De ándere Duitser

Prins Claus, overleden in 2002, zou deze maand 90 jaar zijn geworden. Zijn geboorteplaats Hitzacker eert hem daarom met een expositie in het plaatselijke museum: ‘In de sporen van de Oranjes’.  Ter gelegenheid daarvan hierbij een herpublicatie van een portret dat ik na Claus’ dood schreef voor Vorsten. Een paar van zijn beste vrienden blikken terug op het leven van de Duitse jonkheer en prins-gemaal.
Wat voor man was prins Claus? Avontuurlijk, open, intelligent, progressief. Vrienden en bekenden halen herinneringen op aan de gestorven prins-gemaal. “Den Uyl wilde hem best hebben als minister van buitenlandse zaken.”

Een avontuurlijke, open man, iemand die zoveel mogelijk alles zélf wilde meemaken. Zo herinnert Avi Primor, Claus’ beste vriend, zich de vorige maand overleden prins-gemaal. “Hij ging niet alleen met de Afrikanen om omdat dat nu eenmaal zijn werk was. Hij was persoonlijk en oprecht geïnteresseerd in die mensen, en dat merkten ze”, vertelt Primor, die in 1961 gelijktijdig met Claus diplomaat was in Abidjan, de hoofdstad van Ivoorkust. De belangstelling voor de Afrikaanse cultuur ging zo ver dat Claus, zo bekende hij ooit, er niet voor terugdeinsde qat te kauwen. “Ik weet dat hij een enkele keer heeft gebruikt. Toen ik vroeg waarom, antwoordde Claus: ‘Omdat deze drug een probleem van de mensheid is.’”

Voorzitter van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers Hans Simons, die halverwege de jaren negentig samen met Claus en hun gezamenlijke piloot Willem-Alexander een inspectie-reis maakte naar Tanzania, waar Claus opgroeide, ziet nóg de ergernis op het gezicht van de prins als hij tijdens een bezoek aan een Nederlands ontwikkelingsproject weer een stoet four wheel drives zag arriveren. “Hij wilde Afrikanen zien, geen westerlingen.”

“Claus was zonder overdrijving de populairste diplomaat van Ivoorkust”, zegt Primor, die namens de nog jonge staat Israël naar het Afrikaanse land was gezonden als ambassade-secretaris. Het duurde even voordat jonkheer Von Amsberg ook geliefd was bij Primor. “Omdat wij een nieuwe ambassade waren, vereiste het protocol dat wij kennis gingen maken met de andere ambassades in Ivoorkust, in totaal elf. Ik ben ze allemaal af geweest, behalve de Duitse. Ook toen mijn ambassadeur aandrong om toch te gaan, heb ik geen actie ondernomen. Als jood wilde ik niets met Duitsers te maken hebben.”

Avi Primor

Claus daarentegen had grote belangstelling voor het jodendom. Niet alleen vanwege Duitslands besmette verleden, ook religieuze motieven speelden een rol, denkt zijn vriend de priester-dichter Huub Oosterhuis. “Claus stond als vrijzinnig-gelovige zeer open voor een progressieve verwoording van de Bijbelse, christelijke traditie. Interesse voor het jodendom hoorde daar vanzelfsprekend bij.”

Het was Claus zelf die uit belangstelling voor de Israëlische ‘buren’ uiteindelijk contact opnam met Primor. “Volgens het protocol moet ik ú bellen”, probeerde Primor nog onder de afspraak uit te komen. “Ach, dat protocol…”, wuifde de jonge Duitse diplomaat het bezwaar luchtigjes weg, “is het goed als ik straks even aanwip?” Het onderhoud duurde twintig minuten. “Ditjes en datjes, small talk”, herinnert Primor zich. Hoewel de Duitse jonkheer een goede indruk op hem maakte was Avi Primor blij dat het bezoek achter de rug was. “Hij was vriendelijk, charmant en knap, maar ja Duitser…”

Een paar weken later ging weer de telefoon, dit keer bij Primor thuis. Claus was zojuist geland op het vliegveld en vroeg zich af of hij op weg naar huis een drankje mocht komen drinken. Primor: “Dit vonden mijn vrouw Miki en ik toch echt te ver gaan, maar we durfden geen ‘nee’ te zeggen.” Het bleef die avond niet bij een borrel, het werd een visite van vijf uur. “Het leek of Claus ons iets wilde uitleggen. Hij begon uit zichzelf te praten over Duitsland, over het nazi-tijdperk, over zijn dienstplicht bij de Wehrmacht. Wij hadden altijd geleerd dat Duitsers hun verleden ontkenden, maar Claus was er heel eerlijk en open over. Mijn vrouw en ik vroegen of hij bleef dineren. Van déze Duitser wilden wij niet meer af.” Die avond werd de basis gelegd voor een levenslange vriendschap. Mede door toedoen van Claus sleten de anti-Duitse gevoelens van Avi Primor. Van 1993 tot 1999 was hij zelfs Israëls ambassadeur in Duitsland.

Als de jonge diplomaten op hun thuisbases zaten – Primor in Jeruzalem en Claus in Bonn – schreven ze elkaar lange brieven. In het Frans, de taal van de diplomatie. “Internationaal telefoneren was voor ons te duur. Als diplomaat had je het niet arm, maar je kon je geen buitensporige uitgaven veroorloven.” Zo wisten Avi Primor en Claus voor een zacht prijsje een speedboot op de kop te tikken. “Omdat Miki en ik aan een lagune woonden, vatte Claus het plan op om te gaan waterskiën. ‘Dat is toch veel te duur?!’, riep ik, maar Claus wist dat in Japan de boten erg goedkoop waren. Via een collega van mij op de Israëlische ambassade in Japan, konden we ons voor een – laat ik zeggen – diplomatiek prijsje een boot aanschaffen. Claus kreeg het voor elkaar om via een collega van de Duitse ambassade in Washington voor weinig geld aan een motor te komen. In totaal hebben we voor boot en motor 600 dollar betaald. Het was ‘great fun’ met Claus.”

In de loop van 1965 kreeg Primor een belangrijke brief van Claus. Hij was verliefd geworden en wel zodanig dat had zijn nieuwe baan – tweede man op de pas geopende Duitse ambassade in Tel Aviv – er voor had laten schieten. In een volgende brief onthulde Claus wie zijn geliefde was: ‘Hoe moeilijk het misschien ook wordt, ik zal tot het einde toe aan deze liefde blijven vasthouden.’ Primor: “Hij wilde het Nederlandse volk tonen dat hij hun prinses waardig was.” Het met rellen gepaard gaande huwelijk in 1966 maakte Primor niet mee. “Ik schreef een brief met een smoes – ik had niet de moed om eerlijk te zijn – , maar uit Claus’ antwoord bleek dat hij precies wist wat mijn wérkelijke reden was: de joodse gemeenschap in Nederland boycotte het huwelijk. Claus had er alle begrip voor dat wij daarom hadden afgezegd. Wel drong hij er op aan om zo snel mogelijk na de huwelijksplechtigheden te komen logeren.”

Toen de logeerpartij voor de deur stond, hadden Avi en Miki Primor last van protocollaire zenuwen. “Hoe moesten we Beatrix aanspreken? Ze was kroonprinses, maar ook de vrouw van onze vriend.” Het probleem loste zich vanzelf op toen het echtpaar Primor bij Kasteel Drakensteyn aankwam. De kroonprinses liep al in de tuin op hen toe en zei: ‘Jullie moeten Avi en Miki zijn. Ik ben Beatrix.”’

Nog vele logeerpartijen zouden volgen – een weekendje Parijs stond altijd hoog op de gezamenlijke agenda – en daarnaast was er wekelijks zo’n drie à vier keer telefonisch contact. “Ook tijdens Claus’ ziekte bleven we gewoon bellen. Bijvoorbeeld toen hij was opgenomen in een kliniek in Basel. Hij vertelde mij dat hij geen controle meer had over zijn gemoedstoestand en plotseling last kreeg van huilbuien. Daardoor was het voor hem een tijdlang onmogelijk om mensen te zien. De oorzaak van zijn problemen was lichamelijk en niet geestelijk. Verhalen dat hij ziek zou zijn geworden omdat hij de tweede viool zou spelen, wimpelde hij af als onzin. Dat Beatrix op de voorgrond zou staan, wist Claus vanaf dag één. Ik heb tijdens die periode nooit gemerkt dat Claus niet meer wilde leven. Dat zei hij pas in de eindfase van zijn leven: ‘Ik heb geen kracht meer om door te vechten.’ Het viel mij overigens op dat Claus zijn gezondheid altijd een minder belangrijk onderwerp vond. Hij droeg zijn ziekte met waardigheid. Liever sprak hij over onze families, de wereldpolitiek of over de ontwikkelingslanden.”

Ook jhr. Pieter Beelaerts van Blokland – voormalig CDA-minister van volkshuisvesting en ruimtelijke ordening – herinnert zich de diepgang van de prins. “Je sprak met hem binnen enkele minuten over een wezenlijk onderwerp. Hij had een grote leergierigheid en sloot een discussie niet snel af. Liever zei hij: ‘Ik hoop dat we hierover binnenkort weer verder kunnen praten.’ Van formele of oppervlakkige antwoorden hield hij niet. Hij wilde echt weten wat je visie was op een bepaald probleem.”

Hans Simons, tevens oud PvdA-staatssecretaris van volksgezondheid, herinnert zich van de Tanzania-reis dat Claus graag discussies uitlokte. “Dan dacht ik: dit kan hij niet menen. Dit zegt hij om mij uit mijn tent te lokken.”

Hans Simons

Zijn intellectuele belangstelling weerhield de prins er niet van om bij officiële gelegenheden burgemeesters of commissarissen van de koningin even alleen te laten ten faveure van de ‘gewone man’. Beealerts: “Ik heb eens meegemaakt dat hij tijdens een receptie in het Paleis op de Dam met handwerkslieden ging praten, onder wie restaurateurs van meubelen. Geen gesprek over koetjes en kalfjes, maar over de vraag: hoe gaat dat nou, zo’n stoel-reparatie? Claus schatte representatieve verplichtingen op zichzelf niet hoog in, maar hij wist er iets van te maken. En de mensen genóten ervan om te praten met een prins die geen degen had ingeslikt.”

Hoe groot Claus’ interesse voor ogenschijnlijk ‘onbelangrijke’ mensen was, merkte Beelaerts direct al bij de eerste ontmoeting met de prins, vlak na diens huwelijk. “Wat mij opviel was dat hij een veel grotere belangstelling had voor mijn zes maanden oude zoontje, dat hij vrolijk op de buik trommelde, dan voor mij. Niet dat mijn vrouw en ik lucht voor hem waren, maar het was duidelijk dat Claus dat jonge wezentje een veel grote wonder vond dan mij. Waarin hij natuurlijk gelijk had. Hij had oog voor kinderen, wat niet altijd de regel is bij intellectuelen. Een kind was voor hem op zichzelf interessant, als klein mensje.”

Prins Claus en prinses Beatrix stichtten snel na hun huwelijk zelf een gezin. Beelaerts, wiens familie een lange traditie kent in dienst van het hof, denkt dat de acceptatie van Claus daardoor is versneld. Is de prins misschien zelf ook altijd een beetje een kind gebleven? Lachend: “Hij heeft altijd iets ondeugends gehouden. Grappig, want dat is een eigenschap die we niet direct aan Duitsers toeschrijven. Dat spottende, ook met zichzelf, dat onverwachtse is bij prins Claus, hoe ouder hij werd, steeds meer naar boven gekomen. Veel oude mensen veranderen niet meer, Claus wel. Met verve.”

Met plezier noemt Beelaerts de koninginnedag dat het koninklijk paar Utrecht bezocht en de prins ‘er vandoor’ ging op de fiets, met een meisje achterop. Of die keer dat hij zijn stropdas afwierp, wat volgens Beelaerts neigde naar ‘een lichte vorm van uitbundigheid’. “Ik denk dat prins Claus zich na zijn 65-ste bevrijd heeft gevoeld. Op die leeftijd kom je vrijer in de samenleving te staan, omdat het werk minder bepalend wordt. Wat je dán nog doet, kies je zelf. Claus werd weer de vrolijke man die hij vroeger was. Hij gaf ruim baan aan zijn emoties.”

Beelaerts denkt dat de prins in het begin moeilijk zijn draai heeft kunnen vinden in Nederland. “Koningin Juliana maakte zich daarover ernstige zorgen. Ze zei een keer tegen mij: Claus is een man die inhoudelijk aan de slag moet kunnen. Ze vond dat haar schoonzoon snel een kans moest krijgen, in elk geval voordat Beatrix op de troon zou zitten, want als echtgenoot van de Majesteit zou het voor Claus nóg moeilijker worden om zich zelfstandig te ontwikkelen. Hij heeft vrij lang moeten wachten op de inhoudelijke functie van inspecteur-generaal voor ontwikkelingssamenwerking (1984, W.P.). De prins heeft zich uiteindelijk wel gedeeltelijk kunnen ontplooien, maar hij heeft veel geduld moeten betrachten.”

Op de vraag of de door depressies geplaagde prins gelukkig is geweest, volgt een aarzelend antwoord. “Ik vermoed dat Claus zou antwoorden: ‘Uiteindelijk tóch wel.’ Ik denk dat het woord ‘toch’ erin zou zitten, omdat de prins zich in het begin waarschijnlijk dikwijls afvroeg: ‘Is het wel zinvol wat ik doe?’”

“Dat zijn echtgenote koningin werd, is voor Claus achteraf een plus geweest, denk ik, omdat zijn bijdrage als gesprekspartner vanaf dat moment veel groter werd en met een andere lading dan toen Beatrix kroonprinses was. Omdat hij geen man van de voorgrond was, heeft dat ‘meedoen’ met zijn sparring-partner de koningin hem vermoedelijk meer bevrediging geschonken dan wij ons wellicht realiseren. Maar het grootste geluk heeft Claus ongetwijfeld gevonden in zijn gezin, zijn kinderen en later zijn kleinkind Eloise.”

Hans Simons: “In Tanzania heb ik gemerkt hoe goed de relatie tussen Claus en Willem-Alexander was. Ze gingen heel warm en respectvol met elkaar om. Een lieve vader-zoon-verhouding.”

Oud-ambassadeur Otto von der Gablentz denkt dat Claus een belangrijke adviseur is geweest voor zijn kinderen, maar vooral voor zijn vrouw. Hij had volgens Von der Gablentz grote diplomatieke gaven, die hem, ware hij niet met de koningin getrouwd, beslist naar een belangrijke ambassadeurspost hadden geleid. Tel Aviv – samen met Den Haag de moeilijkste post in de Duitse buitenlandse dienst – zou zeker voor hem zijn weggelegd, weet Von der Gablentz die in beide steden Duits ambassadeur was. “Je stuurt niet iedere Duitser zomaar naar Israël. Renate Rubinstein schreef ooit: ‘Natuurlijk zijn alle Duitsers verschrikkelijk, behalve degene die je kent.’ Bij Claus kregen mensen het idee: ‘You are not like the other Germans.’ Door zijn bescheidenheid en zijn absolute oprechtheid heeft hij snel het vertrouwen van de Nederlanders verroverd. Zo zou het ook met de Israëlische bevolking zijn gegaan.”

Huub Oosterhuis

Kunstzinnig en intellectueel Nederland, dat aanvankelijk voorop liep in de kritiek op Claus, liet zich eveneens geleidelijk aan voor de prins winnen. Huub Oosterhuis: “In het najaar van 1968 was een groep van zo’n vijftien à twintig kunstenaars verscheidene keren te gast op Drakensteyn om te discussiëren over de functie van de kunst in de moderne tijd. We waren allen zeer onder de indruk van de rol die Claus speelde: levendig, geïnteresseerd, charmant. Beatrix en Claus wilden hun vrienden duidelijk zoeken in andere kringen dan gebruikelijk bij het Oranjehuis. Niet in het militair-industrieel apparaat, waar de voorkeur van prins Bernhard naar uitging, maar in de artistieke wereld. Claus was een linkse man. Dat blijkt ook uit de uitspraak van Den Uyl in kleine kring dat hij de prins best als minister van buitenlandse zaken wilde hebben.”

Otto von der Gablentz

Die kosmopolitische instelling was voor Otto von der Gablentz reden om tussen 1983 en 1990, toen hij ambassadeur was in Nederland, elke twee à drie maanden een afspraak met de prins te maken. “Claus was een gedreven iemand, een Europees denkend man. Ik kon veel leren van zijn ervaringen als Duitser in Nederland. Hij heeft geprobeerd de Nederlands-Duitse betrekkingen te verlossen van cliché’s met als doel er Europese verhoudingen van te maken.”

De oud-ambassadeur zal in dat verband nooit het telefoontje vergeten dat Claus naar zijn residentie pleegde op de avond van 8 mei 1985, enkele uren na een historische rede van de Duitse bondspresident Richard von Weizsäcker. “Bij de 40-jarige herdenking van de bevrijding van het nazi-regime riep Von Weizsäcker de Duitsers op hun verleden eerlijk onder ogen te zien. Het was Claus’ wens dat die toespraak in het Nederlands werd vertaald en gepubliceerd. Toen Von Weizsäcker korte tijd later op staatsbezoek kwam in Nederland, heeft de prins die vertaalde rede tijdens het diner in het paleis aan hem overhandigd.”

Een zoektocht naar wereldwijde harmonie en vrede, dat lijkt het levensdoel van de prins te zijn geweest. Hans Simons: “Op een avond stonden we, geleund tegen een jeep, bij een Memisa-ziekenhuis aan de rand van de Serengeti-steppe. Aan de ene kant ging de zon onder en aan de andere kant kwam de maan op. Ik zal nooit vergeten wat de prins toen zei:  ‘Er is niets mooiers op de hele wereld.”’  

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *