Vrijzinnigheid als voortdurende identiteitscrisis

Ze zouden een tweede Reformatie veroorzaken in Nederland, maar daar kwam niets van terecht. Promovendus Tom-Eric Krijger (29) onderzocht waarom vrijzinnig-protestanten in Nederland al heel snel in de marge van het christendom terechtkwamen. En daar nooit meer uit kwamen.

 

Tom-Eric Krijger
Tom-Eric Krijger

De opgave die het vrijzinnig-protestantisme zich bij zijn opkomst halverwege de negentiende eeuw stelde, was niet gering. Alle geloofsopvattingen, beeldentaal en rituelen die wetenschappelijk niet door de beugel konden, zouden uit het moderne christendom moeten verdwijnen. Er was geen bovennatuurlijke macht die zich met de wereld bezighield, Jezus was niet voor de zonden gestorven en de Bijbel diende historisch-kritisch te worden gelezen. Er mocht wel een persoonlijk godsdienstig gevoelsleven zijn, maar dat moest zich verstandelijk uiten.

De moderne richting, zoals de vrijzinnigheid zich aanvankelijk noemde, zou de orthodoxie binnen enkele decennia absorberen, dat was zeker. Dat het heel anders liep, bewijst Krijgers dissertatie ‘A second Reformation?’, waarop hij op 16 maart promoveert aan de theologische faculteit van de Rijksuniversiteit Groningen. Historicus en godsdienstwetenschapper Krijger onderzocht de periode 1870 en 1940 en concludeert dat de moderne richting langs drie wegen spaak liep: een retoriek van kerk- en maatschappijhervorming die niet in daden werd omgezet, geen aansluiting bij de arbeiders en verworpen door de intellectuelen.

Wies Houweling (57), secretaris van Vrijzinnigen Nederland, voortzetting van de Nederlandse Protestanten Bond NPB, las het proefschrift ook, en geeft haar visie op de toekomst van vrijzinnige religie in Nederland.

Hoe kwam het dat de moderne richting alleen aansloeg bij de gegoede middenklasse, de burgerij?

Krijger: “Omdat de vrijzinnigen dezelfde burgerlijke idealen aanhingen als de dominante politieke stroming van eind negentiende eeuw, het liberalisme. Liberalen hadden een optimistische toekomstverwachting en een positief mensbeeld: de mens zou stijgen naar een steeds hoger intellectueel-zedelijk niveau. De modernen waren er vast van overtuigd dat het christendom daarin zou meegaan. Zo niet, dan zou het geloof verdwijnen. In ‘De Hervorming’, het toenmalige tijdschrift van de NPB, zie je heel sterk terug dat de vrijzinnigen zich een voorhoede voelden. Zelf heb ik dat geestelijke aristocratie genoemd. De mens zou een hoger plan bereiken, en daarna automatisch het vrijzinnige geloof omarmen.”

Maar dat laatste lukte niet omdat arbeiders en intellectuelen niets in vrijzinnigheid zagen. Waarom niet?

Krijger: “Vrijzinnigen hadden het wel over de sociale kwestie, alleen wortelde dat discours niet in de arbeidersbeweging. Kort gezegd: vrijzinnigen wilden eerst het individu veranderen, daarna zou de samenleving vanzelf rechtvaardiger worden. Bij de sociaal-democraten lag het precies omgekeerd: eerst maatschappelijke structuren, daarna de mens. Bij intellectuelen, zoals Busken Huet en andere mensen rond De Gids, viel het vrijzinnig-protestantisme aanvankelijk in goede aarde. Maar al spoedig vond men de synthese godsdienst, cultuur en wetenschap onhoudbaar. Christendom vermengd met scheikunde, spotte Multatuli.”

En dan nog die onderlinge verdeeldheid…

Krijger: “De mystieke jongeren, de malcontenten en de rechtsmodernen die de moderne richting begin twintigste eeuw te intellectualistisch, te individualistisch en te weinig christocentrisch vonden, grepen terug op een in orthodoxe termen verwoorde geloofsbeleving. Het ging weer over Christus in plaats van de historische Jezus van Nazareth, het begrip zonde kwam weer terug. Tegen deze groepen vormde zich weer een tegenbeweging, die toenadering wilde tot theosofen en spiritisten. Kortom, begin twintigste eeuw was het hervormingsmotief al ondergesneeuwd onder grote onderlinge verdeeldheid, en stelden vrijzinnigen alles in het werk om verdere marginalisering te voorkomen. Om te overleven richtten ze een eigen omroep op, de VPRO, een eigen jeugdbeweging, enzovoort. Ook in het buitenland bleef het vrijzinnig christendom een beweging aan de rand. Om dezelfde reden: een niet geconcretiseerde hervormingszin en een te beperkte maatschappelijke inbedding.”

Nu is een tweede Reformatie, wat de Nederlandse vrijzinnigen wilden, ook wel heel erg hoog gegrepen, niet?

Houweling: “Klopt, maar aan de andere kant hebben de modernen van het begin af aan geweten dat iedereen aan dat doel zijn eigen betekenis zou hechten. Zo zitten vrijzinnigen nu eenmaal in elkaar. Ze nemen heel veel hooi op hun vork, maar vragen zich tegelijkertijd af: ach, wat stellen we eigenlijk voor, we zijn zo klein en worden we het wel eens? Ja, vrijzinnig zijn is een worsteling, maar wel een mooie.”

Krijger: “Het vrijzinnige nest heeft altijd vogels van velerlei pluimage gekend. Vrije denkers waren het. Door die verschillen kwam men er maar niet uit hoe de vrijzinnige idealen in praktijk moesten worden gebracht. Met die worsteling ging zoveel tijd heen dat vrijzinnigen steeds minder zicht kregen op wat er in de maatschappij werkelijk aan de hand was. Ze wisten zich niet goed raad met de gevolgen van de emancipatie van arbeiders, protestanten en katholieken, wat het vrijzinnige isolement nog versterkte.”

De Nederlandse Protestanten Bond NPB had moeten uitgroeien tot de parel van de modernen. Hoe heeft men dat geprobeerd?

Krijger: “Opzoomer, in 1870 een van de oprichters van de NPB, wilde nieuwe rituelen invoeren, maar dat is nooit gelukt. De NPB werd geen alternatief voor de kerk, zoals de bedoeling was, maar een alternatieve kerk. Een kerkje naast de kerken. In de NPB zie je de hele vrijzinnige geschiedenis weerspiegeld. Vrijzinnigheid is eigenlijk een voortdurende identiteitscrisis.”

Houweling: “Die tot op de dag van vandaag doorgaat. Een voorbeeld: de vraag is, zoals in 1900, nog steeds: moeten we kerkdiensten houden of niet? En zo ja, doen we dat dan met nieuwe rituelen en liederen of niet? Zo nu en dan zie je vernieuwing, maar het is ook weer typisch vrijzinnig om daar geen traditie van te maken. Een oud lied als ‘De Heer is mijn herder’ is in bepaalde kring nog altijd zeer populair. Dat komt mede door de instroom vanuit de orthodoxie. Met hun gebruiken, zoals ook het Avondmaal, wordt rekening gehouden.”

Over instroom gesproken, de vrijzinnigheid heeft voornamelijk te maken met krimp. Uit een recente studie blijkt dat de aanhang van de PKN tussen 1970 en 2010 met 55 procent is afgenomen, maar die van de vrijzinnig-protestanten met 68 procent. Er zijn nog zo’n 180.000 geregistreerde vrijzinnigen over in Nederland.

Houweling: “Die getallen ken ik niet uit mijn hoofd, maar dat er van afkalving sprake is, is evident. Maar geldt niet in het algemeen: wie wordt tegenwoordig nog ergens lid van? Je moet Vrijzinnigen Nederland zien als een verzameling van 41 afdelingen waarbij de ene afdeling beter loopt dan de andere. Veel afdelingen draaien puur op vrijwilligers. Er zijn grote onderlinge verschillen: Wassenaar en Bilthoven bijvoorbeeld wortelen in een intellectuele traditie, Ameide in een agrarische. In Weesp hebben we onze Van Houten- ‘kathedraal’, in Varsseveld het blazersensemble. We hebben religieus-humanisten en -atheïsten onder ons, post-christenen en theosofen. Maar de overeenkomst is steeds: zingeving in groepsverband. Samen onderweg naar een visioen van gelijkwaardigheid, duurzaamheid en verbondenheid.”

Krijger, zelf behorend tot de Protestantse Kerk in Nederland, PKN: “De vrijzinnige identiteit was en is vloeibaar, omdat die wordt opgebouwd in samenspraak met cultuur en maatschappij.”

Houweling: “De vraag is dan: hoe blijf je profetisch? Wat mij betreft moet het bij vrijzinnigen niet gaan over de verlammende vraag: wat is onze identiteit? Daarop antwoordde onze voorzitter in 2014: onze identiteit is een werkdocument. Geheel terecht. Belangrijker is: wat is onze rol in de samenleving? Wel, dat is een vrijzinnige bijdrage leveren aan zingeving en stem zijn in het levensbeschouwelijk debat.”

Ruim anderhalve eeuw na het ontstaan van de moderne richting kun je constateren dat niet de vrijzinnigheid heeft gewonnen, maar de orthodoxie. De PKN is grotendeels orthodox.

Houweling, lachend: “Wij willen niet de PKN overnemen!”

Krijger: “Ook in de PKN zie je dat vrijzinnige ideeën redelijk breed worden gedragen. Maar, zoals ik in mijn proefschrift stel, komt dat niet zozeer door de invloed van vrijzinnige kerkgenootschappen, maar door een autonoom proces binnen de PKN zelf. Zo’n halve eeuw geleden liepen midden-othodoxe hervormden en kuyperiaanse gereformeerden in toenemende mate vast in hun eigen leerstellingen.”

Is de strekking van dit proefschrift voor u Wies Houweling, als voorvrouw der vrijzinnigen, al met al niet een beetje teleurstellend?

“Helemaal niet. Ik ben juist heel blij met deze dissertatie. Voor het eerst is de vrijzinnigheid in Nederland zo breed en diep onderzocht. Vrijzinnigen waren nooit groot en zullen dat ook nooit worden. Bovendien: maatschappelijke veranderingen komen altijd uit de marge.”

‘Christendom vermengd met scheikunde, spotte Multatuli’

One thought on “Vrijzinnigheid als voortdurende identiteitscrisis

  1. Het boeiende artikel ‘Vrijzinnigheid-als eindeloze identiteitscrisis’ van Willem Pekelder,van zaterdag 19 maart las ik met belangstelling als heidense kleinzoon van prof. Gerrit Jan Heering. Maar ik miste voldoende aandacht voor de volgende vijf onderwerpen.

    1. Getallen over het aantal deelnemers aan de vrijzinnige beweging (VB)
    tijdens haar bloeiperiode in de eerste helft van de 20e eeuw. Die
    getallen vind ik ook niet in
    https://nl.wikipedia.org/wiki/Remonstranten#Bloeiperiode,
    https://nl.wikipedia.org/wiki/VPRO of in het boek Staat in de Vrijheid
    door Hoenderdaal en Luca (De Walburg Pers, 1982). .Ik schat het op
    50.000 deelnemers op haar hoogtepunt; of was het meer?

    2. Het christenpacifisme vond een warm pleitbezorger in de VB in het
    interbellum in de vorm van Kerk en Vrede, zie
    https://nl.wikipedia.org/wiki/Kerk_en_Vrede Ongetwijfeld weet mevr.
    Houwelink hier als oud-bestuurslid meer van! GJH droeg zijn steen bij
    o.a. middels zijn veel gelezen en in de drie moderne talen vertaalde
    boek De Zondeval van het Christendom (1928 (Bijleveld; 4e dr. 1953).

    3. De politiek vrijzinnige sociale bewogenheid die tegen de idealen van de
    socialistische arbeidersbweging aanleunde en ook anti-statelijke trekken
    vertoonde; misschien mede o.i.v. het protest tegen de staat omdat die
    het gebruik van geweld goedkeurt. Hoewel het proefschrift van Krijger
    niet meer over dat tijdvak gaat maar uw artikel wel, is deze
    anti-statelijke politieke opstelling bij een deel van de vrijzinnige
    beweging ook terug te vinden in na-oorlogse (WO2) pacifistische protesten (tegen
    kernwapens, de neutronenbom, de opstelling van kruisraketten en de
    Amerikaanse Vietnam-oorlog b.v.) en in de houding t.o. het communistische
    Europese oostblok, die je nu als “fellow-travelers”, meelopers,
    betitelt. Ik bezit drie uitreksels van de BVD die gewag maken van het
    bijwonen van pacifistische bijeenkomsten door prof. H.J. Heering, een
    zoon van GJH of door een andere zoon van hem, A.H. , mijn vader.

    4. “Er mocht wel een persoonlijk godsdienstig gevoelsleven zijn, maar
    dat moest zich verstandelijk uiten.”zegt Krijger. Daarnaast speelde het
    geweten een belangrijke rol in de geloofsopstelling, omdat dit een door
    hun god, God, gegeven installing zou zijn waar haast onvoorwaardelijk
    gevolg aan moest worden gegeven. Uitte zich dit in het interbellum in
    christen-pacifisme, met soms militaire dienstweigering voor jonge mannen
    tot gevolg, na WO 2 leidde dit tot het zich bezig houden met een waaier
    aan ethische, zedelijke, onderwerpen zoals abortus, euthanasie en
    homosexualiteit.

    5. GJH hield zich tijdens WO 2, nadat de Duitse bezetter de R.U. Leiden sloot wegens de studentenstaking na de protest rede van de Leidse rector-magnificus Cleveringa november1940 tegen het ontslag van de joodse hoogleraren, met zijn theologische studenten bezig met de Openbaringen, waar hij vlak voor WO
    2 Geloof en Openbaring over schreef, zoals Braakman (Narratio, ongeveer
    2005) beschrijft in Heimwee naar het Koninkrijk. Dat verving actief
    verzet tegen de overheid, de bezetter,al liet hij duidelijk weten daar
    fel tegen te zijn. Woorden. maar nauwelijks daden. Dit zich
    terugtrekken uit de boze buitenwereld en zich wenden tot het geloof door deze
    geestelijk leider van de VB, de “Paus der Remonstranten”, droeg bij
    tot de zondeval van de vrijzinnige beweging. Als zonde beschouw ik het
    niet genoeg in geweer komen tegen de jodenvervolgingen en niet mede leiding te hebben gegeven aan het verzet. Het door zijn god, God,
    gegeven geweten liet het hierin afweten bij hem. Vergelijk met de
    uitroep van de Haagse remonstrantse ds. Klein, die al in mei 1945 zei: “wij hadden
    eigenlijk tijdens de oorlog onze kerken moeten openstellen voor de Joden
    om ze op te vangen”; in deze uitspraak uit zich ook een geestelijk
    afstandelijke en lijdzame opstelling en gebrek aan naastenliefde: een
    gemis aan een saamhorigheids gevoel op het noodzakelijke moment.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *