Terug naar Oegstgeest

In april schreef ik in deze rubriek over mijn dementerende moeder die liefdevol werd verzorgd in het verpleeghuis. Inmiddels is ze overleden, 91 jaar oud. Op 31 mei werden wij rond middernacht aan haar bed geroepen, waar we haar aantroffen met reeds gestorven ogen en een vlugge, stotende ademhaling. Om tien over drie was het gedaan met Jantiena Bouwiena Pekelder-van der Veen. Uw lied is uit, gij kreunt de laatste noten, dichtte Willem Elsschot in 1907 over zijn eigen dementerende moeder. Het gedicht ‘ Moeder’ was voor mij een bron van herkenning en troost, een vriend in donkere tijden.

En ik ben gans ontroerd en kan niet spreken, wanneer gij zegt ’kom aan tafel jongen’. Elsschot drukt precies die spanning uit die je bij elk bezoek aan het verpleeghuis weer voelde. Zal ze ons nog kennen door alle mist? Gevolgd door de blijde vertedering wanneer dat gelukkig nog altijd het geval bleek : “Ha, Willem, ha Lodewijk.”Die vreugde in haar stem.

Met Lodewijk, mijn jongste broer (55), ging ik naar haar graf bij de Willibrordkerk in Oegstgeest. De laatste keer dat we hier waren was op 6 juni toen ma vanuit dit ‘groene kerkje’ werd begraven. Het was een mooie dienst geweest, vond iedereen, gelovig of niet. De voorganger had gesproken over Prediker: Er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven, wat ook op moeders rouwkaart stond. “Prediker wil nuchter in het leven staan”, zei de predikant, “en het bestaan aanvaarden zoals het zich voordoet. Jij wilt een strakke lijn trekken, maar alles keert en draait en wendt zich nog eens om. Zo is het leven.” Waarna ‘Turn, turn, turn’ van The Byrds had geklonken. Voor alles een tijd, een goede vriend noemde dat na afloop een aangenaam relativerende gedachte. Een vriendin had in het romantisch aandoende godshuis een gevoel van eeuwigheid ervaren. Dat vond ik mooi gezegd.

En nu waren we dus terug naar Oegstgeest, Lodewijk en ik. Het was prachtig herfstweer, de vogels kwinkeleerden. En de zon scheen, dan is de dood minder erg. Mijmerend stonden we aan het graf, waar in 1999 vader al ter aarde was besteld. We hadden het over een gevoel van liefde en gemis. En over ma’s goede karaktertrekken: lief, zachtmoedig, waardig, bescheiden. Een dame had de dominee haar genoemd. “Van sommige van haar eigenschappen had ik zelf best iets meer willen hebben”, bekende ik . Wat Lodewijk (uiteraard) meteen begreep.

“Is het voor jou draaglijk dat we pa en ma nooit meer zullen zien?”, vroeg ik. “Zolang ík leef zijn zíj niet dood”, antwoordde Lodewijk, “want ik denk aan hen, bezoek hun graf, bekijk hun foto’s.” Moeder geloofde in een hiernamaals, wij stukken minder, al sprak mijn broer verstandig en wijs: “Ik ben niet tegen de hemel.”

We gaven elkaar een korte omhelzing en plaatsten een bos witte lelies op moeders graf. Als dank voor wie ze was. Als dank voor haar bestaan.

20161017_144106

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *