Hebben we nog even?

Waar ik het vandaan had, weet ik niet meer, maar in de vaste veronderstelling dat hij zou komen spreken  over de schaduwkanten van de Gouden Eeuw, ging ik naar een lezing van Herman Pleij in Delft. Theater De Veste was half gevuld, voornamelijk met een wat ouder publiek, dat vol ontzag de emeritis hoogleraar Middeleeuwse letterkunde zag verschijnen achter het spreekgestoelte. Pleij tuurde de zaal in, hief zijn handen ten hemel en sprak de historische woorden: “Ik ga het vanavond hebben over de koektrommel.”

Er volgde een waterval van woorden, steeds ondersteund door weidse armgebaren. Over de koektrommel als symbool van verbondenheid, ging het, en over onze open gordijnen, Maar ook  over hoe moeilijk het desondanks is om bij Nederlanders binnen te komen. Dat er vier agenda’s aan te pas komen, enzovoorts. Dat we voorts erg van caravans houden, en van verkleinwoorden: hotelletje, terrasje, wijntje, biertje. “Ik word er doodziek van”, mopperde Pleij.

Dat bovenstaande allemaal te maken had met onze gezinscultuur, een collectieve mentaliteit, die er, volgens Pleij, voor zorgt dat vrouwen nog altijd achterlopen in leidinggevende functies, de getuinbroekte huisman van vroeger ten spijt. Na twintig minuten zei de causeur: “Ziezo, dit was mijn inleiding.”

Want eigenlijk wilde hij ‘iets kwijt’ over  de Nederlandse identiteit. Sinds de verzuiling  bestaat die niet meer, betoogde de bekende tv-prof. Dat zijn grootmoeder in Rijssen hem vroeger aanstootte en uitriep: “Herman, daar loopt een roomse!”, het is zelfs in de bijbelgordel voorbij. We vinden elkaar tegenwoordig in het compromis, voortkomend uit onze koopliedengeest. En ook die geest is weer een collectieve mentaliteit, net als het gezin. We hebben dus wel een mentaliteit, zo doceerde Pleij, maar geen identiteit.

Oké,dacht ik ,en nu op naar de schaduwkanten van de Gouden Eeuw! Maar Pleij had op dat moment  alweer een volgende anekdote uit de trommel getoverd. Over zijn andere grootmoeder die bij zijn ouders inwoonde en  daar een wollen zwembroek voor de kleine Herman breide, waarmee het ventje wel de zee ín kon lopen, maar niet er uit, omdat het ding loodzwaar werd. Waarom Pleij dit vertelde, herinner ik me eigenlijk niet meer. Wat ik wel weet is dat hij het wollenzwembroekdrama  opgewekt afsloot met: “Dit was deel twee van mijn inleiding.”

Het was negen uur ‘s avonds, Pleij had drie kwartier gepraat. Hoe lang zou hij het nog volhouden? Op het podium ging het inmiddels over een hotel in Leeuwarden, waar spreker logeerde en een medewerkster hem vroeg of hij goed had geslapen, hetgeen hij met ‘ja’ had beantwoord, waarop zij: “Ik ook.” En daarmee belandde Pleij bij onze volgende collectieve mentaliteit: egalitair denken. Jij lekker geslapen, ik lekker geslapen, denk maar niet dat je beter bent dan ik. Ach, Pleij kon er nog zo veel meer over vertellen.

Dat geloofden we graag, maar toen was het pauze. Suizebollend van de informatie laafde het publiek zich aan het drankenbuffet. Na de break was het publiek aan zet. Ik stond op en stamelde: “Dank voor uw prachtige betoog, meneer Pleij, maar het zou toch gaan over de schaduwkanten van de Gouden Eeuw?” Dat had ik beter niet kunnen zeggen. Pleij  keek opzij naar de coulissen, en vroeg verlangend: “Hebben we nog even…?”

Suizebollend van de informatie laafde het publiek zich aan het drankenbuffet

https://www.trouw.nl/samenleving/-meneer-pleij-het-zou-toch-gaan-over-de-schaduwkanten-van-de-gouden-eeuw-~a3bb4124/

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *