Prachtig monument voor Frank Sinatra

Wat een heerlijke verwennerij: ‘Sinatra – All or nothing at all’. Gisteravond al zo’n kleine twee uur kijk- en luistergenot, en dan hebben we donderdag de tweede helft nog tegoed. Frank Sinatra zou dit jaar 100 zijn geworden, een mooie aanleiding voor een monument, moet documentairemaker Alex Gibney hebben gedacht.

In die missie is de Amerikaanse regisseur wonderwel geslaagd. Hij maakte een meerlagige film, die aan de hand van leven en carrière van Ol’ Blue Eyes tevens de geschiedenis van de VS in de twintigste eeuw belicht (racisme, WO II, Korea-crisis, Kennedy, burgerrechten), en daarbovenop van de Amerikaanse populaire muziek: van Sinatra’s inspirator Bing Crosby tot en met Bruce Springsteen. Alsjeblieft!

Maar laten we beginnen met Sinatra zelf. Ingenieus hoe Gibney diens leven eigenlijk twee keer beschrijft. Allereerst door collega’s, familie en vrienden over hem te laten vertellen (allemaal buiten beeld en volledig uit archief gecomponeerd). Daarnaast door synchroon Sinatra’s ‘afscheidsconcert’uit 1971 mee te laten lopen, dat de facto een samenvatting is van zijn hele (artiesten-) bestaan: van het prille ‘You make me feel so young’ tot het doorleefde ‘My way’.

‘All or nothing at all’, hier uitgezonden door de NTR, is geen hagiografie geworden. Sinatra’s drankzucht, overspel, driftbuien en maffia-banden, niets ontbreekt. De crooner windt er zelf geen doekjes om. “Soms was ik hele dagen in de lorum.” En over zijn woede: “Die heb ik nodig, maar ik bied altijd mijn excuses aan.” Over de maffia is hij minder open: allemaal niet waar. Dochter Tina doet niet zo geheimzinnig: pa zette de maffia in om Kennedy aan zijn zege te helpen.

Zijn legendarische rokkenjagerij ontlokt Sinatra’s eerste vrouw Nancy de ontboezeming: “Hij wilde elke aantrekkelijke vrouw bezitten. En hoe meer succes hij kreeg, hoe erger het werd.” Ava Gardner, een van Sinatra’s veroveringen, noemt ze een ‘rotwijf’. Verrassende openhartigheid, die je op de punt van je stoel brengt, maar die gelukkig niet leidt tot een human interest-achtige docu waarin de artiest langzaam achter de mens verdwijnt.

We leren iets over Sinatra’s zangontwikkeling: eerst een stem als een ‘sirene’ – woorden van The Voice zelf – , later een timing waarbij elk woord voor jou alleen gezongen lijkt. “Je moet geen haast hebben als je zingt”, leerde Charles Aznavour van zijn Amerikaanse collega. Zelf doceert Sinatra: “Nooit ‘ah’zingen, altijd ‘uh’. ‘Ah’doet niks.”

Het is een fijngevoeligheid die in scherp contrast lijkt te staan met Sinatra’s groffe taalgebruik (‘steek die hele Korea-oorlog maar in jullie aller reet’, schreeuwt hij tegen Washington). Aldus komt de entertainer uit de documentaire tevoorschijn als een vat vol tegenstrijdigheden: tegelijk bruut en ‘hofdichter van de eenzaamheid’ (zoals het zo mooi wordt geformuleerd), maffiamaatje en onrecht-bestrijder.

Over dat laatste: niet iedereen zal weten dat Sinatra in 1945 in een korte film waarschuwde tegen discriminatie. Als zoon van Italiaanse ouders wist hij daar alles van. Of dat hij een steunpilaar was van Martin Luther King. Ook deze eyeopeners maken Gibney’s muziekdocumentaire meer dan simpelweg een trip down memory lane. Wat ‘ie zeker óók is.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *