…hoe schilderachtiger het wordt

Het weerbericht waarschuwt voor Siberische kou, maar Dordrecht is in de winter een oord van poëtische schoonheid. Als je er een beetje op let, proef je die schittering overal. In het oudere publiek dat zich dik gekleed laaft aan het flauwe winterzonnetje bij café ’t Peerdt. In de chihuahua in z’n warme jas op datzelfde terras. In het klokgebeier van de Grote Kerk, weergalmend door de stille straat.

Of in het gedicht van wijlen Jan Eijkelboom bij het Dordrechts Museum: ‘Als ik gestorven ben zal in de tuin van dit museum boven het warrig bladerengeruis een merel net zo helder zingen op net zo’n late voorjaarsdag. En ik, ik zal er niet meer zijn om door dit zingen te vergeten dat ik moet sterven mettertijd.’

Een ontroerend gedicht omdat de bittere dood een soort zachte glans krijgt: de merel met zijn troostende zang doet je, al is het maar voor even, het onafwendbare vergeten. Er zit ook iets eeuwigs in: het sjilpen gaat altijd door. Tja, zo filosofeer je wat af, kleumend bij de museumpoort. Maar vooruit, de oudste stad van Holland is het waard om te worden bezongen.

‘Gewoon Dordt’, wil een verkiezingsposter ons doen geloven, maar Dordt is helemaal niet gewoon. Het is een stad van kunstenaars. Van Jan Eijkelboom, van Ary Scheffer, Albert Cuyp en Johan Barthold Jongkind.

Over de laatste schilder is in genoemd museum een mooie tentoonstelling te zien. Met name over hoe hij, als voorloper van de impressionisten, kunstbroeders als Monet en Boudin beïnvloedde. Direct al na de entree zie je het ‘bewijs’: naast De Nieuwe Haven van Jongkind (foto boven) hangt De Voorstraatshaven van Boudin (onder). Franse schilders maakten dankzij Jongkind kennis met Dordrecht. En ze werden er verliefd op. ‘In de negentiende eeuw de mooiste stad van Nederland’ jubelt het expositie-filmpje.

De overgang van het warme museum naar de koude buitenwereld is abrupt: “Bent u bekend met de dodelijke ziekte alzheimer?”, vraagt een jongen in een geel, windwerend jack. Hij vertelt over eiwitten die griezelig samenklonteren in de hersenen, en sluit af met: “Wilt u donateur worden?” Het antwoord – “even over nadenken” – stemt hem niet tevreden. “Waarom niet meteen?” Misschien omdat ik, geïnspireerd door Jan Eijkelboom, een ogenblik wil vergeten dat we sterven?

Op de monumentale Groenmarkt geeft de felle, lage winterzon een betoverend effect. Dit zou zomaar een doek kunnen zijn van Jongkind, die de stad vaak in feeeëriek zonlicht schilderde. Hier moet ook de poffertjessalon zitten, waar een drogisterijklant – “u doet toch onderzoek naar de middenstand?”- zojuist reclame voor maakte. En zowaar, op nummer negen zit Visser’s Pofferjes. “We bestaan al 85 jaar”, zegt de uitbater. Aan een tafeltje vooraan drinkt een vrouw een glas Chardonnay. Het is kwart voor vijf ‘s middags. Buiten valt de sneeuw.

Nu nog maar een klein stukje naar het Groothoofd, de plek waar de drie rivieren van Dordt – Oude Maas, Beneden Merwede en De Noord – samenkomen, en waar Jongkind in de negentiende eeuw graag zijn ezel uitstalde. Een containerschip en een waterbus tuffen voorbij in de eenzame avondschemer. Het plaveisel ligt bedekt met verse sneeuw. Alles is van een wonderlijke schoonheid.

Het Groothoofd in de avondschemer is van een wonderlijke schoonheid

https://www.trouw.nl/opinie/dordrecht-was-zo-mooi-dat-franse-schilders-er-verliefd-op-werden~a43f15c1/

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *