Winter in de stad

Ik zit in de trein en wacht op een diepe gedachte. Tevergeefs. Terwijl het landschap er toch zo toe uitnodigt. Er is een sprookje neergedaald over de weilanden: witte bomen, witte velden. Een coupé verderop klinkt wél een diepe gedachte. Een jonge vrouw zegt: “Je moet nooit een workshop organiseren waar je zelf ook niet iets aan hebt.” Daar lijkt weinig tegenin te brengen. Kedeng kedeng oe oe.

20170119_111750

Een gedicht van Willem Wilmink borrelt op, over een echtpaar dat tegenover elkaar zit in de trein. De trein maakt zijn vertrouwd geluid, en ik rijd voor-, zij achteruit. We zien dezelfde dingen wel, maar ik heel traag en zij heel snel. Zij kijkt tegen de toekomst aan, ik zie wat is voorbijgegaan.

Buiten raast de wit berijpte wereld voorbij. De eerste voortekenen dienden zich een dag eerder aan. In de tuin sneeuw op de uitgebloeide hortensia en op de boomstam die de tuinman had omgezaagd. De terrastafel waaraan van de zomer werd gebarbecued en rosé gedronken is nu bedekt met een iele laag.

In de stad is het stil. “Mensen blijven thuis met dit koude weer”, weet de verkoopster van Kruidvat. Zij die zich wel op straat wagen hebben mutsen op of hoedjes. Een enkeling oorwarmers. Een overstekende vrouw wordt op de Van Speykstraat bijna aangereden door een fietser. Ze heeft haar hoofd dusdanig omzwachteld dat alle zicht op de omgeving verloren is gegaan. Een verschijnsel dat zich sinds de smartfone eigenlijk álle jaargetijden voordoet. Het in zichzelf gekeerd zijn is de nieuwe menselijke conditie. Elke stadse fietser kan erover meespreken. En in de winter is het, door de gezichtsbedekking, nog een graadje erger.

Het heeft ook iets moois, die innerlijke winterwereld. ’s Avonds niet de deur uit, maar fijn thuis op de bank. Gordijnen dicht, verwarming aan, en genieten van de prachtige beelden van weerman Gerrit Hiemstra. “Een maagdelijke ijsvloer, het kan niet mooier”, zegt hij bij een foto uit Wildervank. “En hier, een gouden zonsondergang op de Veluwe.”

Op donderdag zegt een vriend in het Westerpaviljoen: “Kijk, hoe helder het licht.” Hij wijst naar buiten: “Alleen in de winter heb je zulk licht.” Even verderop aan de Mathenesserlaan tekent de kathedraal zich af tegen een adembenemend mooi uitspansel.

Aan de Heemraadssingel ligt een voetbal eenzaam op het dunne ijs. Slechts de meeuwen en de eenden kunnen erbij. Alleen als het harder gaat vriezen wordt hij voor de mens een doel. Als het gaat dooien is de bal verloren. ’s Avonds belt een vriend. “Ik ga morgen schaatsen in Oostvoorne.” Hij denkt dat het wel al kan, op het ondergelopen weiland dat vroeger het vliegveldje was van de badplaats.

Vrijdagochtend: buiten bij kapperszaak Sjenkels in de Van Oldenbarneveltstraat rookt een vrouw op een bankje een sigaret. Dikke winterjas aan, handen swipend over het scherm. De lage winterzon lijkt haar gestalte uit te lichten. Alsof ze een foto is. Om Wilmink te parafraseren: zien we dezelfde dingen wel?

Aan de ’s-Gravendijkwal klinkt luid het geratel van de stoplichten op een uitgestorven kruispunt. Het weerkaatsende lawaai , het flauwe maantje tegen de strakblauwe hemel en het heldere licht van de nieuwe morgen. Het is de betoverende wereld van de winter in de stad.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *