Is zwaar dementerende een ex-mens?

Bert Keizer (70), arts in de Levenseindekliniek en filosoof, stelt zichzelf de vraag of euthanasie op wilsonbekwame Alzheimerpatiënten legaal moet worden. “Over een foetus van 22 weken zeggen we: die is nóg geen mens, die mag weg. Zouden we aan het eind van het leven kunnen zeggen: die is geen mens méér, die mag ook weg?”

“De eerste keer dat ik euthanasie verleende was rond 1984. Een man van tachtig, Albertus Antonius, suikerpatiënt, beide benen kwijt. Toen hij longkanker kreeg, zei hij: ‘Dok, ik wil dood.’ Zijn verplegenden en dochters konden dat volledig begrijpen. Daardoor, én omdat ik een nauwe band met hem had, durfde ik het aan. Natuurlijk was ik bang. Nee, niet voor vervolging. Ik was overtuigd van de goede zaak en had er voor willen zitten. Mijn angst was of de euthanasie zou slagen. Ik verdoofde hem met valium, en spoot daarna ademremmer in. Maar dat deed ik in de spier in plaats van het bloedvat. Geklungel, achteraf gezien. Het duurde drie kwartier voor hij stierf. Daarna de ontlading. De twee dochters huilend aan bed, ik, op enige afstand, met een grote smile . Crazy hè? Ik voelde me een held. Het was gelukt.

Toch blijft euthanasie iets vreselijks. Ik schreef het in 2013 in mijn boek ‘Tumult bij de uitgang’. Een verlossing, ja, maar ook doodeng, omdat het om de laatste adem van een mens gaat. Ik heb nu zo’n veertig à vijftig maal euthanasie toegepast. Het went. Ik lig er niet meer wakker van, omdat ik weet wat er loskomt bij de ander en bij mijzelf. Mijn uitvoering wordt steeds beter. Het is als met parket leggen of het organiseren van een bruiloft. De eerste keer gaat er veel mis, maar doe je het drie keer in de week, dan word je er steeds bedrevener in. Maar euthanasie blijft een onomkeerbare ingreep, en altijd vraag je je weer af: heb ik het goed gedaan?

Wij maken sterven tot iets heel groots, maar het is zo gewoon. Saai zelfs. Degene die euthanasie krijgt is nooit gespannen. Hij hoeft zijn eigen dood niet te beleven. Wij de zijne wel. Wij zitten straks met een lijk, maar dat lijk zit straks nergens mee. Nabestaanden maken het sterven tot iets monumentaals omdat ze de dood erachter zien, de grote afwezigheid. Dat is het.

Goed sterven is een kunst. Keats schreef vlak voor zijn dood aan zijn dierbare vriend Charles Brown: ‘Ik kan je nauwelijks vaarwel zeggen, zelfs niet in een brief. Ik maakte altijd een onhandig buiginkje.’ Wat een mooie, charmante manier van heengaan: met een buiginkje. Hou het kort, elegant, humorvol en troostend, is mijn devies. Zoals Albertus Antonius die tegen mij zei: ‘Dok, je kan het!’ In ‘Tumult bij de uitgang’ beschrijf ik een euthanasie waarbij ik was vergeten mijn mobiele telefoon uit te zetten. Tot mijn schande ging hij over, een heel vervelend melodietje. Maar de stervende vrouw zei tegen haar zus: ‘Zeg Greet, is dat niet Hannes loopt op klompen?’ Kort daarna raakte ze buiten bewustzijn. Zo alledaags kan overlijden zijn.

Een humaan sterfbed is niet alleen belangrijk voor de stervende, maar ook voor de achterblijvers: het maakt hen minder bang voor hun eigen dood. Jezus was, volgens mijn bescheiden definitie van stervenskunst, geen goed voorbeeld. In het Mattheüs-evangelie laat hij met z’n ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ de nabestaanden in wanhoop en verwarring achter.

Ja, ik weet dat het Johannes-evangelie eindigt met: ‘Het is volbracht.’ En Lucas’ met: ‘Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest.’ Maar wie dat metaforen noemt voor de verschillende wijzen waarop mensen sterven, die overschat naar mijn smaak de evangeliën. Ik word moe, een beetje agressief zelfs, van mensen die de Bijbel uitpersen als een citroen om er steeds maar weer een druppeltje zin voor hun eigen leven uit te halen. Wat een rare, geestdodende manier van lezen! Lees de Bijbel als literatuur, als poëzie, of als troost.

Ik kom uit een rooms-katholiek nest. Toen ik elf was stierf mijn moeder, en ik geloofde dat ze naar de hemel zou gaan. Toen werd ik dertien en was mijn geloof weg. Niks geen worsteling, nee, zomaar verdwenen. Als het ware bij mijn eerste erectie: geslacht omhoog, God er uit. In mijn puberteit voelde ik me melancholiek, alsof ik in een trein zat richting afgrond. Maar toen kwamen The Beatles, The Stones, Jimi Hendrix en Frank Zappa. Zij waren als een fata morgana van een andere wereld, die zich ver boven het gezeik van de toenmalige volwassenen bevond. En ik was het met hen eens. Volwassenen zaten schrijlings op een hobbelpaard dat nergens heen ging. De paters kruisheren zeiden bij ons op school: als u – ja, ze spraken ons aan met ‘u’- naar de kerk komt uit gewoonte, kunt u beter thuis blijven. Wel, dat hoefden ze mij geen twee keer te zeggen.

Het idee van een eeuwig leven is verschrikkelijk. In 1978 stierf een vriendin van mij. Ze viel uit een rijdende auto, en was op slag dood, een man en twee kinderen van twee en vier jaar achterlatend. Stel je nou voor dat zij zou zijn overgegaan naar het ‘eeuwige leven’. Om vandaaruit te moeten toezien hoe haar dood het bestaan van haar dierbaren voor tientallen jaren had vernield. Hoe zou die vrouw ‘daar’ gelukkig kunnen zijn? Alleen al psychologisch is dat hele eeuwige leven een drama. Ja, zeggen gelovigen dan, maar die menselijke noties spelen geen rol meer daarboven. Oh, nee? Wat blijft er dan nog van je over, als al het aardse uit je is weggesijpeld? Alleen de stelling van Pythagoras?

Begrijp me goed, ik zeg niet dat we anno 2017 de eindconclusie over het menselijk lot in handen hebben. Dat verhaal verandert steeds. Maar ik weet wel zeker dat het idee van God en een eeuwig leven, dat we eeuwenlang hebben gekoesterd, in Nederland nooit meer terugkomt, ofschoon miljarden op aarde het nog wel geloven. Als iemand er gelukkig mee is, zal ik het hem nooit uit zijn hoofd praten. Om de Amerikaanse dichter Wallace Stevens te citeren: ‘Het uiteindelijke geloof is het geloof in een fictie, waarvan je weet dat het een fictie is.’

De dood is evenmin een goed idee van de Schepper. Maar ja, er is geen andere oplossing. Zouden we met onze levensvorm van zichzelf reproducerende macro-moleculen altijd blijven voortleven, dan zou de aarde gevuld zijn met een laag mensen van twaalf meter dik. Het mooiste is om per ongeluk dood te gaan. De natuurlijke dood zal gelukkig altijd blijven bestaan. Ik ben het volstrekt oneens met mensen die zeggen dat een sterfbed met euthanasie het beste is. De geplande dood heeft akelige aspecten, zoals: wanneer gaan we het doen, agenda’s trekken, oh, nee, dan niet, want dan is Jantje jarig… Maar goed, je zal maar dementerend zijn en dood willen.

In de Levenseindekliniek verleen ik ook euthanasie aan mensen met Alzheimer. Als ze vragen om de dood, zijn ze wilsbekwaam. Dat heeft niets met gevoel te maken, maar alles met gehoor. Ik hoor het hem of haar toch zeggen: ‘Ik wil niet meer leven.’ Een dementerende die niet meer weet waarover hij het heeft, die help ik niet. Ik krijg het niet voor elkaar om die in de ogen te kijken en een injectie te geven. Ook al heeft hij een NVVE-verklaring dat hij zelfs euthanasie wil als hij tegenstribbelt, ik vertik het. Ja, en dan heb je van die fucking D66’ers die dan toch vinden dat je ze dood moet maken onder het motto: niks te maken met hoe ze nu zijn, ze hebben toch ooit een verklaring ondertekend? Zo’n standpunt is tot nu toe een buitenpost in de menselijke ethiek. Ik zou euthanasie in het geval van wilsonbekwame dementerenden alleen aandurven als we het er met elkaar over eens zijn. Als de hele stam het wil, om het zo maar even uit te drukken. Het goede komt voort uit het volk. Het concept van menselijkheid maken we zelf.

Het is bij Alzheimerpatiënten vaak de omgeving die lijdt. Ik vergelijk het wel eens met het aapje uit ‘Villa des Roses’ van Willem Elsschot. Dat aapje wordt in het haardvuur geworpen en springt, verblind door de hitte, de verkeerde kant op, tegen de muur. Uiteindelijk blijft hij liggen op de smeulende kolen. Het smartelijk aanschouwen van zo’n aapje weerspiegelt misschien de droefheid die de naasten van een dementerende patiënt moeten voelen.

In ‘Tumult bij de uitgang’ spiegel ik het bestaan van zwaar dementerenden aan dat van een dier. Zijn het nog mensen of eerder ex-mensen? Ik werp die gedachte op om een discussie op gang te brengen. Over een foetus van 22 weken zeggen we: die is nóg geen mens, die mag weg. Zouden we aan het eind van het leven kunnen zeggen: die is geen mens méér, die mag ook weg?

Zelf ben ik er dubbel in. Aan de ene kant heel angstig voor euthanasie op wilsonbekwame Alzheimerpatiënten. Aan de andere kant begrijp ik die arts tegen wie nu een strafrechtelijk onderzoek loopt vanwege euthanasie op een wilsonbekwame vrouw. De arts deed eerst slaapmiddel in de koffie, zodat de patiënte zich niet zou verzetten, en plaatste daarna het infuus. Zij, de arts, heeft gezegd: als de patiënte halverwege had geroepen ‘ik wil niet dood’ had ik toch doorgespoten, want ze was wilsonbekwaam. Dat is tegen de wet, dat weet ik, maar ik zeg toch ook: goed dat die patiënte niet meer leeft.

Ik denk niet dat die arts zal worden veroordeeld. Met deze zaak zal het veld van euthanasie wel verder worden verkend. Ik weet zeker dat die arts niet de eerste is die euthanasie toepast op wilsonbekwamen. Kom nou. Na vijftien jaar wetgeving en 75.000 gevallen van euthanasie? Nee, zij is de eerste is die er eerlijk voor uitkomt hoe ze heeft gehandeld. En dan is het ineens: ho eens even, er wordt nu een grens overschreden. Artsen voelen zich rot bij het doden van vergevorderd dementerenden en schrijven precies wat de toetsingscommissies willen horen. Met andere woorden: ze vertellen niet eerlijk wat ze hebben gedaan.

Laten we die toetsingscommissies zo snel mogelijk opheffen. Het zijn frictieloze carrousels wier werk niets met waarheidsvinding heeft te maken. Beter is het om hulp bij zelfdoding uit het wetboek van strafrecht te halen. Dan kan de euthanasiewet op de helling en de toetsingscommissie op skivakantie. Vervolgens mag ook het wetsvoorstel voltooid leven de prullenbak in. Zo dom dat idee. Levenseindeconsulenten komen kijken of je leven voltooid is. Welke cursus moet je hebben gevolgd om dát te kunnen beoordelen? Alleen je naasten die jarenlang met je verkeren, kunnen zien of je geen zin meer hebt om door te leven. Dat is naar mijn idee autonomie: besluiten nemen met en temidden van je dierbaren. Niet in je eentje, zoals soms helaas gebeurt. Op de maan heb je geen autonomie. Ik wil de eenzame zelfmoordenaar niet veroordelen, hij zal handelen uit wanhoop. Maar het is wel heel erg alleen. Of op hulp bij zelfdoding toezicht zou moeten komen? Ik vrees dat dat nooit goed te regelen zal zijn. Problematisch. Ongetwijfeld zal er ook misbruik worden gemaakt. Maar in Zwitserland, waar hulp bij zelfdoding legaal is, zie je geen golf van stervende rijke tantes die door hun op geld beluste neefjes naar de andere wereld worden geholpen.

Zelf ben ik niet meer bang om te sterven. Ook niet voor pijn. Daar heb je morfine voor. Ik kamp wel met doodsangst. Mijn kinderen hebben daar totaal geen last van. Die zeggen: dood is dood. Ik denk dat mijn vrees nog een staartje is van mijn katholieke opvoeding, waarin ik leerde: onze naam staat geschreven in de palm van Gods hand. Daar geloof ik niet meer in. Het totale niets is ervoor in de plaats gekomen. Afschuwelijk. Ja, ik ben door het verlies van mijn geloof ook wat kwijtgeraakt. Ik was jarenlang niet ongelukkig met de gedachte aan een hemel. En in een katholieke rouwmis wisten ze ten minste wat ze met een lijk aan moesten: de vanzelfsprekende gebaren en rituelen rond de kist. Weet je hoe dat nu gaat? De priester legt zijn rites uit. Zo van: ik ga nu de overledene bewieroken vanwege dit en dat en dat. Daaruit blikt dat het ritueel leeg is geworden. Het is kapot, het levensbloed is er uit. Een ritueel is een ritueel juist omdat je er niet bij hoeft te praten.

Ik hoop dat ik nog een aantal jaren goed van lijf en leden ben, en kan blijven autorijden. En werken in de kliniek. Waarom zou ik met pensioen gaan? Ik heb geen hobby’s, wil de deur uit. Daarbij ben ik een aandachtsjunkie, een dankbaarheidsverslaafde.

Misschien als ik over de tachtig ben komt er een fatale kankerdiagnose. Ik heb dan hopelijk nog drie maanden om te zwaaien naar vrouw, kinderen en mogelijk kleinkinderen, en om de zolder op te ruimen. Op mijn rouwdienst ‘Give me shelter’ van The Stones, ‘I feel fine’ van The Beatles, en het ‘Dies Irae’ uit de Latijnse mis. Ja, dat ook. Omdat het zo’n prachtige melodie is.

Ik hoop dat het nog een jaartje of vijftien duurt voor het zo ver is. Ik bid God dat hij mijn levenslust synchroon laat lopen met mijn lichamelijke conditie. Of zoals Samuel Beckett het zegt: totdat mijn benen net zo moe zijn van mij ronddragen als ik van het rondgedragen worden.”

‘Het wetsvoorstel Voltooid leven is een heel dom idee’

http://www.volzin.nu/magazine/eerdere-nummers/item/421395-volzin-2017-nummer-12

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *