De troostbuis

Zijn we ziek, geblesseerd tijdens de Vierdaagse of misselijk van liefdesverdriet, Hilversum zegt: ‘Komt allen tot mij die vermoeid en belast zijt en ik zal u rust geven.’

Vijftien jaar geleden overleed Toon Hermans. Ik was een van de laatste gelukkigen die hem mocht interviewen. Niet over cabaret, maar over God. Toon had over het Opperwezen juist een boekje geschreven, getiteld ‘Gewoon God’.  “Kijk”, zei  Toon, “zie je die grashalm daar? Dat is God. Een acrobaat, een clown, God is in alles.”Krap twee jaar later stierf hij. “Ik ben niet bang voor de dood”, had Toon gezegd. “We staan zo ver van de dood af, ik zou willen weten wie hij is.” Op zijn graf staat: ‘Laat ons altijd weer Uw wil geschiede zeggen.’

Een woord van overgave, dat vermoedelijk op steeds minder grafzerken te lezen zal zijn. Ieder ‘weldenkend mens’ is immers ontkerstend en in het verlengde daarvan is de dood het definitieve en bittere einde van een mensenleven. Je overgeven aan God hoeft niet, kan zelfs niet, want er is geen God. Alleen de dood is er, als wrede, onnatuurlijke onderbreking van het leven. De dode blijft alleen voortbestaan in onze gedachten.

Het is dát denken over de dood dat de televisie ons voorspiegelt. In levensverhalen worden overleden dierbaren met liefde herdacht, maar verwijzingen naar een mogelijk hiernamaals zijn uitzondering.

Ook bij een katholieke omroep als de KRO. Het KRO-programma ‘Ode aan de doden’, elk jaar in de week van Allerzielen, voelt de tijdgeest perfect aan: er is behoefte aan rituelen rond de dood, maar niet aan expliciet christelijke noties. Dus worden er wél  kaarsjes gebrand, maar gaat het niet over God, Jezus of Maria. De gestorvene zelf staat centraal in een seculiere requiemmis. Zo stak KRO-verslaggever Ajouad el Miloudi een kaarsje aan voor zijn overleden oom ‘omdat hij zo lief en charismatisch was en zulke mooie maatpakken droeg.’

ode-aan-de-doden

Door Allerzielen te seculariseren, is de herdenking iets van ons allemaal geworden, zou je kunnen zeggen, ongeacht cultuur of geloof.  In het programma zie je hoe graag nabestaanden de levensverhalen over hun dierbaren met ons delen. Het biedt hen troost en gemoedsrust.  Da’s mooi, maar voor de doden zelf is het wel een hele verandering, denk ik wel eens.  Nu er geen Paradijs meer is, blijven ze voor altijd op onze woelige aarde.

Hetzelfde post-christelijke beeld zie je bij programma’s over ziektes en lijden. Dat zijn geen natuurlijke verschijnselen meer die helaas bij het bestaan horen, en die we, met hoopgevende steun van ‘boven’, en werkend aan genezing zullen kunnen (ver)dragen, nee het zijn vijanden geworden, beledigingen van het leven, indringers die we boos moeten aanvallen. En uitbannen!

Daarom is er een eindeloze reeks programma’s van patiënten in gevecht met hun ziekte, of het nu kanker is, obesitas of dementie. Na een beetje tv-avond heb je zomaar de halve medische encyclopedie in je hoofd, inclusief uiterst zeldzame kwalen als het Syndroom van Dandy Walker (BNN in juni 2013).

Wat deze formats gemeen hebben, is dat de individuele mens wordt teruggebracht tot zijn kwaal, en dat bewust wordt ingespeeld op emoties. Natuurlijk, patiënten kunnen hun verhaal kwijt en dat zal hen opluchten, maar de prijs die zij ervoor betalen is dat hun worsteling genadeloos in beeld komt. “Heb je het idee dat je haar al aan het verliezen bent?”, vroeg NTR-presentatrice Mirella van Markus in ‘Over leven met’ aan Leon, echtgenoot van een dementerende vrouw.

Heel ver in effectbejag ging het KRO-programma’Liefde voor later’, waarin presentatrice Anita Witzier zogenoemde herinneringsdozen samenstelde met stervende zieken (en hun jonge kinderen!). “Deze knuffel, hè?”,  vroeg Witzier met een poppetje in haar hand aan het sterfbed van nierkankerpatiënt Eric, “deze knuffel is vast een vriendje geweest in goede en slechte tijden?”Zo blijkt, ook leed-tv ontkomt niet aan de ijzeren wetten van Hilversum: het moet de kijker bij z’n nekvel grijpen. Het belang van de stervende lijkt niet altijd hoofdzaak. Alles voor de kijkcijfers. “Goed wakker geworden”, twitterde Marc Dik, producent van ‘Liefde voor later’, “950.000 kijkers.”

De kijker moge bevestiging ervaren van zijn eigen verdriet, ook hij betaalt een prijs: angst. Zo verschenen onderin beeld bij ‘Over leven met’voortdurend vreesaanjagende mededelingen uit, wat ik voor het gemak maar even ‘de steeds-meer-school’ noem: steeds meer alzheimer, steeds meer demente vrouwen, nu al  gestegen naar één op drie – alleen al tijdens de uitzending? (W.P.) –  en steeds meer geld nodig. Ten slotte een telefoonnummer, waar we terechtkonden met onze giften.

Dezelfde combinatie van angst en strijdlust zien we in ‘Ik sta op tegen kanker’, een jaarlijks terugkerende KWF-donateursshow. Avro-presentatoren herhalen daarin om de drie zinnen dezelfde mantra: Sta op, sta op, sta op. Grimmige wervingsspotjes van BN’ers moeten die oproepen ondersteunen. Simon (van Nick en Simon): “Hoe ver moeten we gaan om jou te laten opstaan?”En Robert ten Brink: “Ja, hoeveel BN’ers moeten we nog voorbij laten komen?”

ik-sta-op-tegen-kanker

 

Wat deze programma’s veelal uitstralen is een groot geloof in maakbaarheid. In ‘Operatie NL fit’ (Avro) moesten obesitas-patiënten hun imperfectie zelfs bekopen met een verantwoordingsplicht voor een streng en vernederend tribunaal.  Wie maar genoeg strijdt zal genezen, is de gedachte. Alsof toeval, geluk of stomweg genetische pech niet bestaan. Wat moeten al die mensen die niet zo vechtlustig zijn of de moed al hebben opgegeven? Hebben die het aan zichzelf te wijten als ze overlijden?

Een vorm van troost die ons nog maar zelden wordt geboden is die van de acceptatie en berusting. Zoals bij Toon Hermans. Of leukemie-patiënt Herman Finkers.“Ik ben een oldtimer die vaak naar de garage moet, maar wel goed blijft lopen”, zei de cabaretier olijk relativerend in ‘College tour’ (NTR). Zijn zus Angelique legde uit: “Herman was niet boos toen hij de diagnose hoorde. Hij vroeg zich niet af: waarom ik? Er kwam juist een enorme rust over hem.”

Over het waarom van die overvloed aan kwalen op tv valt het één en ander te zeggen. En niet alleen dat het samengebald verzet is. Het heeft ook te maken met positieve overwegingen als  bewustwording en preventie (iedereen kan immers ernstig ziek worden). Bovendien zijn leed-programma’s relatief goedkoop te produceren (geen dure sterren die je moet betalen) en leveren ze gegarandeerd hoge kijkcijfers op. Verder zal de farmaceutische industrie er ook niet vies van zijn. Maar er is nog iets, en daartoe moeten we een ander populair Hilversums fenomeen onder de loep nemen: de traan.

De traan doet zich in velerlei vormen en gedaanten voor en is overvloedig op de buis present. In juli 2010, toen ik net tv-recensent was van Trouw, heb ik er eens een paar avonden speciaal op gelet. In álle programma’s die ik zag werd gehuild. Niet alleen in uitzendingen waarin je enig malheur zou mogen verwachten, zoals ‘XXS’ (anorexiapatiënten) of ‘Spoorloos extra’(herenigde familieleden), nee, ook in iets lichtvoetigs als de Nijmeegse Vierdaagse.

KRO-presentator Fons de Poel toverde in één uitzending van ‘Het gevoel van de Vierdaagse’ niet minder dan drie huilende vrouwen tevoorschijn. Een van de bedroefde dames had zelfs een zakdoek ter grootte van een theedoek nodig om haar verdriet te stelpen. Wat was er aan de hand? Ze was geblesseerd geraakt. Niet nu, maar ooit tijdens een eerdere Vierdaagse.

Hoe komt het toch dat mensen bereid zijn op televisie hun leed zo breed uit te venten? In zijn boek ‘Publieke tranen’(2002) geeft mediaprofessor Henri Beunders daarvoor een plausibele verklaring. Vroeger wisten mensen hun verdriet te plaatsen in het grote verhaal van een godsdienst of ideologie, wat relativering en troost opleverde. Nu die grote verhalen voor velen zijn weggevallen, hebben we alleen nog ons eigen ik overgehouden, en dat schreeuwt om erkenning. Krijgen we die erkenning niet op het terrein van talent of beroep, dan maar op dat van klein en groot leed. Democratisering van het trauma, noemt Beunders dit psychologische verschijnsel.

Ik zou liever willen spreken van individualisering van het trauma, juist omdat dát woord mijns inziens nóg beter aangeeft hoe allerlei vertrouwde verbanden, die ons vroeger ter zijde stonden (kerk, verenigingen, familie, huwelijk, verzorgingsstaat), zijn verbrokkeld of uit het zicht verdwenen. We hebben inderdaad alleen onszelf nog.

Waar mensen vroeger met hun ellende naar de kerk gingen, gaan ze er nu mee naar Hilversum. De presentator is de nieuwe dominee/priester, die ons begripvol aanhoort, met dit verschil dat hij met een schuin oog voortdurend op de kijkcijfers let.

Emoties horen bij het leven, en mogen ook zeker op tv, maar in Hilversum lijkt elke maatstaf zoek.  En dat is jammer, want kijkers kunnen via de buis veel (h)erkenning ervaren, blijkt uit het proefschrift ‘De troost van televisie’(1993) van de onvolprezen oud-IKON-directeur wijlen dr. Wim Koole. Uit die dissertatie is een handzame richtlijn te destilleren: alleen privéproblemen die thuis niet bespreekbaar zijn of waarbij de professionele hulpverlening ernstig tekort schiet zijn, mits respectvol en ethisch in beeld gebracht, geschikt voor uitzending op televisie.

Oud-Ikon-directeur Wim Koole
Oud-Ikon-directeur Wim Koole

Maar nee, de tv weet van geen ophouden. Ook materieel leed behoort nu tot haar zorgtaak. Financiële misère? ‘Een dubbeltje op zijn kant’(RTL 4). Achterstanden met de hypotheek? ‘Uitstel van executie’(RTL 4). Vervelende wijk? ‘Bonje met de buren’(SBS 6).  En ga zo maar door.

Ook in dit genre gelden de onverbiddelijke wetten van de televisie. Er wordt ingespeeld op het voyeurisme van de kijker. We krijgen medelijden met al die ‘stumperds op de buis’, of voelen ons juist gelukkig omdat wij niet zo berooid, naïef of eenzaam zijn. Bij ‘gluur-tv’is kijkcijfersucces gegarandeerd.

De deelnemers aan hulp-programma’s vallen in verschillende categorieën uiteen. Soms zie je mensen  die vooral graag op tv willen, maakt niet uit waarmee. Voorbeeld: de helft van de deelnemers aan ‘Alle dagen seks’vorige zomer had geen seksuele problemen die in de daartoe geëigende circuits (partners, hulpverleners) niet besproken of opgelost zouden kunnen worden (u weet wel, het uit Wim Kooles proefschrift gedestilleerde criterium voor tv-aandacht). Toch spraken deze mensen drie avonden lang met KRO-coryfee Arie Boomsma over de slaapkamer.

Maar de meeste deelnemers aan hulp-tv verkeren wel degelijk in grote moeilijkheden. We zien eenzame en verslagen mensen die elke aansluiting met de maatschappij kwijt lijken. In ‘Een dubbeltje op zijn kant’ figureerden vorig najaar Gertjan en Margriet die vijftigduizend euro schuld hadden. Ze maakten tegenover presentatrice Annemarie van Gaal een hulpeloze indruk. Wat aan het kijkersoog voorbijtrekt is precies het tegendeel van waar de (neo-liberale) Haagse politiek de mond vol van heeft: autonomie en zelfredzaamheid.

Ik denk dat de Wim Koole-richtlijnen,  als ik het zo even mag noemen, daarom welllicht met één criterium moeten worden uitgebreid: voor mensen die de weg in de doolhof van het leven zijn kwijtgeraakt.

RTL, dat grossiert in hulpverleningsprogrammma’s, werd vanwege die grote maatschappelijke betrokkendheid gehuldigd met de Machiavelliprijs 2014. Volgens de jury heeft de omroep de samenbindende taak van kerken en verenigingen overgenomen. Ook RTL-baas Bert Habets refereerde daaraan. Daar zit zeker een kern van waarheid in. Maar er zijn ook pregnante verschillen. Zo stuurt de kerk bij stervenden een priester langs met de laatste sacramenten, en niet Anita Witzier met een herinneringsdoos.

En de commerciële omroep heeft, anders dan de kerk, natuurlijk áltijd financiële belangen. Hulp-tv is één grote fuik voor sponsors en (sluik)reclame. ‘Uitstel van executie’ werd mede mogelijk gemaakt door Grando Keukens & Bad, en toen in dat programma de tuin van een van de deelnemende koppels (Torsten en Sharmaine) moest worden opgeknapt, verscheen het tuincentrum levensgroot met de firmanaam in beeld. In het reclameblok zagen we spotjes van Bruynzeel en Kwantum. Mensen helpen en tegelijkertijd de kassa laten rinkelen is voor een commerciële zender een uitgelezen combinatie, lijkt mij.  Maar met een kerk is deze hulp in dát opzicht natuurlijk niet te vergelijken.

Zeker is wel dat de tobbende mens niet meer in de eerste plaats de kerk op zijn weg treft, maar de omroep. Op háár manier voedt de televisie hongerigen, laaft ze dorstigen en troost ze weduwen. ‘Komt allen tot mij die vermoeid en belast zijt’, noodt Hilversum, ‘en ik zal u rust geven.’ Én kijkcijfers.

Dit essay is een verkorte weergave van de speech die Willem Pekelder hield op de Inspiratiedag 2015 van vrijzinnige kerkgenootschappen.

Propagandist van God

Vijftien jaar geleden overleed Toon Hermans. Ter nagedachtenis hierbij het verhaal dat ik op 30 mei 1998 over hem publiceerde in het Algemeen Dagblad. Het was Hermans’ laatste kranten-interview.

toon-hermans

“Kijk”, zegt Toon, gezeten op het zonnige terras van zijn villa in Bosch en Duin, “zie je die grashalm daar bewegen? Dat is God. Een acrobaat in het circus, een clown, God is in alles, en in alles is God. Toen ik dat van de week aan een kloosterzuster vertelde, zei ze: ‘Dan bid je zeker de hele dag.’Maar mijn gebed is heel beperkt. Zodra ik het wil formuleren, kan ik het al niet meer. Het is een gevoel. Zoals liefde een gevoel is.”

In zijn nieuwste boek ‘Gewoon God’- samengesteld door Mieke Mosmuller, een arts met dezelfde nieuwsgierigheid naar de zin van het leven als Toon – probeert de 81-jarige artiest dat Gods-gevoel onder woorden te brengen. Misschien kan hij andere mensen helpen in hun zoektocht naar de Waarheid, is zijn hoop. Niet dat Toon zelf alles zo goed weet. Integendeel. Verschillende keren onderbreekt hij het interview met de mededeling dat hij liever zwijgt, omdat hij eigenlijk niets weet. Het zijn geen zekerheden maar gewaarwordingen die hij verkondigt.

Een zwijgende Toon Hermans, dat zijn we niet gewend. “Door die verdomde publiciteit hebben de mensen een vertekend beeld van mij, waardoor niemand mij kent zoals ik ben! De grootheid van de theaterman Toon is piepklein. Als je de meetlat ernaast legt, dan bestaat die grootheid zelfs helemaal niet. Gezichtsbedrog. Er wordt bijna alleen maar gebabbeld in de wereld. Mijn spreken is altijd een parodie geweest op sprekers. Nogmaals: Ik weet niets.”

Ook in ‘Gewoon God’geeft hij volop de ruimte aan zijn vragen en twijfels, die hij verwoordt in tweegesprekken met Mieke Mosmuller. Toch zegt Toon: “Schrijven over God gaat mij makkelijker af dan praten. Als je schrijft, denk je dieper na.”

Eén positieve reactie op het boek is al binnen. “Een vrouw, hoogbegaafd en erudiet, kreeg een hersenbloeding, waarna ze een tijdlang wat timide en labiel was. Ze las ons boekje en zei: ‘Ik ben beter.’Het geloof in God had haar nieuwe kracht gegeven. Ik weet natuurlijk niet of die genezing echt door ons boekje komt, maar die vrouw heeft dat zo ervaren.”

Stilte. Secondenlang. Dan: “Alles wat wij over God zeggen, is nietig gewauwel. Wat ik zeker weet, is dat God geen Sinterklaas is die geeft wat je vraagt, maar verder… Alleen stilte is God. De mensen hebben altijd naar God gezocht. In het Oude Testament trokken ze de woestijn en de bergen in om daar waar het bloedstil is het bovennatuurlijke te treffen.”Glimlachend: “Nu spreek ik mezelf natuurlijk tegen. Eerst vertel ik dat God in alles aanwezig is, zelfs in die grashalm, en dan kun je één minuut later moeilijk beweren dat je de bergen in moet om God te zien. Maar ik kan niet anders dan in tegenspraak over God spreken. Iemand die zegt precies te weten wie of wat God is, is mesjogge.”

Een volgende ‘radio-stilte’valt. In de tuin van Toon zijn alleen de vogels nog te horen die vrolijk kwinkeleren en zich nergens druk over lijken te maken, al helemaal niet over God.

Toon: “Het maakt God geen fluit uit of we over hem praten of niet. Hij blijft toch wel bestaan. De zon houdt ook niet op met schijnen, evenmin de regen met regenen, wat wij daarvan ook mogen vinden. Ik ben een propagandist van God, een spreekbuisje, maar God heeft mijn propaganda niet nodig. Hij is geen Coco-Cola. In de jaren zestig heeft de wetenschap, sommige theologen incluis, geprobeerd God dood te verklaren. Het ging op een manier zoals Goebbels propaganda maakte tegen de joden. God leefde door, maar de God-is-dood-doctrine heeft wel de epoque van de afbraak ingeluid.”

In hun boek schrijven Toon Hermans en Mieke Mosmuller dat die ‘Godloosheid’heeft geleid tot een ernstig verloederde samenleving, waarin de moraal op allerlei gebied is verdwenen: liefde, huwelijk, vriendschap, cultuur. Het enige wat nog teltin de moderne maatschappij is geld. Zo verliezen we stilaan de joie de vivre.

Toon neemt een slokje van zijn mineraalwater. Prikkelhoest. Komt door de pollen in de tuin. “De tv is erger dan de atoombom. Dat er 220 miljoen mensen hebben gekeken naar het Eurovisie Songfestival, dat is toch te knullig en te lullig voor woorden! Weet je hoeveel mensen dat zijn, dat kun je je niet voostellen. En wat zien ze? Een Noors zangeresje van wie ze de taal niet eens verstaan! Het Songfestival is het grootste drama van deze tijd. Als ik naar de tv kijk, zie ik een zee die leegloopt. Er moet geestelijk voedsel de kamer binnenkomen, maar ze geven je zesendertig biefstukken. Daarvan krijg je indigestie. Eén op de duizend mensen zegt iets zinnigs, maar dat geeft de heren Philips en Sony toch niet het recht om zo’n wauwelbak in je huiskamer te zetten?! Ze verkopen je er alvast een afstandsbediening bij omdat ze veronderstellen dat de programma’s je toch niet zullen bevallen. Het water, de essentie van het leven, sijpelt weg. Er is geen waarheid meer over. God zegt: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven.’ Mensen zijn, misschien in steeds grotere aantallen, op zoek naar die waarheid. Want de leegte is groot en de mens hulpeloos.”

Toon staat op en geeft een korte rondleiding door zijn woning. Op de televisie (jawel) een foto van Toon met Tony Bennett. Aan de muur de enige foto die Toon ooit heeft gemaakt: zijn vrouw Rietje in ‘gesprek’met een vogel die stukjes brood pikt uit de schotel in haar handen. ‘Ook dat is God’, hoor je Toon denken. Elders een portret dat Toon in zijn jeugdjaren maakte van de deken van Sittard, die de arme familie Hermans soms wat geld toestopte.

Katholiek noemt Toon Hermans zichzelf niet meer. “Het is te beperkt. Ik voel dat God bestaat, maar dat geloof hoeft geen naam te hebben. Van de katholieke God uit mijn opvoeding is weinig meer over. Islam, jodendom en christendom, ze hebben andere gebouwen en andere rituelen, maar het komt allemaal op hetzelfde neer: God is liefde en liefde is God. Ik wil niet zeggen dat de Kerk overbodig is. Ik ben niet zo’n fan van het Vaticaan, maar als er geen kerken zouden zijn, en ook geen moskeeën en synagogen, waren we ongelukkig. Het zijn verschillende wegen om tot God te komen.”

“God is niet christelijk, de oer-God is van ons allemaal. Denk maar aan het Bijbelverhaal over de kruisiging. Op Golgotha hing een moordenaar die zijn hele leven nog geen enkele seconde aan God had gedacht. En die zei één zinnetje… Het is me ontschoten. Nou, dat zei hij natuurlijk niet…. Hij brabbelde een paar woorden, zijn laatste woorden. En toen antwoordde Jezus: ‘Maak je niet ongerust, vandaag nog zul je met mij in het paradijs zijn.’Als je dát te horen krijgt wanneer je je laatste adem uitblaast, dan kun je vertrekken. Als God dat tegen mij zou zeggen, was ik de gelukkigste man op aarde.”

“Christus speelt een hoofdrol in mijn bestaan. Zoals je hebt kunnen zien, hangt zijn kruisbeeld bij mij boven de trap. Hij is de eerste die ik ’s morgen zie en de laatste als ik ’s avonds naar bed ga. Hij is mijn entree en sortie. Christus is steeds in mijn omgeving, dat voel ik. Ik zeg dat niet uit vroomheid, maar uit een gevoel van natuurlijke vriendschap. Ik heb zoveel respect voor die man dat ik hem zou willen omarmen. Ik probeer Christus na te volgen, maar toch voel ik mij geen christen. Ik ben het met lang niet alles eens wat de Kerk verkondigt. De enige reden dat ik wel eens naar de mis ga, is om de hostie,  het lichaam van Christus, te ontvangen.”

Is de Bijbel voor hem Het Boek of ‘slechts’een van de vele geschriften waaruit de mens wijsheid kan putten? “De Bijbel is prachtig, maar onvolledig. Ik heb verschillende boeken over de Bijbel gelezen – ik ben nu bezig met ‘De onbekende Jezus’van Joanne Klink – en langzaam maar zeker ontdekt dat er grote hiaten in de Schrift zitten. Hoe was Jezus als kwajongen, hoe was de relatie met zijn zuster? Is hij getrouwd geweest? Ik lees er helemaal niets over. Ik mis een heel stuk van zijn leven.”

“Voor de dood ben ik niet bang. Nee. Ik zou willen weten wie de dood is. Ik kreeg gisteren een bidprentje van een overledene en die stond er schaterlachend op. De dood is niet alleen luguber, maar heeft ook iets komisch, iets lachwekkends. Als je ziet hoe mensen met afgezakte smoelen rond zo’n groeve staan. Alsof er nog nooit iemand is overleden! We staan zo ver van de dood af. Daar komt ook het machtsbesef vandaan. Mensen voelen zich machtig omdat ze de dood niet kennen. Geen enkele menselijke macht is zo sterk dat hij de dood aankan: we zijn machtig uit onmacht. We lachen van verdriet.”

“Wat de hemel is? Dat weet ik niet.”Toon is stil, staat op en kucht. “Het zijn de pollen. De pollen.”

 

 

Arme jongen

Het is deze maand 43 jaar geleden dat schrijver en sprookjesverteller Godfried Bomans op 58-jarige leeftijd stierf. Bij de dertigjarige herdenking van het overlijden sprak ik zijn vriend Michel van der Plas, inmiddels ook niet meer in leven. Het verhaal verscheen op 22 december 2001 in het Algemeen Dagblad.  “Godfried heeft me tot het einde toe voor de gek gehouden.”

Godfried Bomans
Godfried Bomans

Michel van der Plas loopt enigszins voorovergebogen in een grijze jas over de Spieghelenburglaan. Achter hem aan hinkt een mank hondje. Al 40 jaar woont Van der Plas, pseudoniem voor Ben Brinkel, hier op deze plek in Aerdenhout. Van der Plas die zovelen vreugde schonk met zijn teksten voor Wim Sonneveld en Frans Halsema, zijn prachtige beschrijvingen van het Rijke Roomsche leven, zijn verhalen in Elseviers Weekblad. En zijn deelbiografie Godfried, het leven van de jonge Bomans (1982).

Godfried was jarenlang een vriend van Michel van der Plas. Nou ja, vriend… Hoe moet je iemand noemen die je bijna dagelijks ziet – al was het maar op de redactie van Elseviers Weekblad – en die je na 25 jaar eigenlijk nog steeds niet kent? Op een mooie decembermorgen blikt de (tekst)schrijver in restaurant Roozendaal in Overveen terug op die merkwaardige kameraadschap.

Hij kiest zijn woorden zorgvuldig, er steeds voor wakend ‘zijn’Godfried te kwetsen, alsof de auteur/causeur vanuit de hemel een oogje in het zeil houdt. Gedurig steekt hij een Caballerootje op. Michel van der Plas, 74 nu. Luisteren naar hem is een genot.

Telkens komt Van der Plas weer terug bij die ene vraag: wie was Bomans nu werkelijk? De clown van het grand gala du disque, de tragicus van Bomans in triplo, de onzekere op Rottumerplaat, de ironicus in Pieter Bas, de romanticus in zijn sprookjes of de Roomse jongen in Beminde gelovigen?

Hoe langer Bomans dood is, hoe groter het raadsel voor Van der Plas is geworden. Hij dacht hem vrij aardig te kennen . Vooral in het laatste jaar van Godfrieds leven trokken de twee veel met elkaar op. Zonder tot echte intimiteit te komen, want daar was Godfried de man niet naar. Tot vriendschap behoort uitwisseling, vindt Van der Plas. Dat zat er bij Bomans niet in. Hij hield veel achter.

Samen schreven ze over hun Roomse jeugd het boek In de kou. Ze voerden diepgaande gesprekken die op de band werden opgenomen. Godfried wilde veel van wat op die banden stond niet opgenomen zien in het boek. Hij kwam zeker over, maar was in feite heel ónzeker. Van der Plas haalt – eerst vanachter de koffie en later, tegen lunchtijd, vanachter een glas droge witte wijn – herinneringen op aan die vreemde tegenstelling in ’s mans karakter. Hij schreef in hoofdzinnen, gebruikte nooit bijzinnen; poneerde een stelling of een moraal, terwijl hij twijfelde aan alles. Aan het huwelijk. Liet één dag voor de huwelijksmis zijn latere vrouw Pietsie Verscheure in de steek. Hij twijfelde aan een eeuwig leven: is er een voortbestaan na de dood, was een telkens terugkerende vraag in zijn tv-interviews. Er waren tijden dat hij het allemaal zeker had geweten. Voorbij.

Twijfel. Godfried kon zich niet genoeg laven aan de erkenning en aanbidding van het publiek. Steunpunten, ja dat is het woord. Ten tijde van In de kou kwam hij om de andere week bij Van der Plas op bezoek. En altijd bestond Godfried het weer om bij een van de buren aan te bellen: waar woont Michel van der Plas? Het was zijn nooit afnemende zucht naar het spel, maar ook zijn verlangen de blijde verbazing te zien in de ogen van de meneer of mevrouw die opendeed: ‘Meneer Bomans, U hier?!’Godfried wilde lief worden gevonden, door de mensen, door God. Het Bomanssprookje De dood van de sprookjesverteller gaat over Godfried zelf.

Michel van der Plas
Michel van der Plas

Michel van der Plas geeft meer voorbeelden van de manier waarop Bomans in zijn mateloze hang naar aandacht de mensen manipuleerde. Als ze samen in de trein zaten, kon Godfried zich ineens richten tot een wildvreemde medereiziger. Die ging hij vragen stellen, gerichte vragen, bijvoorbeeld: wie regeert op het ogenblik met ijzeren hand? Het antwoord moest dan luiden: Koning Winter. Een onaangename kant van Bomans, vindt Van der Plas. Vooral omdat hij ongewild in het spelletje werd betrokken: ‘Dat is toch het juiste antwoord, nietwaar secretaris?’

Of die keer dat ze samen naar een bijeenkomst gingen van D’66 om verslag te doen voor Elseviers Weekblad. Godfried stelt na afloop Michel aan Hans van Mierlo voor als chauffeur. Godfried geeft Van der Plas opdracht Van Mierlo thuis te brengen in Amsterdam. Prettig koutend nemen de heren plaats op de achterbank. Bij de Leidsegracht aangekomen – het woonadres van Van Mierlo – doet Van der Plas een schietgebedje: ‘Oh God, laat hij mij geen fooi geven.’ Het gebed wordt verhoord. Godfried begeleidt Van Mierlo naar boven, stapt weer in en gaat achterin zitten. Waarom niet naast Michel? Nee, dat kan niet, want misschien staat Van Mierlo nog voor het raam te kijken. De mythe van de auto met chauffeur moet tot het bittere einde worden volgehouden.

Nooit, nee nooit heeft Van der Plas zijn vriend daarop aangesproken. Hij wilde Godfried in zijn waarde laten, zoals dat heet. Godfried had het spel, de mystificatie nodig, hij kón niet zonder. Dat je daar als vriend bij tijd en wijle het slachtoffer van werd, was gênant, maar je accepteerde het. Van der Plas weet dat Godfried iedereen overdonderde met zijn spel. Hij had in zijn hoofd het jargon opgeslagen van schier elk vak. Wie met Godfried ging biljarten , werd van begint tot eind getrakteerd op het jargon van de biljartverslaggever. Eerst beklopte hij het laken, vervolgens woog hij de ballen in zijn hand. Sprak over stoten vanuit de heup. Dat soort dingen. Hij was verbluffend briljant, vindt Van der Plas nog steeds.

Hij staart nadenkend uit het raam en vraagt dan met zachte stem of we het woord droedelen kennen. Bomans droedelde. Wie zijn brieven of aantekeningen bekijkt, ziet rond de tekst allemaal kleine tekeningetjes, bloemetjes. En in die bloemetjes verstopt zijn handtekening en adres: G.J.A. Bomans, Nieuwe Parklaan zoveel, Bloemendaal. Raadselachtig, meent Van der Plas. Op het toppunt van zijn roem, op het moment dat zijn naam een huishoudmerk was geworden, voelde Bomans zich nog steeds onzeker. Stelde hij eigenlijk wel iets voor als schrijver, als mens? Godfried was niet alleen voor anderen maar ook voor zichzelf een raadsel. Zocht aan het einde van zijn leven zijn toevlucht tot psychiater Jan Foudraine.

Hij won nooit een literaire prijs. Omdat zijn schrijvende broeders hem niet wensten te huldigen, liet Bomans zich op een andere manier gelden. In het laatste jaar van zijn leven verdubbelde hij zijn optredens. Godfried was overal voor in , tot het openen van restaurantzalen en bodega’s aan toe. Voor schrijven had hij steeds minder tijd. Zijn geldingsdrang werd zijn dood, is de stellige overtuiging van Michel van der Plas. Hij stierf door uitputting.

Enkele dagen voor diens dood was hij nog bij Godfried thuis. Om een verhaal op te halen, een interview met Johan Cruijff.  Godfried lag ziek in bed. Hij deed daar luchtig over, maar klaagde wel over vermoeidheid. Op zijn nachtkastje lag Van der Plas’ laatste boek: Een mens leeft niet van bloot alleen. Bomans zei: ‘Je ziet wat mijn lectuur is’, maar Van der Plas geloofde er niets van. Wist zeker dat Godfried het boek speciaal met het oog op zijn komst daar had neergelegd. Tot het einde toe voor de gek gehouden. Pijnlijk, ja.

Een paar dagen later belde Herman van Run: Godfried is dood. Bomans’ echtgenote Pietsie zat aan het sterfbed. Hij overleed in paniek. Wat ging er nu met hem gebeuren? ‘Arme jongen’, fluisterde zijn vrouw. Michel van der Plas kan het alleen maar beamen: “Arme jongen.”

 

 

Ouderen zijn dus níet nutteloos

Bewoner Turk bidt met en voor programmamaker Nicolaas Veul.
Bewoner Turk bidt met en voor programmamaker Nicolaas Veul.

Het gaat op tv heel veel over ouderen, en dan bedoel ik letterlijk óver ouderen. Politici, zorgautoriteiten, artsen, iedereen doet zijn zegje, maar waar zijn de ouderen zelf? Het was daarom verfrissend dat de 82-jarige Ben Oude Nijhuis onlangs in ‘Pauw’ een boekje open deed over de volgens hem erbarmelijke zorg in het Haagse verpleeghuis waar zijn demente vrouw verblijft. Zijn verhaal kreeg destemeer gewicht toen ook de moeder van staatssecretaris Martin van Rijn daar bleek te wonen. Het persoonlijke werd politiek.

Oude Nijhuis gaf met zijn dramatische relaas (‘op zondag is er op achttien demente bewoners geen enkele verzorgende aanwezig’) een belangrijke wending aan het publieke zorgdebat. Of daarmee de zorg ook verandert, mocht hij niet meer meemaken. Twee weken na uitzending meldde zijn zoon, ook weer in ‘Pauw’, dat Oude Nijhuis was overleden.

Deze maand herhaalde de VPRO het drieluik ‘Oudtopia’, waarin eveneens de bejaarden zelf centraal staan. De jonge programmamakers Nicolaas Veul en Tim den Besten tonen een fraai staaltje van onderzoeksjournalistiek door een maand lang onder te duiken in woonzorgcentrum Jonker Frans in de hofstad. Hun insteek is niet zozeer de verzorging – want die lijkt wel in orde -, maar de vraag hoe het is om oud, eenzaam en afhankelijk te zijn. Met andere woorden: hoe houden ouderen zich staande en welke levenslessen zijn daarbij van belang?

Een erg vrolijk drieluik is het niet. En dan is het ergste er nog uit gelaten. De onderlinge agressie van de bejaarden, de wanhoop van de makers (Den Besten vlucht op een gegeven moment zelfs naar huis en is alleen met de grootst mogelijke moeite te bewegen tot een terugkeer), en de weerzin om telkens door de ouderen te worden aangeklampt, het zit allemaal wel in een interview met het duo in de VPRO gids, maar niet, of slechts zeer ten dele, in ‘Oudtopia’.

Toch, of misschien juist daardoor, is het een waardevolle documentaire en dat komt door de vertrouwenwekkende, open houding van de makers. Die stijl resulteert in prachtige miniatuurtjes waarin de bewoners zich bijna als vanzelf blootgeven. Zo blijkt een vrouw van in de negentig het geheim mee te dragen dat ze maagd is. Ze had liever een jongen willen zijn. Een man die aan Alzheimer lijdt, vertelt het leven alleen te kunnen volhouden dankzij zijn nieuwe vriendin. Het wordt een pijnlijk-eerlijk tweegesprek, zoals gisteren in de slotaflevering te zien. Hij: “Ik heb je hele huis opgeknapt.” Zij: “Hoe kóm je er bij?!”

Maar Veul en Den Besten doen meer dan rapporteren van binnenuit. Ze vergelijken hun eigen denkwijze met die van de ouderen en stellen zichzelf daarmee onder kritiek (vrij uniek op tv). Zijn naastenliefde, God, bidden en loslaten echt zo gek? Een flinke generatiekloof wordt zichtbaar, maar die leidt niet tot definitieve verwijdering. Wat is nu het belangrijkste wat we hebben opgestoken, peinst het tweetal na een maand? Antwoord: Dat je het leven moet accepteren zoals het is, ook al is het nog zo moeilijk. De makers laten zien dat ouderen niet nutteloos zijn – wat tegenwoordig het doorsnee denken is -, maar dat er van hen iets te leren valt. En dat is misschien nog wel de grootste verdienste van ‘Oudtopia’.

 

Zeemanslied verdronken

Ooit zat ik aan de ‘Engelse Riviera’in een Anglicaanse kerk waar het zeemanslied ‘Eternal Father, strong to save’werd gezongen. Het lied van de Britse schrijver William Whiting (1825-1878) maakte op mij diepe indruk door de mooie melodie en de wijze waarop de koorzangers het vertolkten. Het was Seafarers’Sunday, dus zeer toepasselijk. We hoorden de golven buiten bijna klotsen en in gedachten ging ik terug naar mijn gelovige voorouders die in kleine tjalken de Oostzee bevoeren. Ook zij zullen dergelijke verzen hebben gezongen. Bij mooi weer, maar zeker ook bij slecht weer. Wat moet dat prachtig weids hebben geklonken daar op die uitgestrekte zeevlakte.

tjalk

Het deed me dan ook verdriet toen ik in ‘Diepgang’, kwartaalblad van het maritiem pastoraat, las dat de Nederlandse versie van gezang 467 (‘O eeuw’ge Vader sterk in macht’) uit de nieuwe bundel van de Protestantse Kerk is verdwenen. Dominee  Martien van der Hout uit Callantsoog verwijt de liedboek-samenstellers een gebrek aan zout water in hun bloed.  Uit protest heeft de kerkenraad van deze kustgemeente besloten het lied op stickervellen achterin het liedboek te plakken. Andere protestantse kerken aan de kust, alsook de Rotterdamse Zeemanskerk, zo weet ik, zullen vermoedelijk spoedig volgen.

 

Kruispunt: tv als troost

Naast mensen gaan staan, troost bieden en als het kan ook nog een link leggen naar het geloof.

Door George Marlet

RKK Kruispunt heeft volgens kenners een unieke positie binnen het aanbod van human interest-programma’s op televisie. Elke week besteedt  de redactie aandacht aan mensen die met ingrijpende problemen kampen. In 1989 begonnen als kerkelijk actualiteitenprogramma in de zendtijd van de bisschoppen is het zwaartepunt  steeds meer verschoven naar menselijke verhalen. “Kruispunt laat zien wat religie in het persoonlijke leven van mensen betekent. De redactie heeft een heel goede vertaling van de kerkelijke regels gevonden door vooral te laten zien hoe mensen daarmee omgaan”, zegt voormalig KRO-directeur Ton Verlind.

Morgen viert Kruispunt het 25-jarig bestaan met een terugblik op “een kwart eeuw spraakmakende, ontroerende, indrukwekkende en soms baanbrekende reportages”. Na onder meer de Bijlmerramp, de vuurwerkramp in Enschede en de cafébrand in Volendam volgde Kruispunt overlevenden, nabestaanden en – kerkelijke – hulpverleners op de voet. Maar ook verhalen van mensen die kampen met ziekte of in de laatste fase van hun leven verkeren, kwamen aan bod. “Niet omdat we zo graag de ellende willen omarmen”, aldus voormalig eindredacteur Leo Fijen, “maar omdat we dan de meest boeiende verhalen krijgen van mensen die wel moeten nadenken over de adem van hun leven”.

kruis

 

Formeel valt RKK onder de verantwoordelijkheid van de Nederlandse bisschoppen. Die constructie heeft in de loop der jaren tot “heel heftige discussies” geleid over de koers die Kruispunt wilde varen, weet Ton Verlind uit eigen ervaring. “De redactie heeft steeds onder heel scherpe druk gestaan. Daarin heeft ze knap gemanoeuvreerd. Als het erop aan kwam, heeft ze tegen de zin van bisschoppen in haar eigen journalistieke keuzes gemaakt.”

Ook tv-recensent Willem Pekelder beschouwt Kruispunt als enig in zijn soort. “De redactie graaft een laagje dieper dan de dagelijkse actualiteit en weet heel goed wat er in de samenleving speelt aan eenzaamheid, vervreemding en verdriet. Heel veel mensen herkennen zich in het programma. De allerdiepste emoties komen voorbij op een manier waarmee mensen zich kunnen identificeren. In Kruispunt is te zien dat tv mensen kan troosten.” De link met het katholieke geloof is volgens Pekelder niet altijd even duidelijk. “Kruispunt heeft meer de katholieke cultuur als uitgangspunt dan het katholieke geloof. Dat zie je bij KRO-programma’s ook.”

Pekelder durft over de toekomst van Kruispunt geen voorspelling te doen. “Ik weet niet of Kruispunt zich kan handhaven in de drang naar vernieuwing en popularisering.” In 1999 was Kruispunt met 700.000 kijkers nog het best bekeken religieuze programma van West-Europa. Inmiddels is de kijkdichtheid flink gedaald. De afgelopen weken keken gemiddeld zo’n 200.000 mensen naar het programma. Volgens Ton Verlind doet het tijdstip van uitzending ook geen goed aan de kijkdichtheid. “Over het uitzendtijdstip is voortdurend strijd geweest. Zendercoördinatoren hebben Kruispunt als een Fremdkörper beschouwd.” Verlind ziet Kruispunt als een ‘symboolprogramma’. “Als het zou verdwijnen, zou het echt heel slecht gesteld zijn met de aandacht van de publieke omroep voor levensbeschouwing.”

RKK Kruispunt TV, zondag om 23.20 uur op NPO2.

Trouw, 25 oktober 2014

 

 

Niet van Mars

 

In de Süddeutsche Zeitung lees ik dat de paus er zijn hand niet voor zou omdraaien om Marsmannetjes te dopen. Tijdens de ochtendmis in Casa Santa Marta verkondigde Franciscus I dat de ‘groene mannetjes met hun lange neuzen en grote oren’zelfs récht hebben op de heilige doop, ‘mits ze het zelf wensen.’

Ik moest meteen aan Wim Eijk denken, onze kardinaal from outer space. Het aartsbisschoppelijk paleis is sinds zijn aantreden een  buitenaardse planeet, met daaromheen gelovigen en media als wanhopig rondcirkelende satellieten. Waar de paus de hele wereld en nu zelfs het universum tot zijn werkgebied rekent, vindt Eijk die paar vierkante meters in Utrecht al hemels genoeg.

Leo Fijen van de KRO mocht hem bij zijn installatie in 2007 precies één vraag stellen: of hij van zins was veranderingen door te voeren in zijn staf. Eijk wees op de bisschopsstaf in zijn knuist en mompelde dat die er nog goed mee door kon. En hij maakte zich snel uit de voeten. Het was zo’n beetje Eijks laatste tv-optreden.

eijk

Laten we eerlijk zijn: nog best een aardige grap voor een bisschop. Maar leuker is het repertoire van Simonis. “Er was eens een man met een erg slecht huwelijk”, schijnt Eijks voorganger op feesten en partijen voor te dragen. “De vrouw van die man werd betrapt op de diefstal van een blik perzikken. De rechter vonniste dat ze zes dagen de cel in moest, voor elke perzik één dag. Waarop haar man: Maar ze heeft ook een blik doperwten gejat!”

Het is Simonis’ favoriete grap, bezwoer diens hulpbisschop De Korte me ooit in een interview voor De Groene Amsterdammer. “Ja, en dan dist Simonis zo’n mop met smaak op, hè”, vertelde De Korte. “Van hoe slecht dat huwelijk wel niet was, en hoe die rechter tot zijn vonnis kwam .” Het was in de tijd dat aan de Utrechtse Maliebaan nog geen onbereikbare ster zetelde maar een bisschop van binnen de dampkring.

 

Je kon als leek Simonis gewoon tegenkomen in de gangen van het paleis. Zoals mij overkwam, na mijn interview met De Korte. “Kom, we gaan even wat drinken”, stelde de kardinaal voor toen De Korte en ik hem bij de lift aantroffen. “Die receptie kan nog wel even wachten”, zei hij, gebarend naar de fles cadeauwijn in zijn hand. Simonis ging ons voor naar zijn privé-vertrekken, liet koffie en koek aanrukken, en als ik me goed herinner ook een glas wijn.

Toen ik vertelde dat ik bezig was met een portret over hem voor de Groene Amsterdammer, sloeg dat bij de kardinaal niet in als een meteoriet. Wat zijn bescheidenheid sierde, vond ik. Hij was al die publiciteit wel gewend. “Het liefst zit ik bij de EO”, fluisterde hij. “Je hebt dan echt het idee dat je met mede-christenen zit te praten.” “En de KRO?”, maakte ik meteen van de gelegenheid gebruik. “Tsja, de KRO….”, verzuchtte de oude kerkvorst. “Wilt u nog iets drinken?”

Een beminnelijke en gemoedelijke man, herinner ik mij van die middag. Zeker, conservatief en recht in de leer, maar beslist niet van Mars.

 

 

 

‘De ander is een ding geworden’

 

Wie is de reiziger in de blik van de ander? Filosoof Ruud Welten komt tot de ongemakkelijke ontdekking dat de reiziger helemaal niet meer bestaat. En de blik van de ander al evenmin.

Ruud Weltens essay ‘Onder vreemden. De ander in de reisliteratuur’ begint met een schilderij van Gauguin: ‘Ruiters op het strand’.  De auteur is gefascineerd door dit kunstwerk, dat Gauguin in 1902 in Frans-Polynesië schiep. Het schilderij raakt hem door de blik van een van de ruiters. “Hij kijkt me onderzoekend aan, en maakt me duidelijk dat ik niet een van hen ben”, schrijft de filosoof. “Wat is er gebeurd? Gauguin heeft de blikrichting omgekeerd. Ik ben niet slechts toeschouwer, ik wórd bekeken.” In zijn essay borduurt Welten verder op die blik van de ander. Aan de hand van reisliteratuur van De Nerval, Said en Naipaul gaat hij op zoek naar de hermeneutiek van het reizen: wat gebeurt er in de ontmoeting met de ander? ‘Onder vreemden’ is het vervolg van ‘Het ware leven is elders. Een filosofie van het toerisme’(2013), dat op de longlist staat voor de Socrates Wisselbeker.

Hoe heeft de blik van de ander uit het schilderij van Gauguin u beïnvloed als filosoof en schrijver?

“De blik is een belangrijk thema in de Franse filosofie: hoe kijken wij naar de ander en hoe kijkt hij naar ons? In het toerisme is onze blik vooral gericht op de dingen die we verwachten. Ik ben in de moderne reisliteratuur op zoek gegaan naar een manier van rondtrekken die dat verwachtingspatroon doorbreekt. Dat Tahitiaanse schilderij van Gauguin, waarin hij het verschil tussen mij en de ander thematiseert, symboliseert de vraag die aan ‘Onder vreemden’ten grondslag ligt, is: waar in de reisliteratuur vind ik à la Gauguin de reflectie dat de ander de ander blijft?”

En u neemt daarbij de filosofie van Levinas tot uitgangspunt?

“Levinas is bij uitstek de filosoof van de ander. Hij vraagt zich af hoe na twintig eeuwen religie en filosofie de Holocaust heeft kunnen gebeuren. Het probleem volgens Levinas is dat we niet in staat zijn de ander de ander te laten. De ander moet zich aanpassen, worden geëlimineerd of als afzetmarkt dienen. In de door mij onderzochte reisliteratuur vind je, weliswaar op een andere schaal, diezelfde worsteling met het vreemde.” ruud weltenWanneer is de moderne reisliteratuur ontstaan?

“Op het moment waarop auteurs onbevangen op zoek gingen naar hun verhouding tot de ander, en hem niet langer wilden vangen in een bevooroordeelde blik. Tijdens het kolonialisme was het duidelijk: de ander is dom en moet bekeerd. Maar vanaf de negentiende eeuw veranderde dat langzaam. Gauguin beweerde als reisschrijver precies het tegenovergestelde, evenals Segalin: wij, kolonialisten, zijn heel erg slecht, de ander is authentiek en dus beter dan wij. Toch, als je zegt dat de ander beter en authentieker is, is dat eigenlijk ook de ander weer vangen in een blik. Naipaul heeft niets met al die vastgeroeste patronen. Wanneer hij in 1964 door India reist , schrijft hij dat de inwoners volslagen achterlijk zijn: ze gaan nota bene bidden voor een lotusbloem. Interessante observaties, omdat als de ander anders is het ook zo kan zijn dat ik hem totaal niet begrijp, of zelfs afwijs. Volgens Said kun je de ander alleen ervaren vanuit je eigen culturele achtergrond. In ‘Onder vreemden’pleit ik ervoor dat je  je bij het anders zijn van de ander neerlegt.”

Grote filosofen zijn notoire thuisblijvers. Kant kwam nooit verder dan dertig kilometer buiten zijn woonplaats, schrijft u, maar hij wekt in zijn boeken wel de indruk zeer bereisd te zijn. Hegel bereisde Nederland en daar hield het mee op.

“Reislust is geen noodzakelijke voorwaarde voor wereldburgerschap. Diogenes leefde in een ton, maar is wel de belangrijkste filosoof van het kosmopolitisme. Wat betekent kosmopolitisme? Dat je, ook al leef je in een regenton, je ervan bewust bent dat je de wereld deelt met anderen. Het is maar zeer de vraag of Hegels filosofie er anders had uitgezien als hij veel had gereisd. Onze veronderstelling is dat je van reizen heel veel leert. De vraag is ten zeerste of dat klopt. Zoals Seneca zegt: als je jezelf wilt leren kennen, moet je juist niet wegtrekken, want je overlaadt jezelf alleen maar met vluchtige indrukken. Reizen kan aan wereldburgerschap bijdragen, maar er ook aan afdoen, namelijk wanneer je een cliché-toerist bent.”

U schrijft dat we in het moderne toerisme alleen nog maar glimpen opvangen van andere culturen. Doordat we God en de hemel kwijt zijn, is er een leegte ontstaan die voortdurend moet worden opgevuld. Opgejaagd proberen we in hoog tempo nieuwe ervaringen op te doen, onder het motto: kijk míj eens ontzettend niet teleurgesteld zijn.

“In de woorden van Seneca: reizen is een vlucht. Toch wil ik toerisme niet alleen maar slecht noemen. Ik ben ‘Het ware leven is elders’ begonnen als anti-toerisme-boek, maar al schrijvende werd het genuanceerder. Rousseau bejubelt het reizen. Het is volgens hem zelfs  veel beter dan lezen, al heeft hij wel een heel boek nodig om die stelling te onderbouwen. Toerisme biedt hoe dan ook de mogelijkheid om de ander te ontmoeten.”

Hoe geseculariseerder een land, hoe massaler het toerisme, schrijft u. Nederland moet wel heel dol zijn op toerisme. Daar zit weinig blik van de ander bij.

“Klopt. Mijn claim is dat die blik steeds meer uit het toerisme verdwijnt. Ervoor in de plaats is een enorme nostalgie gekomen naar de tijd dat de wereld nog kon worden ontdekt. Dat maak ik op uit de gigantische productie van reisprogramma’s en reisliteratuur in Nederland, die op een vrij schreeuwerige manier reclame maken voor nieuwe avonturen in een liefst ‘onontgonnen’ wereld. Dat soort teksten raakt aan een fundamenteel menselijk verlangen om door de ander, of dat nu een mens is of een cultuur, te worden gezien, zoals een Tahitiaans schilderij van Gauguin ons bekijkt. Pas in de blik van de ander namelijk ervaren we ten diepste hoe het is om mens te zijn. In het moderne toerisme is de ander echter een ding geworden, zoals een vaas. De Afrikaan moet een rieten rokje aan en dansjes voor ons Nederlanders opvoeren. Als de mens ergens tot product is verworden dan wel in de toeristenindustrie. De moderne Nederlandse toerist is een tragische figuur.  Hij ontvlucht de consumptiemaatschappij, waar geen hechting mogelijk is, maar ontdekt dat hij in Vietnam in dezelfde anonieme hotelketen bivakkeert als in Costa Rica. Weer een teleurstelling erbij.”

U denkt dat ons in het moderne reizen niets anders overblijft dan het betreden van reeds begane paden. Had Geert Mak zijn’Reizen zonder John’- in het voetspoor van John Steinbeck – beter ongeschreven kunnen laten?

“Nee. Het is een mooi boek, net als zijn ‘Lopen met Van Lennep’over het reisdagboek van Jacob van Lennep. Het verschil met oude, romantisch reisschrijvers is alleen dat Mak niet een ons onbekende wereld beschrijft, maar een heimwee naar de tijd dat je al reizende voortdurend oog in oog stond met het andere, zoals Steinbeck in zijn tijd.”

Het toerisme heeft alles verziekt?

“Dat is mij te moralistisch. Wel doen reisprogramma’s en -organisaties alsof er nog van alles te ontdekken valt, terwijl het toerisme de wereld juist volledig transparant heeft gemaakt. De westerse toerist voelt dat aan, en wil aan die transparantie ontsnappen. Dus gaat hij op survivaltocht, of hij trekt naar oologsgebieden en sloppenwijken. Om maar geen toerist te zijn. Het toerisme ontkent toerisme te zijn. Er zijn zelfs bedrijven die zich tooien met namen als Beyond Tourism, maar ze volgen gewoon de patronen van de ‘oude’ toeristenindustrie.

Veel Nederlanders slepen hun kinderen mee naar de Efteling en andere pretparken. Volgens u zou  Rousseau dat uit den boze vinden. Waarom?

“Omdat ouders daarmee bij voorbaat voor het kind invullen wat het leuk moet vinden. Toen ik ooit met mijn dochtertje naar Blijdorp ging en enthousiast wees naar een olifant, bleek zij veel meer belangstelling te hebben voor een musje op het hek. Rousseau, de eerste westerse denker over opvoeding, bejubelt de onbevangenheid van het kind en zijn fascinatie voor het detail. Kinderen zouden volgens hem goede reisgidsen zijn. We moeten reizen met de attitude van het kind, maar in plaats daarvan slepen we hen mee naar Walibi, waar de dromen van A tot Z zijn bedacht door volwassenen. Typisch Nederlands om toeristisch aantrekkelijke plekken volledig te vermarkten. Een plek mag maar één betekenis hebben, er wordt louter geredeneerd vanuit marketing. Dat betekent: voldoende parkeerplaatsen en koffiegelegenheden, met mooie groene grasveldjes voor de kinderen, en alles terug te vinden op internet. In Frankrijk willen ze een ruïne nog wel eens een ruïne laten. Op Google valt er niets over te lezen. Dan ga je praten met dorpsbewoners, de één zegt dit, de ander dat. Dat heeft nog iets van avontuur in zich.”

In ‘Het ware leven is anders’ lijkt u te walgen van toerisme. Rode draad is de schaamte die u voelde in een Mexicaans restaurant, waar de ober u heel hoffelijk bediende, maar een arme zwerver bruusk wegstuurde?

“Ik zou toerisme niet walgelijk willen noemen. Als je de ander wilt leren kennen, kan toerisme daarbij zeer behulpzaam zijn. Bovendien is gêne voor mij een belangrijk filosofisch thema, omdat het het begin kan zijn van ethisch bewustzijn. Om met Sartre te spreken: zolang ik alleen ben, ben ik volledig vrij, maar op het moment dat een ander tegenover me zit, kan ik hem nooit meer slechts als object beschouwen. De blik van de ander kan, en daar ligt een link met Levinas, een moreel beroep doen op mij. Opvallend is dat in het moderne toerisme die moreel-ethische component volledig wordt afgedekt. Zie ik een zwerver dan denk ik: ik kan er toch niets aan doen? Of: geld geven houdt het probleem maar in stand. Of: ik ben op vakantie, geen problemen aan mijn hoofd.  We reizen eigenlijk nog steeds als ten tijde van het kolonialisme: we willen voordeel hebben van de ander. In ‘Onder vreemden’ breek ik een lans voor een update van die neo-koloniale blik.”

In datzelfde essay draagt u de moderne reisschrijver ten grave. De Brit Bruce Chatwin (1940-1989) was volgens u de laatste. Waarom?

“Omdat de wereld steeds meer hezelfde wordt. Zelfs een getalenteerd schrijver als Mak kan ons eigenlijk niets nieuws meer vertellen. Ander voorbeeld: ik begeleid als promovendus iemand die travelblogs bestudeert. Ontzettend saai wat je daar leest. Ze schrijven allemaal hetzelfde en roepen alleen maar: je moet daar naar toe en je moet daar naar toe. Chatwin trok niet rond als toerist. Over de aboriginals schrijft hij dat ze in feite zijn ‘uitgevonden’door de westerlingen. Maar daartoe beperkt Chatwin zich niet. Hij beschrijft hen ook als mens. Maar hij was wel de laatste. Zo eindig ik ‘Onder vreemden’ook: kon ik nog maar zo reizen als Chatwin of Naipaul. Reizen is heel moeilijk geworden. Mensen die zich reiziger noemen, zijn dat  meestal niet. Mezelf incluis. Na mijn afstuderen, in 1989, ging ik naar Alaska, juist toen daar de olieramp met de Exxon Valdez gebeurde. Dat verstoorde mijn blik. En wel zodanig dat ik geen enkele foto van die milieuramp maakte. En ik ging ook niet helpen opruimen.”

Weinig last dus van de blik van de ander?

“Ik dacht een reiziger te zijn, maar was een toerist in denial.”  

Waar blijft dan die blik van Gauguin?

“Als Gauguin vandaag naar Tahiti zou gaan, zou hij terechtkomen in een tourist resort, een totaal transparante wereld, waarin geen onderscheid meer is. Hij zou ‘Ruiters op het strand’nu niet meer kunnen schilderen, en wij zouden dus niet meer door de blik van de ander kunnen worden getroffen.”

Heeft dat laatste ook niet te maken met de secularisatie? We hebben niet meer de ervaring te worden bekeken door de Ander, dus waarom nog wel door de ander?

“De religieuze ervaring van het bekeken worden leert mensen omgaan met wat we niet kunnen kennen. Het verlies van het één heeft voor mijn gevoel zeker met dat van het ander te maken: waar transcendentie verdwijnt, verdwijnt ook het verschil. Alles wordt hetzelfde. Dat heeft iets tragisch, ja.  Aan de reisliteratuur van nu de taak om die tragedie te beschrijven.”

 

 

Wie is Ruud Welten?

Ruud Welten (1962) is universitair docent aan de Tilburg University en lector Ethics & Global Citizenship bij Hogeschool Saxion in het oosten van het land. Vorig jaar verscheen van zijn hand ‘Het ware leven is elders. Filosofie van het toerisme’, dat nu op de longlist staat voor de Socrates Wisselbeker. In dat boek onderzoekt hij aan de hand van schrijvers en filosofen de betekenis van het reizen. Deze maand verscheen zijn essay ‘Onder vreemden. De ander in de reisliteratuur’, waarin hij op basis van reisliteratuur van o.a. De Nerval, Naipaul en Chatwin reflecteert op de relatie tot de ander. Welten publiceert met name over Franse filosofen, onder wie Levinas, Sartre en Camus. Over de laatste twee schreef hij het boek ‘Zinvol geweld’(2006) en het toneelstuk ‘De hel’, dat in 2010 werd uitgevoerd door Theater EA. In het Frans verscheen Weltens boek ‘Phénoménologie du Dieu invisible’(2011). onder vreemdenRuud Welten: ‘Onder vreemden. De ander in de reisliteratuur’. Klement, Zoetermeer, 95 blz. € 14,90