Als een afgepelde citroen

Ontbijtje

Een oudere heer naast ons vertelt dat hij ‘een bijzondere foto’ heeft. Hij scrolt door zijn mobiel en zegt: “Kijk, deze heb ik gemaakt in de koninklijke wachtkamer in Amsterdam.”We zien een levensgrote wc-pot. “Ja, normaal gesproken mag je die pot niet fotograferen, maar ik heb tijdens een rondleiding snel mijn kans gegrepen.” Eerbiedig staren we naar het scherm. “Mooi Delfts Blauw, hè?”, glundert hij. “Eh, dat is geen Delfts Blauw”, corrigeert op vriendelijke toon een Aziatisch uitziende man, “maar Makkumer aardewerk.”

We zijn met een groepje van twintig in het Rijksmuseum, waar we een exclusieve rondleiding krijgen door de tentoonstelling ‘Azië > Amsterdam, luxe in de Gouden Eeuw’. Onze gids is kunsthistoricus Max Put – de Aziatische man over wie we het zojuist hadden -, gespecialiseerd in japonisme. Begeesterd verhaalt hij over de grote impact van de VOC op kunst en cultuur in het Nederland van de zeventiende eeuw .

“Delftse aardewerkfabrieken werden door de komst van Oosters porselein geïnspireerd tot het ontwerpen van Delfts Blauw”, vertelt Put. De wc-potten-fotograaf hoort het met zichtbaar genoegen aan. Achter hem staat een grijs geklede heer. “Ik ben een handelsman”, introduceert hij zich aan de groep. We zijn niet verrast, we hadden zijn pientere blik al opgemerkt. “Mijn vraag is: wat waren de winstmarges van de handel met de Oost?” Put moet het antwoord schuldig blijven. “Wel weet ik dat een porseleinen kopje toen ongeveer 25 cent kostte.”

We staan voor een stilleven van Jan van der Heyden, voorstellende het interieur van een welgestelde Amsterdamse familie. De Aziatische invloeden zijn evident: een kleed van Chinese zijde, een ebbehouten kast met daar bovenop een opgezet gordeldier en een porseleinen kom uit Japan. “Ach, ijdelheid der ijdelheden”, citeert een bezoekster met rode sjaal Prediker.

We zijn een bont gezelschap. Er is een vouw die op de Nederlandse ambassade heeft gewerkt, en die ons vriendelijk wenkt als we te lang bij een Japans reisaltaar blijven zwijmelen, eentje met een artistieke rode bril en één met een indrukwekkende vlecht, zowel qua lengte als dikte. Bij het schilderij ‘Ontbijtje’ van Willem Claesz Heda, neemt de rode brillenvrouw de Aziatische invloeden voor lief en komt meteen to the point: “Wat doet die afgepelde citroen daar?”, priemt ze met haar wijsvinger. ”Wel”, antwoordt Put, “die staat symbool voor het leven dat wordt afgepeld, onze gang naar het Laatste Oordeel.”

Behendig legt de kunsthistoricus onverwachte historische verbanden. “Eigenlijk is in de zeventiende eeuw de multiculturele samenleving al begonnen. Kijk maar eens naar ‘Het kasteel van Batavia’ van Andries Beeckman. Die Nederlander daar draagt een Japanse kimono.” De handelsman heeft een ontnuchterende vraag: “Hoe werd er in Batavia gecommuniceerd?” Put: “in allerlei talen, onder meer lokale, die de Nederlandse ambtenaren aldaar aanleerden.”

“Werd er veel gemengd gehuwd?”, wil de vrouw met vlecht weten. “Oh ja, volop”, reageert Put. “Ik ben zelf het product van gemende huwelijken. Mijn grootmoeder is Chinees, mijn moeder Indonesisch en mijn vader Fries.” Tja, dat kan niemand van het gezelschap hem nazeggen: de rode brillenvrouw niet, noch de handelsman, de vrouw met sjaal , de dame van de ambassade en de vrouw met vlecht. En de wc-potten-man ook niet.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *