Krijg je dáár een burn-out van

Je denkt: dat telefoontje jas ik er nog wel even door voor die burn-out-avond. En een patatje met mayo prop ik er ook nog wel in. En een zen-meditatie natuurlijk. Altijd goed tegen de stress. Om kwart voor acht de deur uit, acht uur ‘burn-out’. Moet lukken.

Niet dus. Al voor debatcentrum Arminius is het een drukte van jewelste. Overal fietsen. Tegen palen, tegen hekken, tegen bomen. Waar laten we ons rijwiel? Tippel-tippel-tippel, helemaal naar de Witte de Withstraat. Daar is nog net één boom vrij. IJlings terug naar Arminius. Opstoppingen voor de deur. “Papieren tickets hier!”, roept een meisje met overslaande stem. “Bingo!”, gil ik zwaaiend met mijn ticket naar het burn-out-loket.

Kop koffie. Rij aan het buffet. Plaatsje zoeken in de zaal. Zit helemaal vol met jongeren. Alleen op rij twee is nog een stoel over. In draf eropaf. “Hebbes!”, hijg ik, terwijl ik neerplof. Ziezo, laat die burn-out-avond maar beginnen.

Het podium wordt besprongen door twee actrices in druk beprint huispak. Ze schreeuwen: “Ik wil geen studie, geen carrière, geen Facebook, geen cookies en ook geen partner!” Wild rennen ze heen-en-weer om tot slot in huilen uit te barsten. Zo ziet een burn-out er dus uit: tranen in tijgerprint (foto). Brrr!

burn-out

De zaal stroomt nog steeds vol met jonge ‘burn-outers’. Sommigen spoeden zich naar de galerij voor een staanplaats. Anderen laten zich moedeloos op de grond zakken. We zijn nu helemaal ingebouwd. Direct voor ons rij één, achter ons de hete adem van rij drie en links de grondzitters. Schouder aan schouder tegen de stress!

Presentator Geert Maarse, gehuld in nerveus gesneden pak, vraagt: wie kent iemand met een burn-out? Net als je je vinger wilt opsteken, is een emaillijst in aantocht. Die gaat natuurlijk voor, want je wilt op de hoogte blijven van alle vormen van stress. Dan is er een mededeling: meneer M. de Zwart (of De Swart, dat kan natuurlijk ook) is z’n pinpas verloren.

20.15 uur, eindelijk, de informatie-avond begint. “Als je een burn-out hebt ben je moe, heel, heel moe”, vertelt gz-psycholoog Ton Wintels. Even verzitten in die krapte. Oh jee, met voet koffiemok omver gestoten. Rinkeldekinkel. Wintels: “We spreken liever niet over een burn-out, maar over een gedifferentieerde….” Rest niet verstaan. Kwam het door de uitvallende microfoon of door het geroezemoes van het barpersoneel?

“Miljoen Nederlanders hebben een burn-out, van wie een groot deel jongeren”, weet de presentator. Beng! Nu kwakt er achter ons een smartphone op de vloer. Cultuurfilosoof Maarten Coolen: “Het punt is dat je tegenwoordig een biografie over jezelf moet hebben die nooit ophoudt.” Presentator: “Is daar iets aan te doen?” Coolen: “Nee.”

Dan is het tijd voor vragen uit de zaal. Om gedrang bij het podium te voorkomen stelt presentator Maarse voor dat de galerij-jongeren hun vragen op een A-viertje zetten om dat vervolgens als vliegtuigje naar de deskundigen te werpen. Iemand wil weten: “Ligt er een opdracht voor het onderwijs?” Coolen: “Nee.”

21.45 uur stipt: einde ‘burn-out’. Maar gelukkig, er komt nog meer. Maarse: “15 november de quarterlife-crisis!”

Dat haar, dat haar!

En wéér werd in het Amerikaanse verkiezingsdebat het belangrijkste thema angstvallig vermeden: het haar van Donald Trump. Het ging maar over bijzaken als wapenbezit en homorechten. Waarom nooit ‘ns over de hoofdzaak?

De media staan al jaren bol van Donalds haar. Een hamster, een marmot , een cavia, spot het journaille, maar wat hij echt op zijn hoofd draagt, weten we nog steeds niet. Le Figaro hield het in juni op een toupet. Het Franse dagblad wist zelfs Trumps favoriete hairspray te achterhalen: CHI Helmet Head Extra Firm (slechts 11,99 dollar per fles).

Een toupet dus. Nee hoor, beweerde Trump-biograaf Michael D’Antonio op de Australische radio: een mislukte haartransplantatie. “Het haar heeft een gekke kleur en zit op de verkeerde plaats, met een haarlijn vooraan. Ik denk dat in het midden een stuk is ingezet. Trump kamt het nu op alle mogelijke manieren om het nog in model te krijgen.”

Hoe belangrijk deze haarkloverij is, blijkt wel uit de wanhopige pogingen van de doorgaans serieuze Frankfurter Allgemeine Zeitung in augustus vorig jaar om de politicus te bereiken. Tevergeefs. Ten einde raad wendde journalist Philipp Daum zich tot top-ingenieur Mike Schlaich, omdat Trumps haar-opbouw hem deed denken aan een van Schlaichs ontwerpen: het golvende dak van het Porsche Pavillon in Wolfsburg.

Schlaich verklaarde: “In de bouw heb je steunbalken die aan één kant vastzitten. Om regen en wind te weerstaan moet zo’n balk redelijk dik zijn. Zo is het ook met het kapsel van Trump. Als je maar genoeg haren bij de uiteinden aan elkaar vastplakt, krijg je vanzelf een stabiele, wind- en regenbestendige constructie.”

Amy Lasch, hairstyliste van Trumps spelshow ‘The Apprentice’, herinnerde zich in juli in het Britse tabloid Mirror dat ze nooit aan Trumps haar mocht zitten. “Stijf van de haarlak kwam hij de studio binnen. Als ik hem eens voorzichtig wilde bijkammen, veerde mijn kam als een boemerang terug.” Trump ging volgens haar nooit naar de kapper en liet het knippen en verven (‘geen toupet, geen implantaat’) over aan zijn vrouw of dochter.

De kapper bij mij om de hoek in Rotterdam-Blijdorp, Wim Verdouw, vermoedt dat de Republikeinse kandidaat ’s ochtends flink wat tijd kwijt is aan z’n coiffure. “Het moet worden gedraaid, getoupeerd en in model gekamd. Het is een spinsel. Als hij klant bij mij was, zou ik hem voorstellen een flink stuk van die flap af te halen.”

Slechts één keer praatte Trump openlijk over zijn gele haardos. Dat was in mei 2011 in Rolling Stone. “Oké, ik was het met Head and Shoulders, en laat het uit zichzelf drogen. Dat duur ongeveer een uur. Daarna kam ik het. Nee, niet naar voren. Een beetje naar voren, en wat naar achteren. Zo doe ik het al jaren. Ik heb geen slechte haarlijn, vind ik.”

Lekker praktisch kapseltje dus. Jaja. Nou, ik ben tegen Trump. Als je zo makkelijk praat over je hairdo mag je nooit president worden van de Verenigde Staten!

Ik geloof het wel

CDA, CU en SGP wezen het VVD-voorstel tot stervenshulp bij voltooid leven meteen af. Niet zo verbazingwekkend. Christenen geloven immers in wonderen. En vragen zich af: waarom zou je grijpen naar iets definitiefs als een pil, wanneer je door een ‘interventie van buitenaf’- een liefde, ontmoeting, tekst of muziekstuk – plots het licht weer kan zien?

Uiteraard hebben de christelijke partijen het woord ‘wonder’ in geen krant of tv-rubriek genoemd. Ze zouden direct voor gek worden verklaard. Over wie gelijk heeft in het politieke debat ga ik het hier niet hebben. Wel over de vraag of het gestoord is om in wonderen te geloven. Zelf ben ik in dat opzicht scepticus.

En ik bevind me in goed gezelschap: ds. Carel ter Linden. Zijn boek ‘Wandelen over het water’ (2004) is in feite één grote worsteling met het bijbelse wonder. Uiteindelijk concludeert de oud-hofpredikant: het gaat niet om ‘echt’ of ‘onecht’ , maar om de vraag wat het ‘wonder’ met je doet. Jezus’ wandeling over het Meer van Galilea zou je, in die visie, kunnen lezen als een aanmoediging de kolkende zee in je eigen leven onder de voet te lopen. Om ten slotte te ontdekken: ik ben niet ten onder gegaan, wat een wonder.

foto-bij-klein-verslag-15

En zo zet de verschijning van Maria in Lourdes – ‘echt’ gebeurd of niet – zieken aan tot een bedevaart, waar ze nieuwe hoop en kracht vinden. En soms zelfs genezing. Pas vertelden ze erover in ‘Andere Tijden’. Onder wie een vrouw die als kind na onderdompeling was hersteld van een medisch onbehandelbare oorziekte. Dikkie van der Horst heette ze (foto), en ze was op haar oude dag nog steeds verheugd over die blijde gebeurtenis. “Die is mij toebedeeld”, geloofde ze.

Geen programma over Lourdes sla ik over. Hier regeert nog de magie in een verder geheel onttoverde wereld. Bejaarde, gebrekkige mensen die in een kaarsenprocessie het ‘Ave Maria’ zingen, het is lief en ontroerend. Ik mag dan een scepticus zijn, doorzettingsvermogen heb ik wel. Ik ben eigenlijk dol op wonderen, en verlang er bijna dagelijks naar.

Toen ik dat aan een geleerde vriendin vertelde, zei ze: “Wonderen zijn onrechtvaardig. Waarom geneest een 88-jarige longkankerpatiënt wel en een 33-jarige moeder met borstkanker niet?” “Oké”, reageerde ik,“dan betitelen we het als toeval, geluk of geschenk. Maar komen die drie niet evengoed van ‘buitenaf’, en onttrekken die zich niet evenzeer aan het idee van maakbaarheid?” Uiteindelijk sloten we een compromis: we noemen het voortaan medisch onverklaarbaar.

Ik moet haar een geheimpje verklappen: toen ik Dikkie hoorde praten, riep ik eerst, geheel volgens afspraak: medisch onverklaarbaar! Maar direct daarna fluisterde een piepstemmetje mij in: Dankuwel, Maria. Ik vond dat eerlijk gezegd wel lekker. En waarom? Omdat de Maria waarin Dikkie gelooft het mirakel gunt aan iederéén. Want, zei Dikkie: “Ik heb al dertig jaar reuma, maar ben nooit teruggegaan naar Lourdes. Dat zou niet eerlijk zijn. Ik heb mijn wonder ontvangen. Nu is een ander aan de beurt.”

Een uitspraak van een wonderlijke schoonheid. Én medisch volstrekt onverklaarbaar.

Terug naar Oegstgeest

In april schreef ik in deze rubriek over mijn dementerende moeder die liefdevol werd verzorgd in het verpleeghuis. Inmiddels is ze overleden, 91 jaar oud. Op 31 mei werden wij rond middernacht aan haar bed geroepen, waar we haar aantroffen met reeds gestorven ogen en een vlugge, stotende ademhaling. Om tien over drie was het gedaan met Jantiena Bouwiena Pekelder-van der Veen. Uw lied is uit, gij kreunt de laatste noten, dichtte Willem Elsschot in 1907 over zijn eigen dementerende moeder. Het gedicht ‘ Moeder’ was voor mij een bron van herkenning en troost, een vriend in donkere tijden.

En ik ben gans ontroerd en kan niet spreken, wanneer gij zegt ’kom aan tafel jongen’. Elsschot drukt precies die spanning uit die je bij elk bezoek aan het verpleeghuis weer voelde. Zal ze ons nog kennen door alle mist? Gevolgd door de blijde vertedering wanneer dat gelukkig nog altijd het geval bleek : “Ha, Willem, ha Lodewijk.”Die vreugde in haar stem.

Met Lodewijk, mijn jongste broer (55), ging ik naar haar graf bij de Willibrordkerk in Oegstgeest. De laatste keer dat we hier waren was op 6 juni toen ma vanuit dit ‘groene kerkje’ werd begraven. Het was een mooie dienst geweest, vond iedereen, gelovig of niet. De voorganger had gesproken over Prediker: Er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven, wat ook op moeders rouwkaart stond. “Prediker wil nuchter in het leven staan”, zei de predikant, “en het bestaan aanvaarden zoals het zich voordoet. Jij wilt een strakke lijn trekken, maar alles keert en draait en wendt zich nog eens om. Zo is het leven.” Waarna ‘Turn, turn, turn’ van The Byrds had geklonken. Voor alles een tijd, een goede vriend noemde dat na afloop een aangenaam relativerende gedachte. Een vriendin had in het romantisch aandoende godshuis een gevoel van eeuwigheid ervaren. Dat vond ik mooi gezegd.

En nu waren we dus terug naar Oegstgeest, Lodewijk en ik. Het was prachtig herfstweer, de vogels kwinkeleerden. En de zon scheen, dan is de dood minder erg. Mijmerend stonden we aan het graf, waar in 1999 vader al ter aarde was besteld. We hadden het over een gevoel van liefde en gemis. En over ma’s goede karaktertrekken: lief, zachtmoedig, waardig, bescheiden. Een dame had de dominee haar genoemd. “Van sommige van haar eigenschappen had ik zelf best iets meer willen hebben”, bekende ik . Wat Lodewijk (uiteraard) meteen begreep.

“Is het voor jou draaglijk dat we pa en ma nooit meer zullen zien?”, vroeg ik. “Zolang ík leef zijn zíj niet dood”, antwoordde Lodewijk, “want ik denk aan hen, bezoek hun graf, bekijk hun foto’s.” Moeder geloofde in een hiernamaals, wij stukken minder, al sprak mijn broer verstandig en wijs: “Ik ben niet tegen de hemel.”

We gaven elkaar een korte omhelzing en plaatsten een bos witte lelies op moeders graf. Als dank voor wie ze was. Als dank voor haar bestaan.

20161017_144106

De plasseloze maatschappij

20160420_144711Je bent op Rotterdam Centraal en je moet plassen. Wat dan? Je loopt naar broodjeszaak Kiosk, daar hebben ze vast wel een wc. “Sorry”, zegt de verkoopster, “geen wc.”Voor haar zelf is het al even lastig. “We mogen gebruik maken van de wc van de NS-bedrijfskantine. Maar die is wel helemaal op spoor één.” En de winkel, blijft die dan onbemand achter? “Als ik geen vervanger regel, kan ik niet naar de wc.”

Bij ijssalon Happiness Station eenzelfde verhaal. “Ik zet een bordje op de toonbank dat ik er even niet ben”, legt de verkoper uit. “Maar”, zegt hij, “als klant kunt u bij La Place plassen.” Vast wel. De naam is al zeer veelbelovend. Zeker zoals Rotterdammers die uitspreken: La Plasss. Maar ook daar: “U zult naar de publieke toiletten op spoor één moeten. ” Dat hadden we eerder gehoord.

Starbucks dan maar, een grote zaak met een grote naam. Helaas. “De NS heeft het zo bedacht”, vertelt een verkoper. “Gelukkig hoef ik zelf bijna nooit naar de wc als ik werk.” Volgens de koffieschenker is er één zaak in de stationstraverse met een eigen toilet, maar welke zaak dat is? Hij heeft geen idee.

Volgende halte: Julia’s Cucina Italiana. We bestellen een cannoli cappuccino en vragen de ober: waar is het toilet? “Dat hebben we niet. Ja, zelf moet ik ook steeds naar ons kantoor in het Groothandelsgebouw. Lastig? Ach, ik heb even een loopje.”

De verkoopster van de bloemenzaak, doet haar winkel zelfs dicht als ze hoge nood heeft. “Tja, die NS-bedrijfskantine is niet dichtbij. Maar goed, het is niet anders.”

We passeren een NS-beambte. Misschien kan hij ons uit het wc-pot-mysterie verlossen. “De architect is de toiletten voor winkels en horeca ‘vergeten’ in te tekenen”, vermoedt hij. “En daar hebben we nog jaren last van, want je mag niet zomaar iets aan een ontwerp veranderen. Gelukkig hebben we als NS’ ers onze eigen bedrijfs-wc. Nee, die is niet voor u.”

Even een bonbonnetje kopen bij Leonidas. En daar treffen we dus die ene gelukkige verkoopster met een eigen toilet. Maar niet voor ons.

Met volle blaas haasten we ons naar de publieke toiletten op spoor één. Onderweg lopen we een NS-servicemedewerkster tegen het lijf. “Dient u alstublieft een klacht in bij de NS”, spoort ze ons aan. “Heel veel mensen zijn ontevreden over het gebrek aan sanitaire voorzieningen.”

De toiletjuffrouw op spoor één beaamt dat. “Ik krijg heel wat klachten, bijvoorbeeld van oudere mensen die uitstappen op spoor zestien en daarna helemaal naar spoor één moeten. Heel vervelend.” We betalen 50 cent en doen onze plas.

Welke diepere gedachte zit er achter deze plasseloze maatschappij? We bellen NS-woordvoerder Eric Trinthamer: “De NS heeft in het plan van eisen destijds één publieke toiletgroep opgenomen. Als horecazaken of winkeliers zelf een toilet willen, zijn ze daar vrij in. Starbucks in Leiden heeft dat bijvoorbeeld gedaan. Maar de meeste ondernemers zullen er weinig voor voelen omdat ze hun toch al geringe aantal vierkante meters liever voor de verkoop bestemmen.”

Nog even ophouden dus.

Compassie kun je doorgeven

Paulo Gomes, filiaalhouder van Ookami.
Paulo Gomes, filiaalhouder van Ookami.

Het is een woord dat meedrijft op de adem van de tijd: compassie. Een woord van eeuwigheidswaarde, stammend van het Latijnse com pati: samen lijden. Het waait door de wereld, door stad en land: we moeten meer compassie hebben met elkaar.

De Britse religiewetenschapster Karen Armstrong blies het oude parool in 2011 nieuw leven in met haar boek ‘Compassie’: een twaalf stappenplan naar medemenselijkheid. Drie jaar later landde het woord in de gemeenteraad van Rotterdam, waar moslimpartij NIDA voorstelde voortaan een stad van compassie te zijn. Burgemeester Aboutaleb omarmde de motie als een geschenk uit de hemel.

En zo dwarrelde het woord verder en verder, totdat het vorige maand neerdaalde op de bovenste verdieping van het Groothandelsgebouw. Daar zette de burgemeester zijn handtekening onder het Handvest voor Compassie. Mededogen is vanaf nu de kern van het gemeentelijk handelen. Haat en minachting worden bestreden, culturele en levensbeschouwelijke verscheidenheid gestimuleerd. Rotterdam is de 68ste stad in de wereld die het Handvest onderschrijft.

Erbarme dich, roept de Coolsingel tot zijn burgers. Maar kun je erbarmen opleggen? Moet het niet al sluimeren in de spelonken van de stad, zodat je het slechts hoeft wakker te kussen? Op de hoek van het Burgmeeester Meineszplein is het woord vlees geworden. Hier verrees vorig jaar mei, op initiatief van sociaal makelaar Rodney van den Hengel en jeugdcoördinator bij de politie Marco den Dunnen, het koffiehuis Ookami.

Heilige Rotterdamse Boontjes, heet het project, een knipoog naar de werkers die het koffiehuis draaiende houden: straatschoffies, boefjes en achtergestelden. Kortom, kwetsbare jongeren die moeilijk aan een baan komen. Filiaalhouder is Paulo Gomes, een 42-jarige Kaapverdiaan. “Je moet het zo zien”, zegt hij, “dit is een voorportaal van de arbeidsmarkt. Jongeren krijgen een leerwerktraject van vijftig weken, waarin ze worden opgeleid tot koffiebrander, barista en distribiteur. Met die werkervaring kunnen ze makkelijker en met meer succes solliciteren op de arbeidsmarkt. We hebben contact met meer dan vijftig bedrijven, zoals Feyenoord, Boskalis en Albert Heijn. Bij sommige AH-filialen ligt onze koffie zelfs in de schappen.”

Een project tegen draaideurcriminaliteit, met subsidie van de gemeente. Paulo heeft nu de A-status bereikt. Hij leerde op tijd op z’n werk komen, de kassa bedienen en mag nu leiding geven. In de kelder toont hij de rauwe Braziliaanse koffiebonen en de brandmachine. “Boven worden de bonen gemalen. Of niet. Sommige klanten komen hier geen koffie drinken, maar nemen een zak bonen mee naar huis.”

Ookami is een trefpunt van de wijde omgeving geworden. Op het terras zit een jongerenwerker uit Zuid, politieman Den Dunnen komt al telefonerend voorbij en binnen zien we een jonge wijkbewoonster. Paulo: “Mensen die het echt niet kunnen betalen geven we gratis koffie. Daarvoor hebben we een speciale pot, de Verbonden Rotterdammer, waar iedereen geld in kan stoppen. Eenzame mensen helpen we. Wat kan ik voor je doen? Boodschappen? Medicijnen halen?”

En zo blijkt, niet alleen de kansarme jongeren wordt compassie betoond, zij betonen het op hun beurt ook weer aan hun klanten. Barmhartigheid is een woord dat je door kunt geven, een werkwoord vooral. Heilige Rotterdamse Boontjes won de Compassieprijs 2016.

Daar was-ie dan, de zon

20160506_132423Zomer in de stad. De eerste tekenen: een buurvrouw die een plant verpot, lange rijen voor diergaarde Blijdorp, een verkeersregelaar die het zoo-bezoek in goede banen leidt. En op de Essenburgsingel een dolende toerist, die een zojuist gekochte fles tevoorschijn haalt. “Is this water?” “No, sir, it’s vinegar.”

Een zingende merel. Weerkaatsend zonlicht in de gevel van het Centraal Station. Het belendende terras van Lebkov & Sons stroomt vol met dorstige zielen. Het is twaalf uur ‘s middags. Bij grandcafé Engels komt de drukte langzaam op gang. De barman vertelt dat een zomerse dag drie spitsuren kent. Om elf uur wanneer de dagjesmensen arriveren , om één uur tijdens de lunch, en om vier uur wanneer de dagjesmensen vlak voor de thuisreis nog even een slokje komen halen.

Op het terras houdt een vakbroeder een interview. De opdruk op zijn linnen tas verraadt voor wie: De Correspondent. Als hij klaar is, schuiven we aan. Het is Jelmer Mommers, correspondent klimaat & energie. Hij legt uit dat hij erachter probeert te komen wat Shell doet tegen klimaatverandering. En of Shell-medewerkers daar tevreden over zijn. De interviews geschieden anoniem, de methode Joris Luyendijk.

Komt het door de klimaatverandering dat het begin mei al zo warm is? De 28-jarige verslaggever waarschuwt dat we weer en klimaat niet door elkaar moeten halen. Niettemin kan zo’n zonnige voorjaarsdag ons in al haar loomheid en gemoedelijkheid makkelijk doen vergeten dat kilmaatverandering actie behoeft. In Nederland doen we vrij weinig, meent Mommers. Maar daarmee leven we wel op de pof, en de arme landen betalen het gelag.

Van Engels naar de VVV, waar bezoekers zich verdringen voor het loket. De man voor ons blijkt een Fransman. Hij vraagt de VVV-dame wat er vandaag te doen is in de stad. “U kunt naar een museum gaan”, suggereert ze. “Neenee”, schudt de Fransman. “Een haventourtje dan?” Dat lijkt geschikter met dit warme weer. De vrouw zet op een vel papier een turfje bij de categorie Frans. Belgen en Duitsers doen het ook goed vandaag.

De Franse toerist heet Jerome Jacqmin. Hij is 46, woont in Parijs en bezoekt dit weekend de Rotterdamse Architectuur Biënnale. Zijn laatste project is de renovatie van de nieuwe woonstee van Pierre Fraidenraich, directeur van de linkse krant Libération. Het is een pand van begin twintigste eeuw, vlakbij de Arc de Triomphe.

De architect stelt voor samen te gaan lunchen in de Markthal. En route verkiest hij de zonnige zijde van het Weena. Hij legt uit dat hij een kind is van de zon, geboren in Guadeloupe, waar zijn vader actief was in het Vreemdelingenlegioen. De kubuswoningen van Blom tegenover de Markthal vindt hij niet mooi. Bij architectuur gaat het niet om wat je ziet, maar om wat je ervaart,  denkt Jacqmin. En bij die kubussen ervaart hij niets.

In de Markthal bestellen we een visje en een Franse sauvignon blanc. Bouwkunst lijkt in zekere zin op de zon, filosofeert Jacqmin: eerst komt het gevoel, dan pas het zien. Hij heft het glas: “Ik geloof in de zon. Santé.”

Het geluk ligt in het nu

20160503_171918

Met spoed actrice gezocht, luidt de oproep op internet. Intrigerend. Zou de actrice op tijd zijn gevonden, en zo ja voor welke rol? Meteen maar even bellen. Aan de andere kant van de lijn meldt zich Bas. Hij vertelt dat hij een korte fictiefilm maakt over een man die vastzit in de sleur, en voor wie vakantie het enige lichtpuntje is. “Voor die rol hebben we iemand gevonden, maar we zoeken nog een vrouwelijke collega.”

Niettemin gaan de opnamen die middag gewoon door, en Trouw is van harte welkom. De studio bevindt zich in een studentenhuis in Breda. Voor de deur staan vier fietsen. ‘Kloppen, bel kapot’, zegt een briefje op de deur. Bas doet open en vraagt vriendelijk of we thee willen. Op het aanrecht staat een verzameling lege bierflesjes, in de woonkamer een kunstkerstboom. Dat we een uur te laat zijn, maakt hier niets uit, dat voelen we direct.

Bas (19) studeert media en entertainmentmanagement in de Baroniestad, en heeft een eigen productiedrijf: Photon Media. Zijn filmpje is bestemd voor Røde Reel, een internationaal festival voor korte films .

De opnames vinden plaats in de slaapkamer, waar Bas’vrienden Tjeu, Bram en Ray druk bezig zijn met het installeren van de apparatuur. “De acteur komt zo, die is nog even een bout halen”, legt Bas uit. Die bout is bestemd voor de slider, zo leren we, een glijdende camera.

Tijd om een blik te werpen op het script, geschreven door Bas en Bram. ‘De lange zomer’ heet het: Mark heeft een vakantieliefje ontmoet, over wie hij nog vaak ligt te dromen. Daardoor ziet hij zijn collega Nienke over het hoofd, terwijl zij veel interesse voor hem toont.

In zijn eenvoud een script van grote schoonheid. En zo waar. Boeddha leerde het al: het geluk ligt in het nu. “Wat voor stukje wordt het?”, vragen de jongens. Een oprecht lovend stukje, besluit ik. Omdat het thema wezenlijk en universeel is. En vanwege het vertrouwen dat de crew deze wildvreemde verslaggever geeft. Die openheid en kwetsbaarheid zijn ontroerend.

Daar komt Corneel, de acteur. Met de bout. Het feest kan beginnen. “Scène vier, take one”, roept Bas. De acteur ligt in bed en wordt gewekt door de klokradio. Chagrijnig slaat hij het ding uit. Vakantie voorbij, bah werken. Dan kijkt hij op zijn mobieltje en krult een glimlach rond zijn lippen. Schrijver dezes weet uit het script waar die vreugde vandaan komt, maar met de crew is afgesproken dat niet te vermelden, anders verraden we de plot, en dat willen we natuurlijk niet. “Kun je wat meer indraaien als je de telefoon pakt?”, vraagt Bram. “Voor de rest prima.” Of nee, toch niet. Corneel heeft zijn trouwring om gehouden. Shit, alles moet over.

De opnames met de actrice worden noodgedwongen opgeschoven. Dus toch gevonden, die actrice? “Nou ja, dat zit zo”, vertelt Bas, “d’r was een meisje op die advertentie afgekomen, maar zij heeft afgezegd. Nu is het mijn huisgenote geworden. Zij speelt het vakantieliefje.” “Maar”, vult hij aan, “we hebben nog steeds iemand nodig voor de rol van Nienke.” Dus, actrices in spe, grijp je kans: bas.berendse@ziggo.nl.