Dynamische dode dieren

Op de radio hoorde ik dat in het Rotterdams Natuurhistorisch Museum een walvisschedel te zien was van zo’n acht miljoen jaar oud. Het ging om een nieuw ontdekte soort: de tranatocetus maregermanicum, wat vrij vertaald geslacht uit de Noordzee betekent. De doodskop, opgevist in Zeeland, zou nog grotendeels intact zijn. Enkele dagen later stond ik recht tegenover het gigantische gevaarte, dat geplaatst was tussen enkele Zeeuwse collega-fossielen.

Conservator Bram Langeveld (foto) was zo vriendelijk om uitleg te geven over de aanwinst. Dat een leek  de schedel  niet vanzelf als schedel zou herkennen, was hij direct met me eens. “Het is best bizar materiaal”, zei Langeveld. “Het voorhoofd zit eigenlijk op het achterhoofd, en de neus is enorm uitgerekt. Verder zal het publiek tevergeefs naar tanden zoeken, want die heeft een baleinwalvis niet.”

Wat niet wegneemt dat de schedel, na al die miljoenen jaren, er nog zeer goed uitziet. De vondst bleek bij het opvissen ‘verpakt’ in versteend sediment, waardoor allerlei breekbare delen behouden waren gebleven. De conservator wees de onderkaken aan, nog geheel op de juiste plaats, en het zeer fragiele neusbeen.  Volgens hem reageert het publiek enthousiast op de oerwalvis, die vorige week wetenschappelijk werd beschreven in vakblad Peer J.

Eerlijk gezegd zou ik uit mezelf niet snel naar een natuurhistorisch museum gaan. De wereld van geprepareerde vogels, vlinders  achter glas en reptielen op sterk water is mij te opgeprikt. Maar nu ik, gelokt door de tranatocetus maregermanicum, er toch was, besloot ik de volledige collectie eens te bekijken. Waarbij ik ontdekte dat gestorven dieren wel degelijk dynamisch zijn.

Zo is er de afdeling dode dieren met een verhaal. Een steenmarter ‘saboteerde’ in 2016 een deeltjesversneller nabij Geneve, waarna de machine plat kwam te liggen en de marter smartelijk verschroeide. Wat bewijst dat we ondanks alle technologisering nog steeds onderdeel zijn van de natuur. Meer nog, dat de marter vlak voor zijn dood iets ongekend groots heeft verricht. In 2018 gebeurde iets soortgelijks in Friesland en op Ameland en Terschelling. Een groot deel van de inwoners aldaar zat een paar uur in het stikdonker nadat een duif (foto) een installatiehuisje was binnengevlogen en ter plekke kortsluiting veroorzaakte. Dode dieren als ‘levend’ teken van de botsing tussen natuur en technologie.

Op de afdeling de stad is ook natuur zie je juist het tegenovergestelde: dieren die zich evolutionair aanpassen aan het moderne leven. De stadsmerel komt ’s nachts niet tot rust, maar zingt, beschenen door straatlantaarns, een mooie serenade voor de vrouwtjes. En spreeuwen in verstedelijkte gebieden doen niet meer de geluiden van andere dieren na, maar van telefoons en toeterende auto’s. Of van vertrekkende treinen, zoals de spreeuw op spoor negen van Rotterdam Centraal, die met zijn imitatie dagelijks reizigers voor de gek houdt.

Wat een leuk museum toch, dat Natuurhistorisch in Rotterdam. En dat gelukkig niet door allerlei interactief belevingsgedoe – onder het tegenwoordig onvermijdelijke motto: iets bestaat pas echt als je het zelf hebt meegemaakt -, maar simpelweg door ijzersterke museale teksten en thema’s. Waarbij de constante vraag is: wie is wie slimmer af, de mens het dier of het dier de mens.

De vraag is: wie is wie slimmer af. De mens het dier of omgekeerd?

https://www.trouw.nl/samenleving/de-vraag-is-wie-is-wie-slimmer-af-de-mens-het-dier-of-omgekeerd~a6f424fe/

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *