Een veilige plek voor de militair

Geestelijke verzorging in de krijgsmacht begon honderd jaar geleden verzuild en is dat nog steeds: een bont gezelschap van aalmoezeniers, dominees, humanisten en imams. Toch is er op de werkvloer vaak weinig van die verzuiling te merken geweest.

Dat is misschien wel de belangrijkste conclusie die je uit het boek Met het Woord onder de wapenen (ter gelegenheid van een eeuw protestantse zorg in de krijgsmacht) kunt trekken: de ontzuilde blik was er vanaf de start. Als je het boek leest, begrijp je ook meteen waarom. “Wat kan een geestelijk verzorger doen als de hel losbreekt?”, kijkt veldprediker (zo heette dat toen) De Kluis terug op mei 1940. “Je kunt er alleen maar zijn. Bij de gewonden, de stervenden, de doden. Bij de sterken en de zwakken. De overmoedigen en de lafaards.”

Of, zoals kapitein Wiersinga de oorlogstijd beschrijft: “Aan de Grebbelinie heb ik duidelijk kunnen ervaren dat er in wezen geen verschil bestaat tussen katholieken en protestanten. Ik moet soms lachen om al die richtingen en kerkjes in ons geloof.”

Toch wordt de geestelijke verzorging in de krijgsmacht nog altijd verzuild ‘ingevlogen’. Het ministerie van Defensie erkent zes zendende denominaties: katholieken, protestanten, joden, moslims, hindoes en humanisten. En als de nieuwe spirituelen nu een geestelijk verzorger willen, kan dat dan? “In principe wel”, zegt Defensie. “Mits ze kunnen aantonen dat ze een achterban hebben en voldoen aan criteria als solvabiliteit, integriteit en dergelijke.”

Maar is het nog van deze tijd om geestelijke verzorging zo verzuild aan te bieden? Hoofdkrijgsmachtpredikant Klaas Henk Ubels, tevens medewerker aan het boek, denkt van wel. “Veel militairen zien het verschil niet tussen een aalmoezenier of predikant, dat klopt. Maar voor ons werkers bepaalt de zendende kerk onze identiteit. In die zin is ‘verzuiling’ voor ons belangrijk: het geeft diversiteit en een diepere borging van ons werk in de krijgsmacht-organisatie.”

Het boek – in feite een verlaat ‘verjaarscadeau’ aan de Dienst Protestantse Geestelijke Verzorging in de krijgsmacht, die in 2014 honderd jaar bestond – geeft een chronologisch en beknopt overzicht van een eeuw ‘veldpredikerschap’. Startjaar is 1914, toen de geestelijke verzorging een eigen plaats kreeg binnen de krijgsmacht. Namen tot dan toe vooral predikanten uit de garnizoensplaatsen de legertaak op zich, vanaf de mobilisatie ontvingen predikanten een vaste aanstelling, een uniform en rang, maar ze vielen niet onder de krijgstucht.

In dienst van het Rijk, maar gezonden door de kerk, dat zou wel eens tot dilemma’s kunnen leiden. En dat deed het. Bijvoorbeeld toen de Nederlandse Hervormde kerk zich in juni 1962, middenin de Koude Oorlog en vier maanden voor de Cuba-crisis, radicaal tegen kernwapens uitsprak. Veldprediker Diekerhof, lid van die kerk, wilde het synoderapport bespreken in de opleiding van legerpredikanten, maar hij ontketende daarmee een groot conflict. Niet alleen met CHU-politici, maar ook met zijn baas, hoofdlegerpredikant Bos.

Met het Woord onder de wapenen wijdt er een hoofdstuk aan, geschreven door historica, tevens mede-samensteller van het boek, Els Boon. “Het was een typisch jaren zestig conflict. De kerk ging zich met politiek bezighouden en deed vergaande uitspraken. In de legerleiding en politiek dachten velen: waar bemoeit de kerk zich mee? CHU-staatssecretaris van Defensie Haex was een van hen. Hij verbood Diekerhof in 1964 een gewestelijke vergadering te beleggen. Maar minister De Jong, de latere premier, riep zijn staatssecretaris terug . ‘Dit is een kerkelijke zaak’, zei hij, ‘daar treden wij niet in.’ Anderzijds vond de minister van Defensie dat de geestelijke verzorging zich naar de regels van de krijgsmacht moest gedragen. De Jong gaf met die twee uitspraken precies de grondwettelijke scheiding tussen kerk en staat aan.”

Dilemma’s over die grondwettelijke grens deden zich wederom voor in de jaren tachtig toen een kritische cursus over kernwapens in protestants vormingscentrum Beukbergen werd stopgezet. De legerleiding ergerde zich vanaf de jaren zeventig al aan de in haar ogen ‘pacifistische en krijgsmachtondermijnende’ vormingscentra, n.b. ooit opgericht om dienstplichtigen te waarschuwen tegen het communisme. Volgens Ubels (1960) zijn dit soort conflicten tussen kerk en staat nu verleden tijd binnen de krijgsmacht. “De Koude Oorlog en daarmee de discussie over kernwapens is over. Bovendien heeft de PKN zich de afgelopen jaren te veel met de eigen organisatie beziggehouden om nog politieke uitspraken te kunnen doen.”

woord-onder-de-wapenen

Natuurlijk zijn er wel eens missies waarbij de geestelijke verzorging vraagtekens zet, zegt Ubels, maar daarover wordt alleen nog intern, en niet in de pers, gesproken. “Maar juist op zulke missies kun je als geestelijk verzorger van grote waarde zijn. Je eigen vragen kom je namelijk ook onder militairen tegen. Tijdens een missie – ik kan ambtshalve niet zeggen welke – sprak ik met een marineman op een onderzeeboot, die zo z’n twijfels had. Maar al pratende met elkaar kwam hij er wel op uit dat hij een diepe waarde toekende aan het democratisch bestel. De democratie heeft besloten dat wij hier rondvaren, concludeerde hij, en daarmee kon hij uiteindelijk verder.”

Militairen maken een intensivering van het leven mee, vooral tijdens missies, maar niet alles is bespreekbaar met collega’s, weet Ubels. “Bij ons kunnen ze altijd aankloppen. Bijvoorbeeld om uit te huilen als er een collega is gesneuveld. Of met ethische dilemma’s. Wij vallen niet onder de militaire hiërarchie, hebben een ambtsgeheim en maken geen gespreksverslag. Het is dankbaar werk.”

Els Boon (1957): “Diekerhof zei altijd: je moet bij de man zijn, presentiepastoraat. Als het goed is, waken geestelijk verzorgers ervoor dat een militair een mens blijft en zich geen vechtmachine gaat voelen. Afgelopen maart noemde PvdA-kamerlid Eijsink de geestelijke verzorging een veilige plek binnen de krijgsmacht. Terecht.”

Toch, als je het boek doorleest krijg je de indruk dat geestelijke verzorging tijdens de Koude Oorlog ook heeft gewerkt als religieuze legitimatie van conflicten, bijvoorbeeld de Korea-crisis (1950-1953). Ubels: “Dat zal in het verleden zeker het geval zijn geweest, het idee van: God staat aan onze zijde. Maar toch zal ook altijd, denk ik, hoop ik, het geloof in het vredesrijk een rol hebben gespeeld. Tijdens buitenlandse missies , bijvoorbeeld in Irak, gaat de Bijbel open bij Zacharia: het vredesrijk van God komt tot stand noch door geweld noch door kracht, maar door Mijn Geest.”

Boon: “In Afghanistan worden de Nederlandse militairen gezegend: God heeft jou gewild in deze wereld en Hij gaat met je mee. Maar daarmee wordt niet bedoeld dat God achter die oorlog staat. Iemand wordt in zijn bestaan bevestigd, daar gaat het om.”

Naast de missies is er uiteraard ook nog een ‘thuis’. Sinds de dienstplicht is afgeschaft zijn er geen zondagse kerkdiensten meer op de kazernes. Wel bezinningsbijeenkomsten en ‘mijmermomenten’ tijdens oefeningen. Daarnaast maakt de geestelijk verzorger deel uit van een eenheid, waardoor hij zichtbaar aanwezig is op de werkvloer en meedraait in de dagelijkse routine.

“Doordat de geestelijk verzorger een hechte band opbouwt met de beroeps, bijvoorbeeld ook door mee te gaan op bivak, durft een militair privé- of werkproblemen aan hem toe te vertrouwen”, vertelt een woordvoerder van het ministerie van Defensie. “Een beroeps is after all ook maar een mens van vlees en bloed.”

En dan is er nog altijd het vormingswerk, dat geheel interlevensbeschouwelijk wordt aangeboden. Ubels: “Sommigen komen in zo’n vormingscentrum tot de vraag: ben ik wel geschikt voor het vak van beroepsmilitair? Wij denken dan met hen mee, wat wel eens heeft geleid tot een vertrek uit het leger. Wij willen eraan meewerken dat de militair trouw kan blijven aan zichzelf. Ook in dat opzicht zijn wij er voor hem, voorbij kerkgrenzen heen.”

Eerste aanzet

Het boek Met het Woord onder de wapenen. Protestantse geestelijke verzorging in de krijgsmacht vanaf 1914 wordt donderdag 8 december gepresenteerd in vormingscentrum Beukbergen in Huis ter Heide. In de uitgave behandelen historici, theologen en krijgsmachtpredikanten in grote lijnen de geschiedenis van de protestantse geestelijke verzorging in de afgelopen eeuw.

Volgens de inleiding is het boek slechts een eerste aanzet. Onderwerpen als de strijd over de geestelijke vorming in het parlement, de rol van krijgsmachtpredikanten tijdens de politionele acties in Nederlands-Indië, de situatie na de Koude Oorlog, enz. komen in de publicatie niet aan de orde.

Historica Els Boon, die samen met krijgsmachtpredikant Wilco Veltkamp en historicus Jan Hoffenaar de redactie vormde, hoopt dat het boek een zaadje zal blijken dat uitgroeit tot ‘een mooie grote boom, bijvoorbeeld in de vorm een proefschrift.’

Het boek is een gezamenlijke uitgave van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme, het Nederlands Instituut voor Militaire Historie en de Dienst Protestantse Geestelijke Verzorging in de krijgsmacht.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *