Nu dat kaarsvet nog

We gaan met z’n vieren naar de nachtmis: twee vrienden, mijn verkoudheid en ik. De kerk is mij vertrouwd. Ooit was ik hier acoliet en lector. Nu ben ik er eenmalig passant tijdens de kerstviering. Bij de ingang krijgen we de liturgie en een kaars. “Na afloop boekje en kaars inleveren s.v.p.”, luidt de opdracht op de achterflap. Hoezo die kaars? Die is straks toch een stomp? Kwestie één is geboren: de wonderbare kaars-teruggave.

We schuiven de banken in van de Paradijskerk. Het is nog vroeg. Tijd te over om het barokke interieur te bewonderen. We zijn in Rotterdam, maar de rijkdom doet denken aan Oostenrijk en Beieren. Uit eikenhout gesneden communiebanken, zo lezen we, met aan weerszijden twee levensgrote engelen. Een gemarmerd altaar, met daarboven een imposante koperen kroonluchter. Achter het altaar een schilderij van Christus’ verheerlijking op de berg, geflankeerd door beelden van Petrus en Paulus.

De processie van priester en misdienaren schrijdt binnen. Een van de dienaren draagt feestelijk een zilverkleurige staf. Omdat het de geboorte van Jezus is, horen we achteraf. Met hun rug staan ze naar ons toegekeerd, verzonken in stil gebed. Dan draait de priester zich om, opent wijd zijn armen en zegt: “Welkom allen, gelovigen en ongelovigen.”

Hij heeft een mooie stem, citypastor Hans de Rie. Gelukkig maar, want de hele kerstliturgie wordt gezongen. Ook het Evangelie. De priester beklimt daartoe het preekgestoelte, zo barok als was het rococo. Nu mogen we onze kaarsen aansteken. De rook slaat op mijn zere keel. Ik kuch en met een onnavolgbare zwaai valt een flinke klodder kaarsvet op mijn jas. Kwestie twee is geboren: de curieuze kaarsvet-val. Termen die niet geheel passen bij de Kerstgedachte borrelen in me op. Ik bezweer ze met tellen tot tien.

Uitgeteld arriveer ik bij de preek. Priester De Rie kent ons door en door. “Lieve mensen”, zegt hij, “we zijn afgelopen dagen winkel in en uit gegaan, en dan komen we thuis en zijn we toch nog wat vergeten. Maar hier mag je alles loslaten. Leg je zorgen maar neer bij het Kerstkind, laat maar los.” Een prettig losse sfeer. Én oud-katholiek, dus ook los van de paus.

Maar heiligen hebben ze hier wel. Ze worden herdacht tijdens het eucharistisch gebed. Hoe zat dat ook al weer, heiligen zonder Rome? Kwestie drie is geboren: mysterieuze Sinten. Tijdens de communie eren organist Wouter Blacquière en hoboïst Peter Hendriksz de allerbelangrijkste heilige: Avé Maria . Toch sympathiek dat ze niet alleen de Zoon, maar ook de Moeder bejubelen, denk ik nog, waarna ik met een hoofd vol vragen en virussen naar de uitgang wankel.

Daar krijgen we te horen dat een halve kaars ook een kaars is, en dat alles duur is tegenwoordig. Een nobele overweging. Kwestie één opgelost. Tijdens de kerstborrel na afloop verdwijnt ook kwestie drie. “Wij hebben alle heiligen van de rooms-katholieke kerk tot onze afscheiding in de achttiende eeuw”, legt kerkbestuurder Teun van Dam uit. Daarna kwam er een heiligenstop.

Al met al een mooie, verhelderende nachtmis. Nu alleen dat kaarsvet nog.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *