‘Gijzeling maakte mij vrij’

Hoe overleef je een gijzeling, en kom je er zelfs beter uit? Arjan Erkel gaat met die vraag het theater in, samen met oud-Normaal-gitarist Jan Wilm Tolkamp. ‘Tracht van je bestaan iets te maken, zonder dat je honderd procent zeker weet of je pogingen zullen slagen.’

Het eerste wat hij deed toen hij na twintig maanden gijzeling terugkwam in Rotterdam was Oerend hard opzetten. ‘Het was mijn lijflied geworden. Het hielp me overleven.’

Oehoe oehoerend hard

kwamen zie daor angescheurd

Oehoe oehoerend hard

Want zie hadden van de motorcross geheurd

Arjan Erkel zong het in zijn hol onder de grond in Dagestan. ‘Een ruimte van anderhalf bij twee meter en één meter negentig hoog. Die hit van Normaal gaf me kracht. Ik wilde door met mijn leven: Oerend hard.’

Dat leven kwam op 12 augustus 2002 radicaal op z’n kop te staan. Na een etentje bij zijn vriendin Amina en haar ouders in de Russische deelrepubliek Dagestan, werd Erkels Ford klemgereden door vier moslimrebellen. Hij schrijft erover in zijn boek Ontvoerd (2005): ‘Plotseling beginnen ze met pistolen op mijn hoofd te rammen. Ik val snel en hoewel ik met mijn handen mijn hoofd bescherm, krijg ik toch een flink aantal klappen.’

Erkel (48) was in Dagestan als head of mission van Artsen zonder Grenzen (AzG), dat in die regio  oorlogsvluchtelingen uit buurland Tsjetsjenië opving. De moslimrebellen, vechtend tegen de Russische overheersing van Tsjetsjenië , hoopten met hun gijzelaar vijf miljoen dollar losgeld in handen te krijgen.

‘Natuurlijk was ik bang dat ik zou sterven’, vertelt Erkel. ‘Direct al in het begin. Met bebloed hoofd zat ik in hun auto, met twee pistolen op me gedrukt: één tegen m’n slaap en één tegen m’n ribbenkast. Maar tegelijkertijd besefte ik dat ik niet in paniek moest raken. Niet huilen of smeken, dat zou averechts werken in zo’n machocultuur. Ik moest dingen doen die goed waren voor mezelf.’

In  Erkels boek lees je hoe hij dat aanpakte. Je zou het humanisering van de gijzelnemers  kunnen noemen. Ondanks de voortdurende dreiging van het graf – ‘als de Russen komen of als je geen financieel nut meer hebt, zullen we je moeten doden’-  spant Erkel zich in om een normale menselijke verhouding met de rebellen te krijgen.

‘Naarmate ik langer vastzat, werden de contacten beter. Ik was steeds op zoek naar softheid, in de hoop zonder kleerscheuren  vrij te komen. Maar ook, in het begin althans, om te voorkomen dat ik verkracht zou worden. Ik was bang dat ze dat uit een oogpunt van sadistische vernedering zouden kunnen doen. Gelukkig is het niet gebeurd.’

Hoe verscheurend is dat, ‘vrienden’ zijn met je vijanden? ‘Ik ben antropoloog van beroep. Ik kijk dus naar het gedrag van mensen. Een mens is nooit honderd procent slecht. Om een voorbeeld te geven. Toen we na de ontvoering de plaats van bestemming hadden bereikt, gooiden ze me uit de auto, bonden mijn benen vast en dreigden me dood te schieten als ik zou vluchten. Maar tegelijkertijd maakte een van hen een kussentje van bladeren waar ik mijn hoofd op kon leggen. In het slechte kan dus ook iets goeds ontstaan.’

Na verloop van tijd damde Erkel met zijn gijzelnemers, keek tv met hen of zat samen met hen aan het avondeten, waarbij de AzG-medewerker zich steevast Baltimore liet noemen. ‘Dat is een populaire Russische saus: de meest welkome gast aan tafel.’

Ook Erkels theatertour ‘Vrijheid van denken en doen’, die vanaf deze week zijn reprise beleeft, is positief van toon. Sterker, de show is niet zelden op een macabere manier humoristisch. Zo zien we Erkel vertellen over wat er na zijn dood met zijn lijk moet gebeuren. ‘Ik vroeg mijn ontvoerders: willen jullie het dan langs de kant van de weg leggen? Dat beloofden ze. Het gaf me een fijn gevoel.’

‘Nee’, zegt Erkel, ‘die tour is geen verwerkingsproces. Altijd maar weer die waarom-vraag. Daar geloof ik niet in. Ik heb geen trauma aan mijn ontvoering overgehouden, echt niet. Ik ga de theaters in omdat ik het leuk vind, en omdat het een interessant verhaal blijft. Een verhaal over crisis en gedwongen verandering, over grenzen verleggen en loslaten. Veel toeschouwers hebben er iets aan, hoor ik. Ze vertellen me na afloop dat ze eindelijk de stap hebben gezet die ze al zo lang van plan waren: herstel van contact met de ouders of juist een relatie beëindigen. Of op wereldreis gaan. Wat ik het publiek wil zeggen is: stel niet langer uit wat je hart je ingeeft. In feite doe ik dat zelf ook met deze muzikale monoloog. Ik voel me sinds de gijzeling vrijer maar ook ongeduldiger dan voorheen.’

Zijn trouwe metgezel op het podium is voormalig Normaal-gitarist Jan Wilm Tolkamp. Dat komt uiteraard omdat Oerend hard Erkel door de ontvoering heensleepte. ‘Dat lied heeft echt voor verbroedering gezorgd. De leider van de rebellen, de Generaal genaamd, wilde zelfs de tekst weten. We zongen het samen:  Oehoe oehoerend hard.’

Maar Tolkamps rol op het podium is groter dan die van Normaal-vertolker. Ook nummers van Elvis Presley, Neil Young, Johnny Cash en Tom Jones weet hij op ingenieuze wijze te verbinden met het verhaal van de ontvoering. Wanneer Erkel vertelt dat hij na drie maanden gevangenschap  voor het eerst mocht luchten, dan weerklinkt het weemoedige Green, green grass of home van Tom Jones.

‘Ik heb zelfmoord overwogen. Geregeld zelfs. Ik had ook de mogelijkheid, want ik beschikte over touw en een riem. Ik  dacht ook wel eens: ik val de rebellen aan en láát me doden. Maar uiteindelijk heb ik me niet laten meeslepen door mijn eenzaamheid en wanhoop. Soms bad ik. Een beetje hypocriet, want ik zie de Heer niet als mijn herder, ofschoon ik wel in een godsidee geloof. Mijn ontvoerders waren zeer gelovige moslims. Daar had ik veel waardering voor. Het heeft iets moois, vind ik, als je zo wilt vechten voor je geloof. Al hadden ze daarbij mij natuurlijk niet moeten ontvoeren. Dat vonden ze zelf uiteindelijk ook wel, geloof ik. Ze besloten mij als krijgsgevangene te zien.’

Twintig maanden lang had Erkel weinig om handen. Verveling troef. Een potje back gammon, een beetje boksen of fitnessen en Russische schelmenromans lezen, dat was het zo’n beetje. En al die tijd geen seks. ‘De gedachte aan seks kwam nauwelijks bij me op. Daar was de omgeving niet naar, met al die mannen. Ik heb slechts één keer gemasturbeerd, dat was alles. Er was bovendien te weinig water om me schoon te maken. Seks ging pas weer een rol spelen in mijn leven toen ik vrijkwam.’

Dat gebeurde op 11 april 2004, na betaling van één miljoen euro losgeld door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Toen viel het Erkel pas goed op hoe de media al die maanden zijn ontvoering warm hadden gehouden. ‘Ik ben hen daar dankbaar voor, want zonder die aandacht was ik als gijzelaar weggekwijnd. Die attentie in de pers heeft mij en mijn ouders veel warme reacties opgeleverd na de vrijlating, wat het herstel heeft bevorderd. Tekeningen, brieven en kaarten van wildvreemde mensen.’

Na 607 dagen ontvoering kon Erkel zich eindelijk herenigen met zijn vriendin Amina. Het vooruitzicht dat dat ooit zou gebeuren, had hem tijdens de gijzeling hoop gegeven. ‘Ook als Amina na de vrijlating niet meer de mijne was geweest, had ze me al die tijd onbewust kracht gegeven. Dat is onuitwisbaar. Dat is ook iets wat ik door de gijzeling heb geleerd: leven in het moment. Tracht van je bestaan iets te maken, zonder dat je honderd procent zeker weet of je pogingen zullen slagen. Het proberen op zich is al belangrijk genoeg.’

‘Twintig maanden lang heb ik m’n best gedaan om mijn gijzelnemers als mens te zien. Nee, ik heb niet het Stockholmsyndroom, wilde geen moslim worden of vechten voor een islamitische staat. Zeker niet. Ik had mijn ontvoerders simpelweg nodig om het wat beter te krijgen en uiteindelijk te  overleven. Zo ontstond er heel langzaam iets als wederzijds respect. In het begin zagen ze mij als een spion, als onrein. Dan zei ik ‘nee’ als ze vroegen of ik joden of homo’s kende. Later ontkende ik dat niet meer. Ik hoefde mezelf niet langer te verloochenen.’

‘Moest ik de rebellen waarderen omdat een van hen, die ik ‘de Professor’ noemde, wentelteefjes voor mij bakte? Ja, want ze hadden de macht om in mijn eten te schijten en het me vervolgens door de strot te duwen. De Professor liet zich van zijn zachte kant zien, en nodigde mij soms uit in de keuken als hij stond te koken. Dan stopte hij me wat yoghurtjes toe of Hollandse kaas.  Zijn mede-rebellen kregen dat lekkers niet en die werden dan weer jaloers. Of ze gingen twijfelen aan zijn loyaliteit: aan wiens kant stond de Professor eigenlijk?’

Na het benarde avontuur heeft Erkel zijn gijzelnemers nooit meer gezien. Soms had hij dat wel gewild. Om hún kant van het verhaal te horen. Maar twee jaar geleden vernam hij van een intermediair dat zijn ontvoerders waren omgekomen. ‘Nee, dat doet me niet echt iets. Het is het risico van het vak.’

‘Natuurlijk was ik bang dat ik zou sterven, direct al in het begin’

Arjan Erkels voorstelling Vrijheid van denken en doen is in diverse Nederlandse theaters te zien.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *