Arme jongen

Het is deze maand 43 jaar geleden dat schrijver en sprookjesverteller Godfried Bomans op 58-jarige leeftijd stierf. Bij de dertigjarige herdenking van het overlijden sprak ik zijn vriend Michel van der Plas, inmiddels ook niet meer in leven. Het verhaal verscheen op 22 december 2001 in het Algemeen Dagblad.  “Godfried heeft me tot het einde toe voor de gek gehouden.”

Michel van der Plas loopt enigszins voorovergebogen in een grijze jas over de Spieghelenburglaan. Achter hem aan hinkt een mank hondje. Al 40 jaar woont Van der Plas, pseudoniem voor Ben Brinkel, hier op deze plek in Aerdenhout. Van der Plas die zovelen vreugde schonk met zijn teksten voor Wim Sonneveld en Frans Halsema, zijn prachtige beschrijvingen van het Rijke Roomsche leven, zijn verhalen in Elseviers Weekblad. En zijn deelbiografie Godfried, het leven van de jonge Bomans (1982).

Godfried was jarenlang een vriend van Michel van der Plas. Nou ja, vriend… Hoe moet je iemand noemen die je bijna dagelijks ziet – al was het maar op de redactie van Elseviers Weekblad – en die je na 25 jaar eigenlijk nog steeds niet kent? Op een mooie decembermorgen blikt de (tekst)schrijver in restaurant Roozendaal in Overveen terug op die merkwaardige kameraadschap.

Hij kiest zijn woorden zorgvuldig, er steeds voor wakend ‘zijn’Godfried te kwetsen, alsof de auteur/causeur vanuit de hemel een oogje in het zeil houdt. Gedurig steekt hij een Caballerootje op. Michel van der Plas, 74 nu. Luisteren naar hem is een genot.

Telkens komt Van der Plas weer terug bij die ene vraag: wie was Bomans nu werkelijk? De clown van het grand gala du disque, de tragicus van Bomans in triplo, de onzekere op Rottumerplaat, de ironicus in Pieter Bas, de romanticus in zijn sprookjes of de Roomse jongen in Beminde gelovigen?

Hoe langer Bomans dood is, hoe groter het raadsel voor Van der Plas is geworden. Hij dacht hem vrij aardig te kennen . Vooral in het laatste jaar van Godfrieds leven trokken de twee veel met elkaar op. Zonder tot echte intimiteit te komen, want daar was Godfried de man niet naar. Tot vriendschap behoort uitwisseling, vindt Van der Plas. Dat zat er bij Bomans niet in. Hij hield veel achter.

Samen schreven ze over hun Roomse jeugd het boek In de kou. Ze voerden diepgaande gesprekken die op de band werden opgenomen. Godfried wilde veel van wat op die banden stond niet opgenomen zien in het boek. Hij kwam zeker over, maar was in feite heel ónzeker. Van der Plas haalt – eerst vanachter de koffie en later, tegen lunchtijd, vanachter een glas droge witte wijn – herinneringen op aan die vreemde tegenstelling in ’s mans karakter. Hij schreef in hoofdzinnen, gebruikte nooit bijzinnen; poneerde een stelling of een moraal, terwijl hij twijfelde aan alles. Aan het huwelijk. Liet één dag voor de huwelijksmis zijn latere vrouw Pietsie Verscheure in de steek. Hij twijfelde aan een eeuwig leven: is er een voortbestaan na de dood, was een telkens terugkerende vraag in zijn tv-interviews. Er waren tijden dat hij het allemaal zeker had geweten. Voorbij.

Twijfel. Godfried kon zich niet genoeg laven aan de erkenning en aanbidding van het publiek. Steunpunten, ja dat is het woord. Ten tijde van In de kou kwam hij om de andere week bij Van der Plas op bezoek. En altijd bestond Godfried het weer om bij een van de buren aan te bellen: waar woont Michel van der Plas? Het was zijn nooit afnemende zucht naar het spel, maar ook zijn verlangen de blijde verbazing te zien in de ogen van de meneer of mevrouw die opendeed: ‘Meneer Bomans, U hier?!’Godfried wilde lief worden gevonden, door de mensen, door God. Het Bomanssprookje De dood van de sprookjesverteller gaat over Godfried zelf.

Michel van der Plas geeft meer voorbeelden van de manier waarop Bomans in zijn mateloze hang naar aandacht de mensen manipuleerde. Als ze samen in de trein zaten, kon Godfried zich ineens richten tot een wildvreemde medereiziger. Die ging hij vragen stellen, gerichte vragen, bijvoorbeeld: wie regeert op het ogenblik met ijzeren hand? Het antwoord moest dan luiden: Koning Winter. Een onaangename kant van Bomans, vindt Van der Plas. Vooral omdat hij ongewild in het spelletje werd betrokken: ‘Dat is toch het juiste antwoord, nietwaar secretaris?’

Of die keer dat ze samen naar een bijeenkomst gingen van D’66 om verslag te doen voor Elseviers Weekblad. Godfried stelt na afloop Michel aan Hans van Mierlo voor als chauffeur. Godfried geeft Van der Plas opdracht Van Mierlo thuis te brengen in Amsterdam. Prettig koutend nemen de heren plaats op de achterbank. Bij de Leidsegracht aangekomen – het woonadres van Van Mierlo – doet Van der Plas een schietgebedje: ‘Oh God, laat hij mij geen fooi geven.’ Het gebed wordt verhoord. Godfried begeleidt Van Mierlo naar boven, stapt weer in en gaat achterin zitten. Waarom niet naast Michel? Nee, dat kan niet, want misschien staat Van Mierlo nog voor het raam te kijken. De mythe van de auto met chauffeur moet tot het bittere einde worden volgehouden.

Nooit, nee nooit heeft Van der Plas zijn vriend daarop aangesproken. Hij wilde Godfried in zijn waarde laten, zoals dat heet. Godfried had het spel, de mystificatie nodig, hij kón niet zonder. Dat je daar als vriend bij tijd en wijle het slachtoffer van werd, was gênant, maar je accepteerde het. Van der Plas weet dat Godfried iedereen overdonderde met zijn spel. Hij had in zijn hoofd het jargon opgeslagen van schier elk vak. Wie met Godfried ging biljarten , werd van begint tot eind getrakteerd op het jargon van de biljartverslaggever. Eerst beklopte hij het laken, vervolgens woog hij de ballen in zijn hand. Sprak over stoten vanuit de heup. Dat soort dingen. Hij was verbluffend briljant, vindt Van der Plas nog steeds.

Hij staart nadenkend uit het raam en vraagt dan met zachte stem of we het woord droedelen kennen. Bomans droedelde. Wie zijn brieven of aantekeningen bekijkt, ziet rond de tekst allemaal kleine tekeningetjes, bloemetjes. En in die bloemetjes verstopt zijn handtekening en adres: G.J.A. Bomans, Nieuwe Parklaan zoveel, Bloemendaal. Raadselachtig, meent Van der Plas. Op het toppunt van zijn roem, op het moment dat zijn naam een huishoudmerk was geworden, voelde Bomans zich nog steeds onzeker. Stelde hij eigenlijk wel iets voor als schrijver, als mens? Godfried was niet alleen voor anderen maar ook voor zichzelf een raadsel. Zocht aan het einde van zijn leven zijn toevlucht tot psychiater Jan Foudraine.

Hij won nooit een literaire prijs. Omdat zijn schrijvende broeders hem niet wensten te huldigen, liet Bomans zich op een andere manier gelden. In het laatste jaar van zijn leven verdubbelde hij zijn optredens. Godfried was overal voor in , tot het openen van restaurantzalen en bodega’s aan toe. Voor schrijven had hij steeds minder tijd. Zijn geldingsdrang werd zijn dood, is de stellige overtuiging van Michel van der Plas. Hij stierf door uitputting.

Enkele dagen voor diens dood was hij nog bij Godfried thuis. Om een verhaal op te halen, een interview met Johan Cruijff.  Godfried lag ziek in bed. Hij deed daar luchtig over, maar klaagde wel over vermoeidheid. Op zijn nachtkastje lag Van der Plas’ laatste boek: Een mens leeft niet van bloot alleen. Bomans zei: ‘Je ziet wat mijn lectuur is’, maar Van der Plas geloofde er niets van. Wist zeker dat Godfried het boek speciaal met het oog op zijn komst daar had neergelegd. Tot het einde toe voor de gek gehouden. Pijnlijk, ja.

Een paar dagen later belde Herman van Run: Godfried is dood. Bomans’ echtgenote Pietsie zat aan het sterfbed. Hij overleed in paniek. Wat ging er nu met hem gebeuren? ‘Arme jongen’, fluisterde zijn vrouw. Michel van der Plas kan het alleen maar beamen: “Arme jongen.”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *