De troostbuis

Zijn we ziek, geblesseerd tijdens de Vierdaagse of misselijk van liefdesverdriet, Hilversum zegt: ‘Komt allen tot mij die vermoeid en belast zijt en ik zal u rust geven.’

Vijftien jaar geleden overleed Toon Hermans. Ik was een van de laatste gelukkigen die hem mocht interviewen. Niet over cabaret, maar over God. Toon had over het Opperwezen juist een boekje geschreven, getiteld ‘Gewoon God’.  “Kijk”, zei  Toon, “zie je die grashalm daar? Dat is God. Een acrobaat, een clown, God is in alles.”Krap twee jaar later stierf hij. “Ik ben niet bang voor de dood”, had Toon gezegd. “We staan zo ver van de dood af, ik zou willen weten wie hij is.” Op zijn graf staat: ‘Laat ons altijd weer Uw wil geschiede zeggen.’

Een woord van overgave, dat vermoedelijk op steeds minder grafzerken te lezen zal zijn. Ieder ‘weldenkend mens’ is immers ontkerstend en in het verlengde daarvan is de dood het definitieve en bittere einde van een mensenleven. Je overgeven aan God hoeft niet, kan zelfs niet, want er is geen God. Alleen de dood is er, als wrede, onnatuurlijke onderbreking van het leven. De dode blijft alleen voortbestaan in onze gedachten.

Het is dát denken over de dood dat de televisie ons voorspiegelt. In levensverhalen worden overleden dierbaren met liefde herdacht, maar verwijzingen naar een mogelijk hiernamaals zijn uitzondering.

Ook bij een katholieke omroep als de KRO. Het KRO-programma ‘Ode aan de doden’, elk jaar in de week van Allerzielen, voelt de tijdgeest perfect aan: er is behoefte aan rituelen rond de dood, maar niet aan expliciet christelijke noties. Dus worden er wél  kaarsjes gebrand, maar gaat het niet over God, Jezus of Maria. De gestorvene zelf staat centraal in een seculiere requiemmis. Zo stak KRO-verslaggever Ajouad el Miloudi een kaarsje aan voor zijn overleden oom ‘omdat hij zo lief en charismatisch was en zulke mooie maatpakken droeg.’

Door Allerzielen te seculariseren, is de herdenking iets van ons allemaal geworden, zou je kunnen zeggen, ongeacht cultuur of geloof.  In het programma zie je hoe graag nabestaanden de levensverhalen over hun dierbaren met ons delen. Het biedt hen troost en gemoedsrust.  Da’s mooi, maar voor de doden zelf is het wel een hele verandering, denk ik wel eens.  Nu er geen Paradijs meer is, blijven ze voor altijd op onze woelige aarde.

Hetzelfde post-christelijke beeld zie je bij programma’s over ziektes en lijden. Dat zijn geen natuurlijke verschijnselen meer die helaas bij het bestaan horen, en die we, met hoopgevende steun van ‘boven’, en werkend aan genezing zullen kunnen (ver)dragen, nee het zijn vijanden geworden, beledigingen van het leven, indringers die we boos moeten aanvallen. En uitbannen!

Daarom is er een eindeloze reeks programma’s van patiënten in gevecht met hun ziekte, of het nu kanker is, obesitas of dementie. Na een beetje tv-avond heb je zomaar de halve medische encyclopedie in je hoofd, inclusief uiterst zeldzame kwalen als het Syndroom van Dandy Walker (BNN in juni 2013).

Wat deze formats gemeen hebben, is dat de individuele mens wordt teruggebracht tot zijn kwaal, en dat bewust wordt ingespeeld op emoties. Natuurlijk, patiënten kunnen hun verhaal kwijt en dat zal hen opluchten, maar de prijs die zij ervoor betalen is dat hun worsteling genadeloos in beeld komt. “Heb je het idee dat je haar al aan het verliezen bent?”, vroeg NTR-presentatrice Mirella van Markus in ‘Over leven met’ aan Leon, echtgenoot van een dementerende vrouw.

Heel ver in effectbejag ging het KRO-programma’Liefde voor later’, waarin presentatrice Anita Witzier zogenoemde herinneringsdozen samenstelde met stervende zieken (en hun jonge kinderen!). “Deze knuffel, hè?”,  vroeg Witzier met een poppetje in haar hand aan het sterfbed van nierkankerpatiënt Eric, “deze knuffel is vast een vriendje geweest in goede en slechte tijden?”Zo blijkt, ook leed-tv ontkomt niet aan de ijzeren wetten van Hilversum: het moet de kijker bij z’n nekvel grijpen. Het belang van de stervende lijkt niet altijd hoofdzaak. Alles voor de kijkcijfers. “Goed wakker geworden”, twitterde Marc Dik, producent van ‘Liefde voor later’, “950.000 kijkers.”

De kijker moge bevestiging ervaren van zijn eigen verdriet, ook hij betaalt een prijs: angst. Zo verschenen onderin beeld bij ‘Over leven met’voortdurend vreesaanjagende mededelingen uit, wat ik voor het gemak maar even ‘de steeds-meer-school’ noem: steeds meer alzheimer, steeds meer demente vrouwen, nu al  gestegen naar één op drie – alleen al tijdens de uitzending? (W.P.) –  en steeds meer geld nodig. Ten slotte een telefoonnummer, waar we terechtkonden met onze giften.

Dezelfde combinatie van angst en strijdlust zien we in ‘Ik sta op tegen kanker’, een jaarlijks terugkerende KWF-donateursshow. Avro-presentatoren herhalen daarin om de drie zinnen dezelfde mantra: Sta op, sta op, sta op. Grimmige wervingsspotjes van BN’ers moeten die oproepen ondersteunen. Simon (van Nick en Simon): “Hoe ver moeten we gaan om jou te laten opstaan?”En Robert ten Brink: “Ja, hoeveel BN’ers moeten we nog voorbij laten komen?”

Wat deze programma’s veelal uitstralen is een groot geloof in maakbaarheid. In ‘Operatie NL fit’ (Avro) moesten obesitas-patiënten hun imperfectie zelfs bekopen met een verantwoordingsplicht voor een streng en vernederend tribunaal.  Wie maar genoeg strijdt zal genezen, is de gedachte. Alsof toeval, geluk of stomweg genetische pech niet bestaan. Wat moeten al die mensen die niet zo vechtlustig zijn of de moed al hebben opgegeven? Hebben die het aan zichzelf te wijten als ze overlijden?

Een vorm van troost die ons nog maar zelden wordt geboden is die van de acceptatie en berusting. Zoals bij Toon Hermans. Of leukemie-patiënt Herman Finkers.“Ik ben een oldtimer die vaak naar de garage moet, maar wel goed blijft lopen”, zei de cabaretier olijk relativerend in ‘College tour’ (NTR). Zijn zus Angelique legde uit: “Herman was niet boos toen hij de diagnose hoorde. Hij vroeg zich niet af: waarom ik? Er kwam juist een enorme rust over hem.”

Over het waarom van die overvloed aan kwalen op tv valt het één en ander te zeggen. En niet alleen dat het samengebald verzet is. Het heeft ook te maken met positieve overwegingen als  bewustwording en preventie (iedereen kan immers ernstig ziek worden). Bovendien zijn leed-programma’s relatief goedkoop te produceren (geen dure sterren die je moet betalen) en leveren ze gegarandeerd hoge kijkcijfers op. Verder zal de farmaceutische industrie er ook niet vies van zijn. Maar er is nog iets, en daartoe moeten we een ander populair Hilversums fenomeen onder de loep nemen: de traan.

De traan doet zich in velerlei vormen en gedaanten voor en is overvloedig op de buis present. In juli 2010, toen ik net tv-recensent was van Trouw, heb ik er eens een paar avonden speciaal op gelet. In álle programma’s die ik zag werd gehuild. Niet alleen in uitzendingen waarin je enig malheur zou mogen verwachten, zoals ‘XXS’ (anorexiapatiënten) of ‘Spoorloos extra’(herenigde familieleden), nee, ook in iets lichtvoetigs als de Nijmeegse Vierdaagse.

KRO-presentator Fons de Poel toverde in één uitzending van ‘Het gevoel van de Vierdaagse’ niet minder dan drie huilende vrouwen tevoorschijn. Een van de bedroefde dames had zelfs een zakdoek ter grootte van een theedoek nodig om haar verdriet te stelpen. Wat was er aan de hand? Ze was geblesseerd geraakt. Niet nu, maar ooit tijdens een eerdere Vierdaagse.

Hoe komt het toch dat mensen bereid zijn op televisie hun leed zo breed uit te venten? In zijn boek ‘Publieke tranen’(2002) geeft mediaprofessor Henri Beunders daarvoor een plausibele verklaring. Vroeger wisten mensen hun verdriet te plaatsen in het grote verhaal van een godsdienst of ideologie, wat relativering en troost opleverde. Nu die grote verhalen voor velen zijn weggevallen, hebben we alleen nog ons eigen ik overgehouden, en dat schreeuwt om erkenning. Krijgen we die erkenning niet op het terrein van talent of beroep, dan maar op dat van klein en groot leed. Democratisering van het trauma, noemt Beunders dit psychologische verschijnsel.

Ik zou liever willen spreken van individualisering van het trauma, juist omdat dát woord mijns inziens nóg beter aangeeft hoe allerlei vertrouwde verbanden, die ons vroeger ter zijde stonden (kerk, verenigingen, familie, huwelijk, verzorgingsstaat), zijn verbrokkeld of uit het zicht verdwenen. We hebben inderdaad alleen onszelf nog.

Waar mensen vroeger met hun ellende naar de kerk gingen, gaan ze er nu mee naar Hilversum. De presentator is de nieuwe dominee/priester, die ons begripvol aanhoort, met dit verschil dat hij met een schuin oog voortdurend op de kijkcijfers let.

Emoties horen bij het leven, en mogen ook zeker op tv, maar in Hilversum lijkt elke maatstaf zoek.  En dat is jammer, want kijkers kunnen via de buis veel (h)erkenning ervaren, blijkt uit het proefschrift ‘De troost van televisie’(1993) van de onvolprezen oud-IKON-directeur wijlen dr. Wim Koole. Uit die dissertatie is een handzame richtlijn te destilleren: alleen privéproblemen die thuis niet bespreekbaar zijn of waarbij de professionele hulpverlening ernstig tekort schiet zijn, mits respectvol en ethisch in beeld gebracht, geschikt voor uitzending op televisie.

Maar nee, de tv weet van geen ophouden. Ook materieel leed behoort nu tot haar zorgtaak. Financiële misère? ‘Een dubbeltje op zijn kant’(RTL 4). Achterstanden met de hypotheek? ‘Uitstel van executie’(RTL 4). Vervelende wijk? ‘Bonje met de buren’(SBS 6).  En ga zo maar door.

Ook in dit genre gelden de onverbiddelijke wetten van de televisie. Er wordt ingespeeld op het voyeurisme van de kijker. We krijgen medelijden met al die ‘stumperds op de buis’, of voelen ons juist gelukkig omdat wij niet zo berooid, naïef of eenzaam zijn. Bij ‘gluur-tv’is kijkcijfersucces gegarandeerd.

De deelnemers aan hulp-programma’s vallen in verschillende categorieën uiteen. Soms zie je mensen  die vooral graag op tv willen, maakt niet uit waarmee. Voorbeeld: de helft van de deelnemers aan ‘Alle dagen seks’vorige zomer had geen seksuele problemen die in de daartoe geëigende circuits (partners, hulpverleners) niet besproken of opgelost zouden kunnen worden (u weet wel, het uit Wim Kooles proefschrift gedestilleerde criterium voor tv-aandacht). Toch spraken deze mensen drie avonden lang met KRO-coryfee Arie Boomsma over de slaapkamer.

Maar de meeste deelnemers aan hulp-tv verkeren wel degelijk in grote moeilijkheden. We zien eenzame en verslagen mensen die elke aansluiting met de maatschappij kwijt lijken. In ‘Een dubbeltje op zijn kant’ figureerden vorig najaar Gertjan en Margriet die vijftigduizend euro schuld hadden. Ze maakten tegenover presentatrice Annemarie van Gaal een hulpeloze indruk. Wat aan het kijkersoog voorbijtrekt is precies het tegendeel van waar de (neo-liberale) Haagse politiek de mond vol van heeft: autonomie en zelfredzaamheid.

Ik denk dat de Wim Koole-richtlijnen,  als ik het zo even mag noemen, daarom welllicht met één criterium moeten worden uitgebreid: voor mensen die de weg in de doolhof van het leven zijn kwijtgeraakt.

RTL, dat grossiert in hulpverleningsprogrammma’s, werd vanwege die grote maatschappelijke betrokkendheid gehuldigd met de Machiavelliprijs 2014. Volgens de jury heeft de omroep de samenbindende taak van kerken en verenigingen overgenomen. Ook RTL-baas Bert Habets refereerde daaraan. Daar zit zeker een kern van waarheid in. Maar er zijn ook pregnante verschillen. Zo stuurt de kerk bij stervenden een priester langs met de laatste sacramenten, en niet Anita Witzier met een herinneringsdoos.

En de commerciële omroep heeft, anders dan de kerk, natuurlijk áltijd financiële belangen. Hulp-tv is één grote fuik voor sponsors en (sluik)reclame. ‘Uitstel van executie’ werd mede mogelijk gemaakt door Grando Keukens & Bad, en toen in dat programma de tuin van een van de deelnemende koppels (Torsten en Sharmaine) moest worden opgeknapt, verscheen het tuincentrum levensgroot met de firmanaam in beeld. In het reclameblok zagen we spotjes van Bruynzeel en Kwantum. Mensen helpen en tegelijkertijd de kassa laten rinkelen is voor een commerciële zender een uitgelezen combinatie, lijkt mij.  Maar met een kerk is deze hulp in dát opzicht natuurlijk niet te vergelijken.

Zeker is wel dat de tobbende mens niet meer in de eerste plaats de kerk op zijn weg treft, maar de omroep. Op háár manier voedt de televisie hongerigen, laaft ze dorstigen en troost ze weduwen. ‘Komt allen tot mij die vermoeid en belast zijt’, noodt Hilversum, ‘en ik zal u rust geven.’ Én kijkcijfers.

Dit essay is een verkorte weergave van de speech die Willem Pekelder hield op de Inspiratiedag 2015 van vrijzinnige kerkgenootschappen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *