de Holocaust heeft kunnen gebeuren. Het probleem volgens Levinas is dat we niet in staat zijn de ander de ander te laten. De ander moet zich aanpassen, worden geëlimineerd of als afzetmarkt dienen. In de door mij onderzochte reisliteratuur vind je, weliswaar op een andere schaal, diezelfde worsteling met het vreemde.”

Wanneer is de moderne reisliteratuur ontstaan?

“Op het moment waarop auteurs onbevangen op zoek gingen naar hun verhouding tot de ander, en hem niet langer wilden vangen in een bevooroordeelde blik. Tijdens het kolonialisme was het duidelijk: de ander is dom en moet bekeerd. Maar vanaf de negentiende eeuw veranderde dat langzaam. Gauguin beweerde als reisschrijver precies het tegenovergestelde, evenals Segalin: wij, kolonialisten, zijn heel erg slecht, de ander is authentiek en dus beter dan wij. Toch, als je zegt dat de ander beter en authentieker is, is dat eigenlijk ook de ander weer vangen in een blik. Naipaul heeft niets met al die vastgeroeste patronen. Wanneer hij in 1964 door India reist , schrijft hij dat de inwoners volslagen achterlijk zijn: ze gaan nota bene bidden voor een lotusbloem. Interessante observaties, omdat als de ander anders is het ook zo kan zijn dat ik hem totaal niet begrijp, of zelfs afwijs. Volgens Said kun je de ander alleen ervaren vanuit je eigen culturele achtergrond. In ‘Onder vreemden’pleit ik ervoor dat je  je bij het anders zijn van de ander neerlegt.”

Grote filosofen zijn notoire thuisblijvers. Kant kwam nooit verder dan dertig kilometer buiten zijn woonplaats, schrijft u, maar hij wekt in zijn boeken wel de indruk zeer bereisd te zijn. Hegel bereisde Nederland en daar hield het mee op.

“Reislust is geen noodzakelijke voorwaarde voor wereldburgerschap. Diogenes leefde in een ton, maar is wel de belangrijkste filosoof van het kosmopolitisme. Wat betekent kosmopolitisme? Dat je, ook al leef je in een regenton, je ervan bewust bent dat je de wereld deelt met anderen. Het is maar zeer de vraag of Hegels filosofie er anders had uitgezien als hij veel had gereisd. Onze veronderstelling is dat je van reizen heel veel leert. De vraag is ten zeerste of dat klopt. Zoals Seneca zegt: als je jezelf wilt leren kennen, moet je juist niet wegtrekken, want je overlaadt jezelf alleen maar met vluchtige indrukken. Reizen kan aan wereldburgerschap bijdragen, maar er ook aan afdoen, namelijk wanneer je een cliché-toerist bent.”

U schrijft dat we in het moderne toerisme alleen nog maar glimpen opvangen van andere culturen. Doordat we God en de hemel kwijt zijn, is er een leegte ontstaan die voortdurend moet worden opgevuld. Opgejaagd proberen we in hoog tempo nieuwe ervaringen op te doen, onder het motto: kijk míj eens ontzettend niet teleurgesteld zijn.

“In de woorden van Seneca: reizen is een vlucht. Toch wil ik toerisme niet alleen maar slecht noemen. Ik ben ‘Het ware leven is elders’ begonnen als anti-toerisme-boek, maar al schrijvende werd het genuanceerder. Rousseau bejubelt het reizen. Het is volgens hem zelfs  veel beter dan lezen, al heeft hij wel een heel boek nodig om die stelling te onderbouwen. Toerisme biedt hoe dan ook de mogelijkheid om de ander te ontmoeten.”

Hoe geseculariseerder een land, hoe massaler het toerisme, schrijft u. Nederland moet wel heel dol zijn op toerisme. Daar zit weinig blik van de ander bij.

“Klopt. Mijn claim is dat die blik steeds meer uit het toerisme verdwijnt. Ervoor in de plaats is een enorme nostalgie gekomen naar de tijd dat de wereld nog kon worden ontdekt. Dat maak ik op uit de gigantische productie van reisprogramma’s en reisliteratuur in Nederland, die op een vrij schreeuwerige manier reclame maken voor nieuwe avonturen in een liefst ‘onontgonnen’ wereld. Dat soort teksten raakt aan een fundamenteel menselijk verlangen om door de ander, of dat nu een mens is of een cultuur, te worden gezien, zoals een Tahitiaans schilderij van Gauguin ons bekijkt. Pas in de blik van de ander namelijk ervaren we ten diepste hoe het is om mens te zijn. In het moderne toerisme is de ander echter een ding geworden, zoals een vaas. De Afrikaan moet een rieten rokje aan en dansjes voor ons Nederlanders opvoeren. Als de mens ergens tot product is verworden dan wel in de toeristenindustrie. De moderne Nederlandse toerist is een tragische figuur.  Hij ontvlucht de consumptiemaatschappij, waar geen hechting mogelijk is, maar ontdekt dat hij in Vietnam in dezelfde anonieme hotelketen bivakkeert als in Costa Rica. Weer een teleurstelling erbij.”

U denkt dat ons in het moderne reizen niets anders overblijft dan het betreden van reeds begane paden. Had Geert Mak zijn’Reizen zonder John’- in het voetspoor van John Steinbeck – beter ongeschreven kunnen laten?

“Nee. Het is een mooi boek, net als zijn ‘Lopen met Van Lennep’over het reisdagboek van Jacob van Lennep. Het verschil met oude, romantisch reisschrijvers is alleen dat Mak niet een ons onbekende wereld beschrijft, maar een heimwee naar de tijd dat je al reizende voortdurend oog in oog stond met het andere, zoals Steinbeck in zijn tijd.”

Het toerisme heeft alles verziekt?

“Dat is mij te moralistisch. Wel doen reisprogramma’s en -organisaties alsof er nog van alles te ontdekken valt, terwijl het toerisme de wereld juist volledig transparant heeft gemaakt. De westerse toerist voelt dat aan, en wil aan die transparantie ontsnappen. Dus gaat hij op survivaltocht, of hij trekt naar oologsgebieden en sloppenwijken. Om maar geen toerist te zijn. Het toerisme ontkent toerisme te zijn. Er zijn zelfs bedrijven die zich tooien met namen als Beyond Tourism, maar ze volgen gewoon de patronen van de ‘oude’ toeristenindustrie.

Veel Nederlanders slepen hun kinderen mee naar de Efteling en andere pretparken. Volgens u zou  Rousseau dat uit den boze vinden. Waarom?

“Omdat ouders daarmee bij voorbaat voor het kind invullen wat het leuk moet vinden. Toen ik ooit met mijn dochtertje naar Blijdorp ging en enthousiast wees naar een olifant, bleek zij veel meer belangstelling te hebben voor een musje op het hek. Rousseau, de eerste westerse denker over opvoeding, bejubelt de onbevangenheid van het kind en zijn fascinatie voor het detail. Kinderen zouden volgens hem goede reisgidsen zijn. We moeten reizen met de attitude van het kind, maar in plaats daarvan slepen we hen mee naar Walibi, waar de dromen van A tot Z zijn bedacht door volwassenen. Typisch Nederlands om toeristisch aantrekkelijke plekken volledig te vermarkten. Een plek mag maar één betekenis hebben, er wordt louter geredeneerd vanuit marketing. Dat betekent: voldoende parkeerplaatsen en koffiegelegenheden, met mooie groene grasveldjes voor de kinderen, en alles terug te vinden op internet. In Frankrijk willen ze een ruïne nog wel eens een ruïne laten. Op Google valt er niets over te lezen. Dan ga je praten met dorpsbewoners, de één zegt dit, de ander dat. Dat heeft nog iets van avontuur in zich.”

In ‘Het ware leven is anders’ lijkt u te walgen van toerisme. Rode draad is de schaamte die u voelde in een Mexicaans restaurant, waar de ober u heel hoffelijk bediende, maar een arme zwerver bruusk wegstuurde?

“Ik zou toerisme niet walgelijk willen noemen. Als je de ander wilt leren kennen, kan toerisme daarbij zeer behulpzaam zijn. Bovendien is gêne voor mij een belangrijk filosofisch thema, omdat het het begin kan zijn van ethisch bewustzijn. Om met Sartre te spreken: zolang ik alleen ben, ben ik volledig vrij, maar op het moment dat een ander tegenover me zit, kan ik hem nooit meer slechts als object beschouwen. De blik van de ander kan, en daar ligt een link met Levinas, een moreel beroep doen op mij. Opvallend is dat in het moderne toerisme die moreel-ethische component volledig wordt afgedekt. Zie ik een zwerver dan denk ik: ik kan er toch niets aan doen? Of: geld geven houdt het probleem maar in stand. Of: ik ben op vakantie, geen problemen aan mijn hoofd.  We reizen eigenlijk nog steeds als ten tijde van het kolonialisme: we willen voordeel hebben van de ander. In ‘Onder vreemden’ breek ik een lans voor een update van die neo-koloniale blik.”

In datzelfde essay draagt u de moderne reisschrijver ten grave. De Brit Bruce Chatwin (1940-1989) was volgens u de laatste. Waarom?

“Omdat de wereld steeds meer hezelfde wordt. Zelfs een getalenteerd schrijver als Mak kan ons eigenlijk niets nieuws meer vertellen. Ander voorbeeld: ik begeleid als promovendus iemand die travelblogs bestudeert. Ontzettend saai wat je daar leest. Ze schrijven allemaal hetzelfde en roepen alleen maar: je moet daar naar toe en je moet daar naar toe. Chatwin trok niet rond als toerist. Over de aboriginals schrijft hij dat ze in feite zijn ‘uitgevonden’door de westerlingen. Maar daartoe beperkt Chatwin zich niet. Hij beschrijft hen ook als mens. Maar hij was wel de laatste. Zo eindig ik ‘Onder vreemden’ook: kon ik nog maar zo reizen als Chatwin of Naipaul. Reizen is heel moeilijk geworden. Mensen die zich reiziger noemen, zijn dat  meestal niet. Mezelf incluis. Na mijn afstuderen, in 1989, ging ik naar Alaska, juist toen daar de olieramp met de Exxon Valdez gebeurde. Dat verstoorde mijn blik. En wel zodanig dat ik geen enkele foto van die milieuramp maakte. En ik ging ook niet helpen opruimen.”

Weinig last dus van de blik van de ander?

“Ik dacht een reiziger te zijn, maar was een toerist in denial.”  

Waar blijft dan die blik van Gauguin?

“Als Gauguin vandaag naar Tahiti zou gaan, zou hij terechtkomen in een tourist resort, een totaal transparante wereld, waarin geen onderscheid meer is. Hij zou ‘Ruiters op het strand’nu niet meer kunnen schilderen, en wij zouden dus niet meer door de blik van de ander kunnen worden getroffen.”

Heeft dat laatste ook niet te maken met de secularisatie? We hebben niet meer de ervaring te worden bekeken door de Ander, dus waarom nog wel door de ander?

“De religieuze ervaring van het bekeken worden leert mensen omgaan met wat we niet kunnen kennen. Het verlies van het één heeft voor mijn gevoel zeker met dat van het ander te maken: waar transcendentie verdwijnt, verdwijnt ook het verschil. Alles wordt hetzelfde. Dat heeft iets tragisch, ja.  Aan de reisliteratuur van nu de taak om die tragedie te beschrijven.”

Wie is Ruud Welten?

Ruud Welten (1962) is universitair docent aan de Tilburg University en lector Ethics & Global Citizenship bij Hogeschool Saxion in het oosten van het land. Vorig jaar verscheen van zijn hand ‘Het ware leven is elders. Filosofie van het toerisme’, dat nu op de longlist staat voor de Socrates Wisselbeker. In dat boek onderzoekt hij aan de hand van schrijvers en filosofen de betekenis van het reizen. Deze maand verscheen zijn essay ‘Onder vreemden. De ander in de reisliteratuur’, waarin hij op basis van reisliteratuur van o.a. De Nerval, Naipaul en Chatwin reflecteert op de relatie tot de ander. Welten publiceert met name over Franse filosofen, onder wie Levinas, Sartre en Camus. Over de laatste twee schreef hij het boek ‘Zinvol geweld’(2006) en het toneelstuk ‘De hel’, dat in 2010 werd uitgevoerd door Theater EA. In het Frans verscheen Weltens boek ‘Phénoménologie du Dieu invisible’(2011). onder vreemdenRuud Welten: ‘Onder vreemden. De ander in de reisliteratuur’. Klement, Zoetermeer, 95 blz. € 14,90

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *