De dag dat Tuschinski stierf

Op 14 mei 1940 werd het totale Rotterdamse bioscoopimperium van Abraham Tuschinski verwoest. Bij de herdenking overmorgen van het Duitse bombardement staat de joodse filmpionier centraal.

 

Officieel overleed de joodse filmpionier Abraham Tuschinski op 17 september 1942 in Auschwitz. Maar eigenlijk was zijn sterven al  begonnen op 14 mei 1940. Toen maakte het Duitse bombardement in één klap een einde aan zijn Rotterdamse bioscoopimperium: het Grand Théâtre en Studio ’32 aan de Pompenburgsingel, Thalia aan de Hoogstraat en Olympia aan de Binnenweg. Alsmede zijn woning aan de Coolsingel.

Het was zijn verjaardag die dag, Tuschinski werd 54. Hoe zagen zijn laatste gelukkige uren vóór de Duitse aanval er uit? Er is niet veel over bekend, maar zeker is wel dat hij die dinsdagochtend na Pinksteren, vermoedelijk per trein, naar Amsterdam ging voor een bespreking met zijn decorateur Piet den Besten. Ze zouden elkaar die dag voor het eerst bij de voornaam hebben genoemd. ,,Het ga je goed”, had Tuschinski ten afscheid gezegd.

Aan het begin van de middag kwam Tuschinski het bombardement ter ore, waarna hij in allerijl een auto met chauffeur charterde. Wat trof hij aan in de verwoeste stad? In haar historische roman Uit liefde, meneer Tuschinski (2017) beschrijft Tanya Commandeur de misère door de ogen van Tuschinski’s vrouw Manja: ,,Verbijsterd staart ze naar de plek waar Thalia zou moeten staan. In plaats daarvan ziet ze een brandende ruïne met hier en daar nog wat herkenningspunten: een stoel, een uithangbord met de filmaankondigingen: Nu in dit theater.”

In haar boek laat Commandeur de stadsklokken stilstaan op half twee, het moment dat het bombardement aanving. Evenals Tuschinski’s sterven. Of was dat nog eerder begonnen? Misschien al op 8 augustus 1939 toen hij zijn geliefde zoon Will ten grave droeg, 33 jaar oud. Najaar 1938 was Will nog naar de Verenigde Staten getrokken, waar hij al eerder, in 1929 en 1931, ervaring had opgedaan als assistent-regisseur bij Paramount.

Will zou groter worden dan zijn vader en een internationale filmcarrière tegemoet gaan, dat wist Tuschinski sr. zeker. In december 1934 liet hij vol trots Wills eerste film, de romantische klucht Het meisje met den blauwen hoed (naar Johan Fabricius), in première gaan. Vier jaar later kwam Will doodziek uit Amerika terug: keelkanker. En zo verloren de Tuschinski’s ook hun laatste kind aan de dood. Eerder, in 1909 en 1911, waren hun tweelingzoons Nathan en Meijer al op zeer jonge leeftijd gestorven.

1911 was ook het jaar waarin Tuschinski – zeven jaar eerder als joods ‘economisch vluchteling’ vanuit Polen naar Rotterdam geëmigreerd –  zijn eerste Thalia-bioscoop stichtte aan de Coolsingel (later verhuisd naar de Hoogstraat). Binnen twaalf jaar opende hij nog vier theaters in de Maasstad, reden waarom hij daar eerdaags een straat zal krijgen. In 1933 volgde Schiedam met het Passage Theater. Maar het pronkstuk verrees in 1921 in Amsterdam: het eclectisch ingerichte Tuschinski Theater.

De bezoekers wisten niet wat ze zagen. Waren bioscopen tot dan toe obscure, kermisachtige attracties, Tuschinski schiep filmpaleizen vol luxe en comfort: brede, makkelijke stoelen, dikwijls van mahoniehout en met velours bedekt, fraaie tapijten, goudkoperen lichtkronen, een saluerende portier bij de entree en achter de kassa een elegant meisje. Niet voor niets gaf Stadsarchief-historicus Arie van der Schoor zijn Tuschinski-biografie in 1997 de titel Het grootste van het grootste.

Tuschinski, analfabeet maar ambitieus, geloofde heilig in de Amerikaanse aanpak. Hij noemde zichzelf tycoon, gaf het Tuschinski Nieuws uit, waarin hij graag poseerde met beroemde filmsterren en bracht lichtreclames in de stad. Abraham Tuschinski, dat was  Maurice Chevalier op de rode loper, zegt Van der Schoor (60).

Tot 1929 had Tuschinski succes. Daarna kwam de beurskrach met als gevolg lege zalen en financiële problemen. De filmpionier introduceerde als tegenwicht nachtelijke galapremières in Tuschinski en het Grand Théâtre, maar toen een journalist hem in 1932 vroeg hoe de zaken ervoor stonden, antwoordde hij: ,,Hoeveel menschen blijven uit de bioscoop die er anders zouden komen? Wat zegt één volle zaal?” De advertenties kregen een wanhopige klank, schrijft NRC-journalist Henk van Gelder in zijn boek Abraham Tuschinski (1996): ,,Iedere inwoner van Schiedam is verplicht het modernste en mooiste theater van Nederland, het Passage Theater, te bezoeken.”

Ook zijn privé-leven verkeerde in een crisis. Tuschinski kreeg een verhouding met zijn schoonzus Jet Bood, maar bleef getrouwd met Manja. Ondertussen nam het openlijke anti-semitisme toe. Begin jaren dertig , toen hij, samen met zijn compagnons en zwagers Hermann Ehrlich en Hermann Gerschtanowitz, een theater wilde openen aan het Haagse Spui, kreeg Tuschinski van NSB-zijde te horen dat ,,hij als volkschvreemd element zijn oostjoodsche driften in de Diets-Germaansche gemeenschap wilde uitleven.”

En in Rotterdam waren rijke industriëlen als de Van Beuningens en De Monchy’s geregeld te gast in Tuschinski’s imperium, maar ze piekerden er, volgens Van Gelder, niet over hem toe te laten tot hun chique roeivereniging De Maas.

Maar Tuschinski was veerkrachtig, een taaie overlever. Met Hitler zou het zo’n vaart niet lopen, dacht hij lange tijd. Zelfs nadat hij in de zomer van 1942, samen met Manja, op transport was gesteld naar doorgangskamp Westerbork, behield hij zijn faҫade van optimisme.  Tegen filmcritica Ellen Waller, die hij in dat kamp ontmoette, zou Tuschinski hebben gezegd:  ,,Als dit alles voorbij is, dan komt u weer bij mij zitten, in de loge van mijn mooie theater.”

Tot één dag voor de Duitse inval ging het vertier in Tuschinski’s Rotterdamse theaters onbekommerd door. Het bioscoopnieuws van het Rotterdamsch Nieuwsblad vermeldde op 9 mei 1940: in Thalia de detective Het geheim van de witte kamer, in Olympia de western De wrekende rancher, in Studio ’32 de komedie Eerste liefde en in het Grand Théâtre de Franse film-noir De Emigrante.  Uitgezonderd de laatste titel een mix van commerciële Amerikaanse produkties. Tuschinksi bracht, dankzij een deal met Paramount, Hollywood naar Nederland. Daarnaast in Studio ’32 vaak avant-gardefilms.

De filmladder van 9 mei zou Tuschinski’s laatste zijn. Na het bombardement raakte hij alles kwijt. Zijn vrouw Manja probeerde, volgens Van der Schoor, nog met vervalste papieren een overtocht naar Amerika te regelen, maar dat mislukte. ,,Ik denk dat Tuschinski op dat moment alle moed had laten zakken”, zegt de historicus. ,,Al zijn kinderen dood, een wankel huwelijk en het bioscoopbedrijf in puin.”

Zo kwamen Abraham en Manja Tuschinski arm en berooid op 17 september 1942, via Westerbork, aan in Auschwitz. Het land dat ze ooit hadden verlaten om een nieuwe toekomst op te bouwen werd nu hun sterfhuis. Nog op de dag van aankomst werden ze vergast.

Met dank aan Het grootste van het grootste  van Arie van der Schoor en Nelleke Manneke, Abraham Tuschinski van Henk van Gelder en aan Jacques Börger, Rotterdams historicus en Tuschinski-kenner.

Rotterdamse lefgozer Tuschinski

Speciaal ter ere van Abraham Tuschinski, vertoont LantarenVenster overmorgen, 14 mei, om 20.00 uur de mini-documentaire De hoge vlucht van Abraham Tuschinski. Daarin typeert  Rotterdams filmmaker Arthur Bueno de joodse bioscooppionier als , ,,een lefgozer die het schopte tot BN’er.”

,,Net als in andere landen, met name Amerika, waren het ook in Nederland joden die het bioscoopbedrijf naar een hoger plan trokken”, zegt Bueno (54). ,,De joodse emigratiestromen begin twintigste eeuw vielen samen met de opkomst van het nieuwe medium film. Omdat ze vanwege jodenhaat vaak niet welkom waren in bedrijven, stopten de emigranten hun ondernemingszin graag in dat nieuwe medium.”

,,Tuschinski bracht voornamelijk Amerikaanse amusementsfilms voor een zo breed mogelijk publiek. Hij liet als Oost-Europese jood ons het Westen zien, the American dream. Dat assimilerende, zuiloverschrijdende was Tuschinski’s succes”, volgens Bueno.

Tegelijkertijd besteedde Tuschinski aan de vooroorlogse opkomst van het nazisme, zoals de Kristallnacht, niet of nauwelijks aandacht. Henk van Gelder schrijft in zijn biografie Abraham Tuschinski (1996) zelfs dat Hitler en Mussolini in te zien waren in het Tuschinski-journaal van juni 1934. Pas na protest werd de reportage verwijderd.

Na de vertoning van Bueno’s documentaire zingt Gerard Cox De ballade van het wonderorgel  van Jaap van der Merwe over het bombardement op een bioscoop aan de Hoogstraat.

Ook  de H.J.A. Hoflandlezing staat 14 mei in het teken van film: Historicus en Niod-directeur Frank van Vree stelt de vraag: zijn er ethische grenzen aan de verbeelding van de Holocaust?

Rijke Rotterdamse industriëlen piekerden er niet over Tuschinski toe te laten tot hun chique roeivereniging De Maas

https://www.nrc.nl/nieuws/2018/05/11/tuschinski-was-jarig-en-verloor-al-zijn-bioscopen-a1602411#paywall

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *