Indische nachtmerrie

Zo’n negentig jaar geleden stak in Nederlands-Indië het nationalisme de kop op, maar er woedde ook een heel andere strijd. Een zeer Nederlandse: de verzuilde omroep probeerde tegen ieders wil in voet aan de grond te krijgen in de kolonie overzee.
Het Indië-dagboek van VPRO-oprichter ds. Spelberg.

Stel je voor: John de Mol begint een commerciële amusementszender, speciaal gericht op onze kolonie Curaҫao. ‘Maar’, zeggen de Hilversumse omroepen dan, ‘dat kan zomaar niet, wij willen zelf op die zender gaan zitten.’ Het CDA vindt dat een terechte wens en regelt het in politiek Den Haag. John de Mol is niet meer de baas over zijn eigen omroep en moet zendtijd afstaan aan KRO, NCRV en VPRO. Krankjorum, denk je, maar iets dergelijk is in de jaren dertig van de vorige eeuw toch echt gebeurd.

Anton Philips richtte in 1927 de Philips Omroep Hollands-Indië (PHOHI) op, met als doel vanuit Huizen korte golf-uitzendingen te gaan verzorgen voor de Nederlanders in Nederlands-Indië. Verstrooiing, muziek, sport en (financieel) nieuws, dat had Philips zo’n beetje in gedachten. Uniek in die tijd, want de radiomicrofoon was tot dan toe louter het domein van dominees, priesters en moralisten. Aldus zag in dat jaar de eerste Nederlandse commerciële omroep het levenslicht, ver voor RTL en Veronica.

Historicus Vincent Kuitenbrouwer, die aan de Universiteit van Amsterdam onderzoek doet naar internationale radio-uitzendingen vanuit Nederland, vertelt dat de PHOHI een soort AVRO voor Nederlands-Indië wilde zijn. ‘Zuilloos en positief. De nadruk lag heel sterk op entertainment. Die keuze werd neutraal genoemd, maar was in feite ideologisch. Door amusement te brengen en politiek te mijden wilde men de Rijkseenheidsgedachte versterken. Nederlands-Indië hoorde bij het koninkrijk. Punt uit.’

Daarnaast kleefden aan de PHOHI sterke commerciële belangen. Kuitenbrouwer: ‘Het initiatief voor de PHOHI was afkomstig van de koloniale lobby: Nederlandse bedrijven die handel dreven met Nederlands-Indië. Die ondernemers wilden via de radio de banden met de expats versterken en zo hun zakelijke belangen veiligstellen. Bovendien zouden op die manier nieuwe werknemers naar Nederlands-Indië kunnen worden gelokt. Voor Philips was het belang om meer radio-toestellen te verkopen.’

Maar de droom van Anton Philips ontaardde al snel in een nachtmerrie. De verzuilde omroep zette alles op alles om het commerciële initiatief te laten stranden. Voorman in het Hilversumse verzet was NCRV-voorzitter Van der Deure. Die trok aan de bel bij ARP-kamerlid Van Dijk: het monopolie van de PHOHI moest en zou worden opengebroken. Dat leek te lukken. Den Haag stelde een Radioraad in, die in 1930 adviseerde zo’n veertig procent van de PHOHI-zendtijd toe te wijzen aan de Hilversumse omroepverenigingen. Zo zou de commerciële omroep met huid en haar worden ingekapseld in het verzuilde Nederlandse bestel.

Dat werd Philips te gortig, en de PHOHI-zender ging uit de lucht. Voornaamste reden was de dreigende deelname van de VARA. De anti-koloniale, rode omroep zou maar voor onrust zorgen in ‘ons Indië’, zo vreesden de Indische ondernemers die belangen hadden in de PHOHI. Er volgde een strijd van drie jaar. Uiteindelijk werd de oplossing gevonden in het instellen van preventieve censuur: de Indië Programma Commissie. Toen was voor de VARA de lol eraf. Ze bedankte voor de eer. Dit ongetwijfeld tot vreugde van NCRV-man Van der Deure, die al in een vroegtijdig stadium zijn afschuw van sociaal-democraten en communisten had gedeeld met zijn geestverwant, minister Van der Vegte (ARP).

Maar met het afhaken van de ‘opruiende Vara’ waren de problemen nog niet voorbij. De Philips-zender wilde ook met de andere verzuilde omroepen niets te maken hebben. Het nationalisme in Nederlands-Indië kwam op. In 1927 werden alle nationalistische partijen verboden en opstanden met harde hand neergeslagen. Het was een halszaak de radio-programmering eenheid te laten uitstralen in plaats van religieuze verdeeldheid.

De PHOHI werd in dat koloniale standpunt van harte gesteund door de Indische machthebbers. Gouverneur-generaal De Graeff stuurde Den Haag in 1929 een wanhopig telegram: ‘Publiek afkerig van godsdienstig sectarisme en partijpolitiek op Nederlandschen grondslag.’

Maar de verzuilde omroepen kregen in 1933 gewoon toegang tot de PHOHI: eenderde van de zendtijd was voor hen. Beperkende voorwaarde was wel dat ze niet aan politiek mochten doen. Anton Philips was uiteindelijk voor Den Haag en Hilversum door de knieën gegaan. Zijn paradepaardje, waaraan hij veel geld hoopte te verdienen, was hem te lief.

Zo ontstond halverwege het interbellum de krankzinnige situatie dat de nog jonge verzuilde omroep, die net een gevecht voor een Hilversumse zendmachtiging achter de kiezen had, zich wist binnen te wurmen in een particulier, commercieel radiostation voor Nederlands-Indië. En dat niet alleen tegen de uitdrukkelijke wil van eigenaar Anton Philips, maar ook die van de machthebbers in de kolonie.

Maar het verhaal werd nog gekker. De NCRV die, met in haar kielzog de KRO, de strijd had aangevoerd, trok zich na één uitzending al terug. Volgens René Witte, in 1998 gepromoveerd op ‘De Indische Radio-Omroep’, zou geldgebrek hierbij een rol hebben gespeeld, alsmede de gedachte dat het principe – het winnen van de oorlog – belangrijker was dan het vullen van de zendtijd.

De VPRO marcheerde in de Indische omroepstrijd in de achterste linies. Zo bleek bij de eerste besprekingen over de Philips-zender VPRO-voorzitter mej. Nicolette Bruining ‘nog niet in de materie te zijn ingevoerd.’ ‘Ach’, verzucht Witte (79), oud-secretaris van de VPRO, ‘onze omroep werd nooit ergens voor uitgenodigd, slechts op eigen dringend verzoek.’

De AVRO was wèl gesprekspartner, maar had geen interesse in de Philips-zender. De ‘algemene’ beschouwde zichzelf al als een soort PHOHI: een nationale omroep. De VARA had zich, zoals gezegd, ‘vrijwillig’ teruggetrokken. Bleven dus alleen de KRO en de VPRO over. De KRO zond via de PHOHI uit van 1933 tot mei 1940, de VPRO van mei 1933 tot het eind van dat jaar, waarna financiële problemen roet in het eten gooiden. In 1936 pakte de vrijzinnige omroep de draad weer op, eveneens tot aan mei 1940.

Getalsmatig is de deelname van Nederlandse omroepen aan de Philips-zender dus nooit groot geweest, en dat is misschien maar goed ook. De Hilversumse programma’s pasten totaal niet in het PHOHI-aanbod. Het kon gebeuren dat de luisteraar na een vrolijke reportage over 75 jaar Vondelpark (‘het getjilp van de vogels is onze jubileummuziek’) of ‘The Happy Station’ van omroeper Eddie Startz ineens de plechtige stem hoorde van kardinaal Fumasoni Biondi: “Van ganser harte groet ik de missionarissen in de gehele wereld, nu de KRO mij daartoe gelegenheid geeft.”

De PHOHI-programmering hield zich met godsdienst niet bezig, en was populair onder de expats, weet Kuitenbrouwer. ‘Het was een soort ‘Arbeidsvitaminen’ avant la lettre. Als Han Hollander de voetbalwedstrijd Nederland-Zwitserland versloeg, stroomde de werkvloer van de suikerfabriek leeg.’

De VPRO speelde in de Indië-programmering een bescheiden rol: één kwartier zendtijd per week vond het bestuur genoeg, in plaats van het uur waar men recht op had. Hoogtepunt was ongetwijfeld het verslag van 12,5 jaar VPRO vanuit de Houtrusthallen in 1938. Ook populair waren ‘Gesprekken rond de wereld’ van VPRO-oprichter ds. Everhard Spelberg.

Diens zoon Gerard Spelberg (90), predikant in ruste te Utrecht, herinnert zich dat hij met zijn vader in de auto mee mocht naar de PHOHI-studio . ‘Mijn vader sprak dan lezingen uit voor de microfoon. Die konden over opvoeding gaan of godsdienstige zaken. De mensen in Nederlands-Indië kenden mijn vaders stem. Daar had hij ook de uitnodiging aan te danken om op tournee te gaan door de kolonie.’

Die trip vond plaats in de zomermaanden van 1934 op invitatie van de Groep van Vrijzinnig Godsdienstigen. Doel was versterking van de band met de geloofsgenoten (‘welke vaak op eenzame plantages wonen, ver van een kerkelijk centrum’) en de stichting van een Indische vrijzinnige omroep. Voorafgaand aan de zeereis vertrouwde Spelberg de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant (PGNC) toe dat al verscheidene belangstellenden in de kolonie auto’s beschikbaar hadden gesteld voor binnenlandse reizen. De toon is dan nog enthousiast, maar het zou een lange, veeleisende reis worden. ‘Ik word al moe als ik zijn dagboek lees’, zegt zoon Gerard. ‘Lezingen, radiovoordrachten, preken, aan één stuk door. Het zou me niet verbazen als daar de kiem voor zijn latere hartkwaal is gelegd.’

Spelberg, 36 toen, bezocht in ruim drie maanden tijd Java, Balli en Sumatra, voerde daar negentig maal het woord en wisselde vijfendertig keer van gastvrouw of -heer. De predikant-secretaris van de VPRO legde in de archipel 3500 kilometer af per auto en 2000 kilometer per vliegtuig, en dan nog de heen- en terugreis per schip.

Ds. Everhard Spelberg

Het kolonialisme als systeem hekelde Spelberg niet, waarmee hij een representant was van zijn tijd. Wel had hij moeite met bepaalde aspecten, zoals materialisme en hebzucht. ‘Het waren geenszins steeds de beste zonen van ons Hollandsche volk die het avontuur waagden’, schreef hij in zijn column in de liberaal-protestantse PGNC. Om te concluderen: ’Wij noordelingen blijven toch vreemdelingen onder de koperen zon.’

Maar enkele regels verder ontpopte hij zich weer als de romanticus die hij, volgens zoon Gerard, ook was: ‘Je went aan de eenzaamheid van de primitieve assistentenwoning in het rubberbosch of aan den rand van het oerbosch en aan het feit dat de tijgers ’s nachts aan de rotanstoelen van je voorgalerij komen snuffelen.’

Dat is de krant. Maar wie het dagboek – door de familie aan de VPRO Gids uitgeleend – doorbladert, ziet een andere dominee: eentje die lijdt onder de hitte en het overladen programma: ‘21 juli: naar de dokter wegens oververmoeidheid’, ’23 juli: voel me beter, maar blijvend gespannen.’ Aan de andere kant geniet hij wel van de vele hartelijke contacten in de archipel en de verrukkelijke rijsttafels. En niet in de laatste plaats van de zeereis: ‘Om half zes opgestaan maak ik nog juist mee hoe het schip de pier van Port Said binnenvaart.’

Maar het mooiste cadeautje was ongetwijfeld de stichting van een ‘Indische VPRO’: de Vrijzinnig Godsdienstige Radio-Omroep (VGRO). Deze zou, net als de NICRO (orthodox-protestants) en IKROS (katholiek), gaan uitzenden via de plaatselijke Nederlands-Indische Radio Omroep, (NIROM). Spelberg deed er na terugkomst summier mededeling van in de krant.

René Witte schrijft in het VPRO-jubileumboek ‘Een vrij zinnige verhouding’ dat het met die NICRO en IKROS – in feite dependances van NCRV en KRO – nooit veel soeps is geweest. En thuis in zijn statige Hilversumse villa met gestuct plafond vermoedt hij dat hetzelfde geldt voor de VGRO , ‘áls die überhaupt al heeft uitgezonden via de NIROM.’

De NIROM was een heel andere omroep dan de PHOHI, weet Kuitenbrouwer. ‘In tegenstelling tot de PHOHI had de NIROM haar zetel in Nederlands-Indië. Ze werkte veel meer vanuit het tropische tempo doeloe-gevoel. De Nederlandse gemeenschap alhier zit niet te wachten op carillonklanken uit Amsterdam, en we hoeven ook niet te horen wat Nederland van ons vindt, luidde het verwijt aan de PHOHI’, aldus de historicus die in zijn onderzoek nog niet op de VGRO is gestuit.

Toen ds. Spelberg in de herfst van 1934 terugkwam in het vaderland zou het nog maar zes jaar duren voordat de PHOHI voor het laatst uitzond. Dat was op 12 mei 1940 toen het Nederlandse leger de Philips-zender in Huizen opblies.

De Radioraad besloot vervolgens dat de verzuilde omroep de uitzendingen naar Nederlands-Indië mocht voortzetten, zonder de PHOHI. Daar maakten ze dankbaar gebruik van. Het werd, volgens Witte, een gedrang van jewelste op de provisorisch herstelde PHOHI-zender. De AVRO , de VARA en de NCRV, iedereen deed plotseling (weer) mee. De VPRO maakte zelfs nieuwe programma’s voor de kolonie, wat tot dan toe zelden het geval was.

Dat enthousiasme is, volgens Witte, te verklaren uit het feit dat de omroepen eindelijk hun doel hadden bereikt: de commerciële PHOHI was vernietigd. Weliswaar dankzij een oorlog, maar toch. Dat de omroepen onder Duitse censuur stonden maakte ze, in dat verband, weinig uit. Ze gingen vrolijk door met uitzenden. Totdat de Duitse bezetter de omroepen in de loop van 1941 verbood. Toen was het voorgoed voorbij met Indische droom van de Nederlandse verzuilde omroep.

De PHOHI kwam na de oorlog niet meer terug, maar zijn liquidatie liet nog tot april 1960 op zich wachten. De officiële reden van opheffing: ‘Vanwege voortdurende verliezen kan geen uitkering meer aan de aandeelhouders worden gedaan.’

Deze reconstructie kwam tot stand o.a. op basis van het proefschrift van René Witte ‘De Indische Radio-Omroep’(1998), het jubileumboek t.g.v. 60 jaar VPRO ‘Een vrij zinnige verhouding’ (1986), het Indië-dagboek van ds. Everhard Spelberg en de archieven van Vrije Geluiden en de Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant.

Anton Philips wilde een zender met veel amusement, een soort AVRO voor Nederlands-Indie

https://www.vpro.nl/lees/specials/2016/90-jaar-VPRO/indische-nachtmerrie.html

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *