Jolande Withuis doet koningin Juliana recht

Toen ik biograaf Jolande Withuis dit najaar op tv zag, schrok ik van haar uitlatingen over een van Juliana’s brieven. “Niet aardig hè, wat Juliana schreef. Wat een wonderlijk persoon toch.” Withuis becommentarieerde het epistel dat de oud-vorstin in 1936 op de post deed voor haar Leidse jaarclubvriendin Nelke Clay, die net een dochtertje had verloren.

“Wat is een kort en gelukkig leven een voorrecht voor haar dat zij heeft boven ons (…). Zij heeft helemaal nooit geen leed gekend”, probeerde Juliana haar vriendin te troosten. Als je dat nú leest, denk je inderdaad: niet erg fijngevoelig, beetje wreed zelfs. Maar geplaatst in de context van die tijd was zo’n brief helemaal niet raar. Dát was de manier waarop gelovigen elkaar in het Interbellum en ver daarna troostten. Er heerste een onwankelbaar geloof in het hiernamaals waar we elkaar in volmaakte staat en badend in gelukzaligheid zouden weerzien.

De uitlating van Withuis, die in oktober haar boek ‘Juliana, vorstin in een mannenwereld’ publiceerde, zette me aan het denken over de taak van een biograaf. Moet een biograaf gebeurtenissen duiden in de sfeer van de tijd of moet hij/zij juist vanuit het nú naar toen kijken? Óf verdient een combinatie van beide de voorkeur?

Aanvankelijk leek mij de eerste mogelijkheid de beste. Een biograaf is niets minder dan een historicus, en is een historicus nu juist niet dé aangewezen persoon om gebeurtenissen geschiedkundig te verklaren? Dat is immers zijn/haar vak.

Toen ik haar vuistdikke biografie eenmaal begon te lezen, merkte ik dat de auteur Withuis gelukkig iemand anders is dan de tv-persoonlijkheid Withuis. Zo schrijft ze dat mensen die niet gelovig waren Juliana misschien moeilijk konden volgen in haar redeneringen. Dat is, dacht ik, precies de juiste insteek: de context van de tijd, ofschoon ik me bij sommige adjectieven wel afvraag of een wetenschappelijk schrijfster die zou moeten bezigen. Withuis betitelt de familie Lohman bijvoorbeeld als ‘zwaar christelijk’. Objectiever zou zijn: orthodox-christelijk.

Maar dat is slechts een voetnoot bij een verder uitstekende biografie. Withuis is de eerste die Juliana’s plaats in een door mannen gedomineerde wereld beschrijft. Ze doet dat beeldend, nauwgezet en zo volledig mogelijk, en levert daarmee een wetenschappelijk en historisch verantwoord boek af. Maar ze doet nog wat anders. Withuis is van origine socioloog (geschiedenis was slechts een bijvak) en die expertise loopt, samen met haar feministische overtuiging, als een rode draad door het boek heen.

Ze maakt inzichtelijk hoe politieke en masculine machinaties (niet in de laatste plaats van haar echtgenoot prins Bernhard) de oud-vorstin steeds op de tweede plaatst stelden. Een van de droevigste voorbeelden is wel een kranslegging namens het verzet waarbij Juliana per se aanwezig wilde zijn. Op de krans bleek alleen de naam van haar man te staan. Streek van Bernhard.

De Prins der Nederlanden leverde haar voortdurend streken. Vernederingen in het openbaar, bespottingen binnenshuis. De man die de monarchie twee keer aan de rand van de afgrond bracht (in de zaak Hofmans – de gebedsgenezeres was door hém naar Soestdijk gehaald – en de Lockheed-affaire) kon niettemin blijven rekenen op brede steun en waardering van de ‘hoogste kringen’. Ook het verzet bleef hem op handen dragen, terwijl de prins, volgens Bernhard-biograaf Gerard Aalders (‘Niets was wat het leek’, 2014), niets meer deed dan bij de bevrijding van Nederland snel in de voorste jeep springen en zo triomferend de van de Duitsers verloste gebieden binnenrijden.

Juliana die in de oorlog vanuit Canada zestig peptalks hield tegen Hitler (terwijl Bernhard zich In Engeland vermaakte met feestjes en andere vrouwen) en innige banden aanknoopte met de briljante Amerikaanse oorlogs-president Roosevelt, en vooral diens vrouw Eleanor, mocht beleven dat ze na de oorlog werd weggezet als huisvrouwtje in Ottawa. En Bernhard als verzetsheld.

Witkamp beschrijft het op een wijze die door de ziel snijdt. Juliana die al dat onrecht haar aangedaan maar moest slikken en moest toezien hoe geen van de maatregelen die ze bij de regering tegen haar man bepleitte doorging. Ze wilde dat Bernhard vertrok als voorzitter van de Bilderberg-conferenties. Niemand luisterde. Ze wilde dat Bernhards secretaresse ‘Kokkie’ Gilles, met wie de prins, volgens de oud-vorstin, wel ál te innige banden onderhield, van Soestdijk vertrok. Uiteindelijk was dat ook een eis van de commissie Beel, die de affaire Hofmans onderzocht, maar Bernhard deed gewoon of zijn neus bloedde, en het rapport Beel verdween in een diepe la. Ondertussen moest Juliana van Beel wel haar hartsvriendin Greet Hofmans wegsturen, wat op zich natuurlijk terecht was.

Withuis heeft Juliana recht gedaan, vooral door haar werkelijke rol in de oorlog, die veel meer was dan die van ‘huismoedertje’, te belichten. Dat het boek aan het eind hier en daar vervalt in wat al te veel anekdotiek en een onnodige drang naar volledigheid (opsomming van Juliana’s kleinkinderen e.d.) zij Withuis ruimhartig vergeven.

Withuis plaatst Juliana’s leven in de historische context van de tijd én kruidt die observaties met een sociologische/feministische blik van nu. Een ideale combinatie.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *