Propagandist van God

Vijftien jaar geleden overleed Toon Hermans. Ter nagedachtenis hierbij het verhaal dat ik op 30 mei 1998 over hem publiceerde in het Algemeen dagblad. Het was Hermans’ laatste kranten-interview.

“Kijk”, zegt Toon, gezeten op het zonnige terras van zijn villa in Bosch en Duin, “zie je die grashalm daar bewegen? Dat is God. Een acrobaat in het circus, een clown, God is in alles, en in alles is God. Toen ik dat van de week aan een kloosterzuster vertelde, zei ze: ‘Dan bid je zeker de hele dag.’Maar mijn gebed is heel beperkt. Zodra ik het wil formuleren, kan ik het al niet meer. Het is een gevoel. Zoals liefde een gevoel is.”

In zijn nieuwste boek ‘Gewoon God’- samengesteld door Mieke Mosmuller, een arts met dezelfde nieuwsgierigheid naar de zin van het leven als Toon – probeert de 81-jarige artiest dat Gods-gevoel onder woorden te brengen. Misschien kan hij andere mensen helpen in hun zoektocht naar de Waarheid, is zijn hoop. Niet dat Toon zelf alles zo goed weet. Integendeel. Verschillende keren onderbreekt hij het interview met de mededeling dat hij liever zwijgt, omdat hij eigenlijk niets weet. Het zijn geen zekerheden maar gewaarwordingen die hij verkondigt.

Een zwijgende Toon Hermans, dat zijn we niet gewend. “Door die verdomde publiciteit hebben de mensen een vertekend beeld van mij, waardoor niemand mij kent zoals ik ben! De grootheid van de theaterman Toon is piepklein. Als je de meetlat ernaast legt, dan bestaat die grootheid zelfs helemaal niet. Gezichtsbedrog. Er wordt bijna alleen maar gebabbeld in de wereld. Mijn spreken is altijd een parodie geweest op sprekers. Nogmaals: Ik weet niets.”

Ook in ‘Gewoon God’geeft hij volop de ruimte aan zijn vragen en twijfels, die hij verwoordt in tweegesprekken met Mieke Mosmuller. Toch zegt Toon: “Schrijven over God gaat mij makkelijker af dan praten. Als je schrijft, denk je dieper na.”

Eén positieve reactie op het boek is al binnen. “Een vrouw, hoogbegaafd en erudiet, kreeg een hersenbloeding, waarna ze een tijdlang wat timide en labiel was. Ze las ons boekje en zei: ‘Ik ben beter.’Het geloof in God had haar nieuwe kracht gegeven. Ik weet natuurlijk niet of die genezing echt door ons boekje komt, maar die vrouw heeft dat zo ervaren.”

Stilte. Secondenlang. Dan: “Alles wat wij over God zeggen, is nietig gewauwel. Wat ik zeker weet, is dat God geen Sinterklaas is die geeft wat je vraagt, maar verder… Alleen stilte is God. De mensen hebben altijd naar God gezocht. In het Oude Testament trokken ze de woestijn en de bergen in om daar waar het bloedstil is het bovennatuurlijke te treffen.”Glimlachend: “Nu spreek ik mezelf natuurlijk tegen. Eerst vertel ik dat God in alles aanwezig is, zelfs in die grashalm, en dan kun je één minuut later moeilijk beweren dat je de bergen in moet om God te zien. Maar ik kan niet anders dan in tegenspraak over God spreken. Iemand die zegt precies te weten wie of wat God is, is mesjogge.”

Een volgende ‘radio-stilte’valt. In de tuin van Toon zijn alleen de vogels nog te horen die vrolijk kwinkeleren en zich nergens druk over lijken te maken, al helemaal niet over God.

Toon: “Het maakt God geen fluit uit of we over hem praten of niet. Hij blijft toch wel bestaan. De zon houdt ook niet op met schijnen, evenmin de regen met regenen, wat wij daarvan ook mogen vinden. Ik ben een propagandist van God, een spreekbuisje, maar God heeft mijn propaganda niet nodig. Hij is geen Coco-Cola. In de jaren zestig heeft de wetenschap, sommige theologen incluis, geprobeerd God dood te verklaren. Het ging op een manier zoals Goebbels propaganda maakte tegen de joden. God leefde door, maar de God-is-dood-doctrine heeft wel de epoque van de afbraak ingeluid.”

In hun boek schrijven Toon Hermans en Mieke Mosmuller dat die ‘Godloosheid’heeft geleid tot een ernstig verloederde samenleving, waarin de moraal op allerlei gebied is verdwenen: liefde, huwelijk, vriendschap, cultuur. Het enige wat nog teltin de moderne maatschappij is geld. Zo verliezen we stilaan de joie de vivre.

Toon neemt een slokje van zijn mineraalwater. Prikkelhoest. Komt door de pollen in de tuin. “De tv is erger dan de atoombom. Dat er 220 miljoen mensen hebben gekeken naar het Eurovisie Songfestival, dat is toch te knullig en te lullig voor woorden! Weet je hoeveel mensen dat zijn, dat kun je je niet voostellen. En wat zien ze? Een Noors zangeresje van wie ze de taal niet eens verstaan! Het Songfestival is het grootste drama van deze tijd. Als ik naar de tv kijk, zie ik een zee die leegloopt. Er moet geestelijk voedsel de kamer binnenkomen, maar ze geven je zesendertig biefstukken. Daarvan krijg je indigestie. Eén op de duizend mensen zegt iets zinnigs, maar dat geeft de heren Philips en Sony toch niet het recht om zo’n wauwelbak in je huiskamer te zetten?! Ze verkopen je er alvast een afstandsbediening bij omdat ze veronderstellen dat de programma’s je toch niet zullen bevallen. Het water, de essentie van het leven, sijpelt weg. Er is geen waarheid meer over. God zegt: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven.’ Mensen zijn, misschien in steeds grotere aantallen, op zoek naar die waarheid. Want de leegte is groot en de mens hulpeloos.”

Toon staat op en geeft een korte rondleiding door zijn woning. Op de televisie (jawel) een foto van Toon met Tony Bennett. Aan de muur de enige foto die Toon ooit heeft gemaakt: zijn vrouw Rietje in ‘gesprek’met een vogel die stukjes brood pikt uit de schotel in haar handen. ‘Ook dat is God’, hoor je Toon denken. Elders een portret dat Toon in zijn jeugdjaren maakte van de deken van Sittard, die de arme familie Hermans soms wat geld toestopte.

Katholiek noemt Toon Hermans zichzelf niet meer. “Het is te beperkt. Ik voel dat God bestaat, maar dat geloof hoeft geen naam te hebben. Van de katholieke God uit mijn opvoeding is weinig meer over. Islam, jodendom en christendom, ze hebben andere gebouwen en andere rituelen, maar het komt allemaal op hetzelfde neer: God is liefde en liefde is God. Ik wil niet zeggen dat de Kerk overbodig is. Ik ben niet zo’n fan van het Vaticaan, maar als er geen kerken zouden zijn, en ook geen moskeeën en synagogen, waren we ongelukkig. Het zijn verschillende wegen om tot God te komen.”

“God is niet christelijk, de oer-God is van ons allemaal. Denk maar aan het Bijbelverhaal over de kruisiging. Op Golgotha hing een moordenaar die zijn hele leven nog geen enkele seconde aan God had gedacht. En die zei één zinnetje… Het is me ontschoten. Nou, dat zei hij natuurlijk niet…. Hij brabbelde een paar woorden, zijn laatste woorden. En toen antwoordde Jezus: ‘Maak je niet ongerust, vandaag nog zul je met mij in het paradijs zijn.’Als je dát te horen krijgt wanneer je je laatste adem uitblaast, dan kun je vertrekken. Als God dat tegen mij zou zeggen, was ik de gelukkigste man op aarde.”

“Christus speelt een hoofdrol in mijn bestaan. Zoals je hebt kunnen zien, hangt zijn kruisbeeld bij mij boven de trap. Hij is de eerste die ik ’s morgen zie en de laatste als ik ’s avonds naar bed ga. Hij is mijn entree en sortie. Christus is steeds in mijn omgeving, dat voel ik. Ik zeg dat niet uit vroomheid, maar uit een gevoel van natuurlijke vriendschap. Ik heb zoveel respect voor die man dat ik hem zou willen omarmen. Ik probeer Christus na te volgen, maar toch voel ik mij geen christen. Ik ben het met lang niet alles eens wat de Kerk verkondigt. De enige reden dat ik wel eens naar de mis ga, is om de hostie,  het lichaam van Christus, te ontvangen.”

Is de Bijbel voor hem Het Boek of ‘slechts’een van de vele geschriften waaruit de mens wijsheid kan putten? “De Bijbel is prachtig, maar onvolledig. Ik heb verschillende boeken over de Bijbel gelezen – ik ben nu bezig met ‘De onbekende Jezus’van Joanne Klink – en langzaam maar zeker ontdekt dat er grote hiaten in de Schrift zitten. Hoe was Jezus als kwajongen, hoe was de relatie met zijn zuster? Is hij getrouwd geweest? Ik lees er helemaal niets over. Ik mis een heel stuk van zijn leven.”

“Voor de dood ben ik niet bang. Nee. Ik zou willen weten wie de dood is. Ik kreeg gisteren een bidprentje van een overledene en die stond er schaterlachend op. De dood is niet alleen luguber, maar heeft ook iets komisch, iets lachwekkends. Als je ziet hoe mensen met afgezakte smoelen rond zo’n groeve staan. Alsof er nog nooit iemand is overleden! We staan zo ver van de dood af. Daar komt ook het machtsbesef vandaan. Mensen voelen zich machtig omdat ze de dood niet kennen. Geen enkele menselijke macht is zo sterk dat hij de dood aankan: we zijn machtig uit onmacht. We lachen van verdriet.”

“Wat de hemel is? Dat weet ik niet.”Toon is stil, staat op en kucht. “Het zijn de pollen. De pollen.”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *