Predikanten van de kunst

Pierre Janssen (Kunstgrepen) en Henk van Os (Museumschatten, Beeldenstorm) gingen hem voor als kunstpresentatoren. Mag Wim Pijbes met Panorama Pijbes zich straks één van de Grote Drie noemen?
Wim Pijbes
Wim Pijbes

Een betoverende ervaring: Pierre Janssen, Avro, Kunstgrepen. De opname uit het Beeld en Geluid-archief is vijftig jaar oud, maar Janssen spreekt nú tot ons, dat lijdt geen twijfel. Hij kijkt ons recht in de ogen, met bijna smekende blik. Alsof hij door de beeldbuis heen wil breken, pal onze woning in. Waar hij ons bij de arm zal vastpakken en fluisteren: Kom, ik neem je mee naar Rome, we stappen nu op het vliegtuig!

Pierre Janssen († 2007)deed veel meer dan een kunstprogramma presenteren. Hij schiep met zijn overrompelende voordracht een wereld van verbeelding in de huiskamer. De kijker zag niet wat hij zag. Ja, bronzen panelen van Giacomo Manzù op de deuren van de St. Pieter, maar in ‘werkelijkheid’ maakte hij aan de hand van de presentator een wandeling door de Eeuwige Stad.

Wonderlijk hoe ‘Kunstgrepen’ (1959-1972) met de geringe techniek van die jaren tot zo’n imponerend tv-programma kon uitgroeien. Zwart-wit, een ‘saaie’ studio, geen muziek . Alleen een man in een pak. Maar dat was genoeg. Zo mager als hij was zo groot was zijn pathos: brandende ogen, trillende handen. Hij pakt een stoel en zegt: ‘In deze stoel zit tijd. Maar de tijd bederft en dan wordt de stoel een lor.’ Vervolgens toont hij een bronzen stoel met bronzen vruchten van de Italiaanse beeldhouwer Manzù en zegt: ‘Hier is de tijd uitgesijpeld. Dat geeft het kunstwerk eeuwigheidswaarde. En daar draait het bij kunst vaak om.’

Pierre Janssen
Pierre Janssen

Een paar dagen later, Henk van Os in chique grijs geruit pak in café Luxembourg. Hij vraagt welke Kunstgrepen we hebben teruggekeken. ‘Eentje uit januari 1967? O, was dat die over de panelen van Manzù?’ Oké, Van Os (79) is gespecialiseerd in Italiaanse kunst, maar dat hij zich een halve eeuw na dato de inhoud van die Rome-uitzending nog weet te herinneren, zegt toch wel iets over de indruk die Janssen heeft achtergelaten.

Zelf presenteerde de oud-directeur van het Rijksmuseum tussen 1989 en 2006 twee legendarische kunstprogramma’s: Museumschatten (Vara) en Beeldenstorm (Avro). Net als Janssen deed hij dat vanuit de studio. Weliswaar niet live, zoals zijn voorganger, maar evengoed uit het blote hoofd, met achter zich slechts een afbeelding van een kunstwerk. Ook hier eenvoud in vorm, opdat de inhoud des te beter tot zijn recht zou komen. Maar Van Os stopte er zo nu en dan ook graag een grap in. Dan verkleedde hij zich bijvoorbeeld als bodybuilder om te illustreren hoe een patriciër uit Haarlem zich liet schilderen als Hercules.

Elke aflevering moest in één zin zijn samen te vatten, dan was ze geslaagd, vond Van Os. De catch, noemde hij die artistieke opgave . Bij de uitzending met de Haarlemse patriciër was de catch: ik wil ook wel een mooier lichaam dan ik heb. Of bij een aflevering over schuttersstukken: hoe iets wat op zich stijf is een spannende menselijke aanwezigheid wordt. Zie De Nachtwacht.

En net als Janssen (twee miljoen kijkers) kreeg Van Os (een miljoen op prime time) uit sommige kring het verwijt dat hij kunst ordinair maakte. In tien minuten iets verstandigs zeggen over een schilderij, dat had natuurlijk niets met kunst te maken. Het glijdt langs hem af, deze ochtend in Luxembourg. Elke wetenschappelijke vraagstelling van de kunstgeschiedenis is heel eenvoudig uit te leggen, vindt Van Os. Doe je daar ingewikkeld over dan ben je een obscurantist (Van Dale: iemand die de beschaving bij het volk wil weghouden).

Met pretogen herinnert hij zich hoe hij ooit met een mevrouw uit Bloemendaal voor De Nachtwacht stond. Om hen heen krioelde de schooljeugd. ‘Professor, wat moeten al deze mensen toch met ónze kunst?!’, had de dame geroepen. ‘Vooral dat professor, dat maakte het helemaal af’, grinnikt de oud-hoogleraar kunst- en cultuurgeschiedenis.

Om begrijpelijk te blijven voor de kijker had Van Os zich een adviescommissie gevormd met daarin onder anderen zijn taxichauffeur en de man van de melkwinkel. ‘Zal ik volgende keer iets vertellen over het maniërisme?’, opperde de presentator ooit. ‘Ach, houd toch op met dat gezeur’, riep een commissielid. Geen maniërisme.

Van Os deed het voor de kijker, maar meer nog voor het Rijksmuseum. Het was 1988. Cultuurminister Brinkman (CDA) waarschuwde: die 40 miljoen subsidie komt in gevaar als het Rijksmuseum zo weinig Nederlandse bezoekers blijft trekken: 15 procent. Na Van Os’ tv-inspanningen steeg dat aantal naar 55 procent. ‘Ich habe meine Schuldigkeit getan’, stelt hij tevreden vast.

Bij Museumschatten was het armoe troef. Vara-voorzitter Marcel van Dam wilde graag een kunstprogramma, maar het mocht geen cent kosten. Zelfs voor montage was geen geld. Daardoor moest alles er in één keer goed op staan. Loodzware dagen waren het: opnamen van 10 uur ’s ochtends tot 5 uur ’s middags of langer, weet Van Os nog. Daarna linea recta met de taxi naar de masseur. ‘De grootste inspanning was om ontspannen te lijken’, vat Van Os zijn Vara-carrière samen. Bij Avro’s Beeldenstorm was het leuker, daar hadden ze meer geld.

Een van Van Os’ beste vrienden, wijlen Anton Boschloo, oud-hoogleraar kunstgeschiedenis in Leiden, ging eens mee naar de studio. Na afloop was hij verbluft. ‘Henk wat jij daar doet voor die camera, is een heel eigen vak.’

Een vak waarin Pierre Janssen voor Van Os geen voorbeeld was. Want Pierre was een acteur, en Van Os een ‘informateur’, een onderwijzer. Daar was hij ook op uitgezocht. Bij zijn voorganger ontwaart Van Os een existentiële drang om met het hele lichaam een verhaal te verwoorden. ‘Een curieuze man. Je dacht: wat is dat allemaal op tv, wat een drukte. Daardoor werd je nieuwsgierigheid gewekt. Ik gebruikte alleen mijn mond en handen. Daarmee hield mijn acteerkunst op.’

Ooit zei de oud-‘Beeldenstormer’: ‘Pierre overtuigt fantastisch, maar ik ben meer van het cognitieve.’ Toen hij Pierre, die hij redelijk goed kende, later tegenkwam op een feestavond van de Museumvereniging, was diens reactie: we kunnen vanavond over van alles praten, behalve over jouw programma. Van Os vraagt zich nog steeds af of Pierre dat zei omdat hij zich gegriefd voelde. ‘Dat was uiteraard niet mijn bedoeling, maar Pierre was een kwetsbaar man.’

Van zijn opvolger Wim Pijbes heeft Van Os hoge verwachtingen. Pijbes is,zegt hij, een verrassende man, iets wat, volgens Van Os, alleen al blijkt uit zijn NRC-columns. ‘En hij heeft een hoge aaibaarheidsfactor, wat van mij ook werd gezegd. Kijkers moeten een beetje van je gaan houden.’

Als Janssen acteur is en Van Os ‘informateur’, dan zou je Pijbes met een Frans woord ‘reporteur’ kunnen noemen. Pijbes, evenals Van Os oud-directeur van het Rijksmuseum, is niet alleen presentator of verteller. Hij is tevens een journalist die op reportage gaat en vragen stelt aan eigentijdse kunstenaars.

In die zin een levendiger vorm. Zoals bleek uit deel één van ‘Panorama Pijbes’ , waarin kunst van nu werd vergeleken met kunst van toen. Hedendaags fotograaf Bruno van den Elshout maakte een jaar lang elk uur van de dag foto’s van hetzelfde stukje Noordzee-horizon bij Kijkduin. Pijbes trok een treffende parallel met Mesdag, die dertig jaar lang steeds hetzelfde stukje strand in Scheveningen schilderde. En toch ontstonden bij beide kunstenaars telkens ‘nieuwe’ beelden. Op die manier werd, althans bij deze kijker, dat onlosmakelijk aan de kunst verbonden besef van eeuwigheid wakkergekust. Ongeveer zoals bij Pierre Janssen met zijn bronzen stoel van Manzù.

In een deftig kantoorpand aan de Parklaan in Rotterdam vertelt Pijbes (55) dat ‘Panorama Pijbes’ niet een kunstprogramma is in de strikte zin des woords. Het is vooral een ode aan de schoonheid van het Nederlandse landschap. En dat bezien met de blik van de kunstenaar. Is dat moeilijk, kijken door de ogen van de kunstenaar? Pijbes vindt van niet. Het woord pittoresk zegt, volgens hem, genoeg. Waarom noemen we iets schilderachtig? Omdat we door kunstenaars zijn getraind om iets mooi te vinden. Het landschap in de kunst is een Nederlandse vinding, doceert Pijbes. Het begon in de zeventiende eeuw met Van Goyen, Van Ruysdael, etc. Rembrandt heeft het genre ook nog even beoefend. In Italië en Frankrijk in die periode niets van dat alles.

Pijbes maakt met nadruk ook een maatschappelijk programma. In deel twee waarschuwt landschapsarchitect Adriaan Geuze voor het verdwijnen van de Hollandse polder als gevolg van bedrijven- en kassenbouw. Maar er gaat meer verloren: schaapkuddes en natuurlijke kleurstoffen. De Friese kunstenares Claudy Jongstra, die veel werkt met gekleurde en vervilte wol, verbouwt daarom nu haar eigen gewassen, en hoedt haar eigen schapen. ‘Wat ik nodig heb voor mijn kunstwerken, vind ik steeds minder in de natuur.’

Is het een gevaar voor de eeuwigheidswaarde van kunst, dat verdwijnende landschap? Met andere woorden: herkennen komende generaties straks de kunstwerken nog wel? Pijbes deelt de zorgen over de verrommeling en verarming van het landschap, maar zegt dat veel schilderijen nog steeds zijn terug te brengen tot het nu. ‘Ga de Merwede op en je ziet het Gezicht op Dordt van Van Goyen uit 1651. Het Gezicht op de Paleisstraat van Breitner, het Hunebed te Tynaarlo van Roelofs, al die plekken heb ik voor de serie bezocht, en de schilderijen zijn nog steeds heel goed te herkennen. Omgekeerd: Vermeer draaide een paar kerktorens om met als doel zijn Gezicht op Delft te verfraaien, maar niemand die zich zal afvragen: hé, is dat Delft?’

Wat Pijbes tijdens het maken van zijn NTR-serie het meest verraste, is de wijd verbreide liefde voor het landschap. Vissers, boeren, kunstenaars, architecten, er is een grote betrokkenheid. Het is die liefde voor schoonheid die Pijbes met zijn achtdelige reeks wil doorgeven. ‘Of zoals Cruijff zegt: Je ziet het pas als je het doorhebt.’

Van Pierre Janssen en Henk van Os heeft hij het een en ander geleerd. ‘Pierre maakt het grote verhaal klein. Bij het graf van Toetanchamon lijkt het alsof hij de farao persoonlijk heeft gekend. En ja, Henk. Hij is barpianist geweest, dus dan weet je wel hoe je de aandacht van het publiek moet trekken . Ik herinner me een van Henks colleges als student in Groningen. De vorige avond was ik flink uit geweest, en dan staat er ’s ochtends een man voor je die zegt: stel je voor, je bent non en je bevindt je voor de Dom in Keulen. Het gaat over Middeleeuwse kunst, maar dan wel verpakt in een verhaal over een non die boodschappen doet in een door de pest verwoeste stad. Je bent meteen klaarwakker.’

Het was best een moeilijke serie, zegt Pijbes aan het eind van het gesprek. ‘Leg maar eens uit wat perspectief is.’Of hij, zoals Janssen, door de beeldbuis is heengebroken, dat weet hij niet.

Maar dat is aan de kijker.

Als Janssen acteur is en Van Os ‘informateur’, dan zou je Pijbes met een Frans woord ‘reporteur’ kunnen noemen

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *