Tegen de trouweloosheid

We zweven door het leven. Partijen, Facebook-vrienden en liefdes, alles is inwisselbaar. Daarmee maken we onszelf en onze instituties leeg.

Kunnen we er nog mee stoppen? Met dat gezweef van politieke partij naar politieke partij? Van bevrienden naar ontvrienden? En van date naar date? Waarom zijn we veranderd van mensen met vaste grond onder de voeten in ronddwarrelende elementaire deeltjes? Niets meer zeker, nergens meer houvast of diepte.

In zijn roman ‘De Cirkel’ (2013) legt schrijver Dave Eggers de vinger op de zere plek: het wereldwijde web. Hoofdpersoon is Mae Holland. Ze werkt op de klantenservice van De Cirkel, het grootste internetbedrijf op aarde. Binnen luttele seconden zweeft ze van een klant in Michigan, die wil dat Mae reclame gaat maken voor zijn koeltransportbedrijf, naar eentje in Florida die van haar een beoordeling vraagt van zijn vogelfoto’s (‘want ik wil graag bij de fotoclub’), naar diens nichtje Nathalie die lovende woorden wil voor haar B&B in de buurt van Miami.

Zo nu en dan voelt Mae in haar binnenste een pijnlijke scheur opengaan, waaronder zich een afgrond van duisternis bevindt. Het is zo’n sporadisch moment waarop ze als internetverslaafde beseft hoe eenzaam ze is: haar ouders verwaarloost ze, echte vrienden heeft ze niet meer, haar ‘liefdesleven’ bestaat uit one night stands. Een akelig gevoel dat alleen maar kan worden gestild met nóg meer online-verslaving.

Gelukkig is het met u en mij niet zo ernstig gesteld als met Mae, maar misschien herkennen we wel iets van haar tomeloze onrust. Een ‘fronsje’ hier ( tegen een dictatuur die we niet weten te liggen), een ‘smile-tje’ daar (voor een milieuactivist van wie we de naam kwijt zijn ). En snel die berg emails wegwerken, want er wachten nog tien sms’jes en vijf app’jes. En we mogen niets vergeten, want iedereen moet bevestigd worden.

Daar gaat het om: bevestiging. Zoals bij Mae. Vogelfoto’s van wildvreemden de hemel inprijzen doet ze zonder morren in een wip. Ten minste, zolang de klanten op hun beurt bereid zijn Mae honderd punten te geven voor haar dienstverlening. We leven in een tijd waarin alles is vermarkt, inclusief wijzelf. De Franse schrijver Michel Houellebecq (‘Elementaire deeltjes’) zei het al in 1999 in De Groene Amsterdammer: “Alle mensen die ik ontmoet zijn bezig zichzelf te verkopen aan anderen. En als je jezelf eenmaal hebt verkocht moet je daar ook mee doorgaan. In bedrijven besteden werknemers daaraan meer tijd dan aan hun eigenlijke werk. In liefdesrelaties gaat ook heel wat tijd naar jezelf verkopen aan de ander. De eerste keer met elkaar naar bed is een inspanning om je eigen kwaliteiten in de verf te zetten. Maar ook daarna is niets definitief verworven.”

Je moet je hele leven, tot aan je oude dag toe, mooi en verleidelijk blijven. Het uiterlijk is, sinds het verdwijnen van de ziel, dé identiteitsbepalende factor geworden van de moderne mens. En met dat uiterlijk moet gescoord worden, zoveel als mogelijk. Ooit sprak ik dr. Liesbeth Woertman (o.a. ‘Moeders Mooiste’, 2003), hoogleraar psychologie. Zij vertelde dat cosmetische klinieken vol zitten met mensen die wanhopig proberen te blijven meedraaien in de liefdes-ratrace.

Internet heeft in het westen de grootste paradigma-wijziging tot stand gebracht sinds de komst van het christendom. Het wereldwijde web is onze nieuwe bijbel die ons gedrag en onze normen en waarden dicteert. Google is god en Facebook zijn eniggeboren zoon. Met dit verschil dat het duo ons dag en nacht ongenadig in de gaten houdt en onze ‘zonden’ vergeet noch vergeeft (tenzij je, bij wijze van aflaat, een weinig kansrijke en omslachtige Google-vergeet-me-procedure durft te beginnen). Zaak dus om bij het tweetal in een goed blaadje te staan. Ook daarom is iedereen zichzelf aan het marketen.

Mens-zijn op zich is niet meer voldoende, je moet geliket worden. En als jij mij liket, dan like ik jou, of we elkaar nu kennen of niet. Diep van binnen voelen we de leemte (de afgrond van Mae), maar ons is met succes wijsgemaakt dat dít in de 21ste eeuw contact is: rondzweven op het wereldwijde web, op zoek naar bevestiging van vreemden.

Zelfs een eeuwenoud instituut als de kerk is aan het marketen geslagen Misschien dankzij de theoloog Anne van der Meiden. Die schreef in 1999 in ‘De markt van geloven’: “Vraag en aanbod in de kerken zijn niet juist op elkaar afgestemd.”

Nou, da’s goed veranderd. ‘Vind het antwoord in jezelf’, roept het Apostolisch Genootschap. Dus niet in een traditie of geschrift, nee in jezelf. ‘Mijn God gelooft in mij’, adverteren de Remonstranten. Je denkt: kerk-zijn, dat had toch te maken met diepgang en gemeenschap, maar dit lijkt meer op André Hazes: ‘Hij gelooft in mij, Hij ziet toekomst in ons allebei!’ Gaat het ook in de kerk alleen nog maar om het eigen geweldige ik? De kerk liket je. En nu moet jij terug liken. Door lid te worden.

Misschien was de volgende slogan beter geweest: Mijn God heeft een kanjer van een Zoon. Oké, marketing op z’n Erica Terpstra’s, maar wellicht met wat meer theologische inhoud en een wat wijdere draaicirkel dan louter het individu.

Vraagt nu niemand zich af: zouden we niet liever écht contact hebben dan te zweven van Remonstrantse naar Apostolische zeepbellen? Waarom zouden we elkaar niet met hart en ziel willen leren kennen? Waarom zouden we de intensiteit van het leven niet meer wensen? Natuurlijk willen we dat wel. We moeten alleen worden wakker gekust . Door Jan Terlouw bijvoorbeeld.

Zijn oproep eind vorig jaar in ‘De wereld draait door’ om het touwtje terug te hangen in de brievenbus, bracht een tsunami aan instemmende reacties teweeg. En een come back voor de oud-D66-leider. Wekelijks houdt hij door heel het land speeches met steeds dezelfde boodschap: heb contact met elkaar, werk samen!

Terlouw hield zijn tv-pleidooi met tranen in de ogen. Alsof hij de eenzame pijn ervoer van Mae: de scheur, met daaronder die afgrond van duisternis. En we voelden massaal met hem mee. Het was geen tv-uitzending, maar de oerknal van herontwakend nabuurschap. Een collectieve beleving van heimwee, gemis en verlies. Plotseling beseften we weer dat we niet zo zelfredzaam en autonoom zijn als Den Haag ons wil doen geloven (D66, kampioen flexbanen, voorop), maar dat we elkaar nodig hebben om onze leegte te vullen.

Dat touwtje komt niet meer terug, dat weet iedereen. We willen het ook niet. Het hoort bij de jaren vijftig waarin we werden bevoogd door de overheid en onderdrukt door de kerk. Maar wat Terlouw ten diepste bedoelde is dit: vertrouw elkaar. Ik zeg het hem graag na, en vertaal het zo: laten we ophouden met zweven tussen politieke partijen, tussen virtuele Facebook- vrienden en tussen dates en hypes. Laten we ophouden om bij elke verkiezing te kijken naar what’s in it for me. Laten we weer in één partij geloven en daar trouw aan blijven. Meld je aan als lid en beslis mee op vergaderingen.

Alleen wíj kunnen politieke partijen veranderen van zielloze marketingmachines in clubs die weer ergens voor staan. Bin Ich’s? Ja, Ich bin’s, om de Matthäus Passion te citeren. Wíj zuigen met ons gezweef de instituties leeg, en dwingen Den Haag ons uit de lucht te plukken met steeds spectaculairder vliegenlijm: ’Doe normaal’, ‘Pleur op’ of ‘het Wilhelmus terug’. Politici krijgen op tv één minuut de tijd om hun boodschap uit te leggen, want wij zijn snel verveeld. En om aan onze hang naar spektakel tegemoet te komen organiseren ze talentenjachten à la ‘The voice of Holland’. Wie wilt u: Samsom of Asscher? De afloop is bekend: een politieke broedermoord en een PvdA in doodsnood.

Wíj zorgden ervoor dat het zieltogende CDA zes jaar geleden tv-presentatrice Jacobine Geel moest inhuren om de christen-democratische uitgangspunten te ‘hertalen’. Geel schreef een dik rapport, en daarna hoorden we er nooit meer iets over. Terecht. Immers, wat is er zo onbegrijpelijk aan gespreide verantwoordelijkheid, publieke gerechtigheid, solidariteit en rentmeesterschap? Hoezo moet je dat ‘hertalen’? Alleen om met wat modewoordjes (tijdelijk) de wispelturige kiezer te lokken?

Blijft de vraag: hoe verlossen we onszelf mentaal uit de zweefmolen? We zijn toch allemaal kinderen van deze tijd? En zeer gesteld op onze individuele vrijheid? Zeker, dat is zo, en terecht. Maar misschien moeten we ons individualisme niet zodanig laten uitgroeien dat we nog verder ontworteld raken, en de mensenwereld om ons heen alleen nog maar kunnen zien als door ons te consumeren waar. Een bestaan waarin slechts telt dat wij zelf een goede tijd hebben, en waarin klassieke deugden als naastenliefde, gematigdheid en rechtvaardigheid er niet meer toe doen. Of zoals de Amerikaanse auteur Andrew Keen het in ‘@-cultuur’ (2008) beschrijft: “Een wereld van digitaal narcisme, waarin onze kenniscultuur ten onder zal gaan, en alleen de eigen vierkante meter telt.”

Om aan dat (digitaal) narcisme te ontkomen, zou je, in het verlengde van die deugden, het perspectief eens kunnen verleggen: wat heeft de ánder aan mijn aanwezigheid? Of sterker geformuleerd: ben ik de ander mijn support zelfs niet verschuldigd? Dat kan over heel simpele dingen gaan. Bijvoorbeeld trouw blijven aan je zorgverzekeraar. Ik zit er bij één waar de directeur oprecht voor zijn verzekerden opkomt en de telefoon nog wordt opgenomen door een echt mens. Alleen al om dat te ondersteunen blijf ik lid, al ben ik elders wellicht goedkoper uit.

Of de tandarts. Ik zit al veertig jaar bij dezelfde tandarts. Ik vind dat hij dat verdient. Niet alleen omdat hij, en later zijn zoon, mij altijd perfect heeft behandeld (‘ baas in eigen bek’, was het credo van senior), maar ook omdat mijn overleden ouders er patiënt waren. Ik blijf dus ook uit dankbaarheid en om het vertrouwen te continueren. Senior assisteert zijn zoon nog altijd één dag per week op de praktijk, en ik vind het een genoegen om met hem te praten over het dorp waar mijn ouders destijds woonden. Ik wandelde van de vader naar de zoon, en zocht geen goedkopere tandarts toen de tarieven werden vrijgegeven.

De les van Terlouw is van eminent belang: probeer met ogen van vertrouwen te kijken in plaats van ogen met alleen maar dollartekens. Die keren dat ik het laatste deed, bevielen mij vaak slecht. Met huiver denk ik terug aan die zondagmiddag toen ik in de blubberige kruipruimte onder mijn woning een nieuwe digitale kabel moest trekken, vanwege een goedkopere provider. Nadat ik, ouwe centendief, bemost en bezoedeld weer boven water kwam, verzuchtte ik: waarom ben ik eigenlijk bij mijn vorige provider weggegaan? Die nota bene een winkel had met toegewijde medewerkers, waar je zo kon binnenlopen.

En als je het zweven nu écht niet kunt laten? Goeie vraag. Minstens de helft van de kiezers is naar schatting zwevende. Als je daartoe behoort is het niet realistisch te verwachten dat je morgen al weer met beide benen op de grond staat. Wat dan? Een goede kennis van me bekende laatst: “Ik zweef niet, ik wandel. Tussen PvdA en GroenLinks.” Wat een idee! Wandelen als tussenfase tussen zweven en binding. Wandelen tussen CDA en CU. Of VVD en D66. In de verwachting dat je je ooit ergens weer helemaal thuis zult voelen.

Je zou je ‘ns kunnen afvragen: wat heeft de ánder aan mijn aanwezigheid?

https://www.trouw.nl/samenleving/tegen-de-trouweloosheid~a90c6eee/

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *