Gay, maar niet op Flakkee

Zaterdag vindt voor het eerst een homofeest plaats op Goeree-Overflakkee. Met Go Pink wil de Stichting Gay op Flakkee homoseksualiteit zichtbaar maken op het orthodox-christelijke eiland.

Nog niet zo lang geleden telde Goeree-Overflakkee ‘officieel’ niet één homo. ‘Die heb je hier niet’, was de algemene opvatting.

Tot vorig jaar september, toen Eilanden-Nieuws op de mat viel. Met een primeur: de eerste Flakkeese coming out zwart op wit plus foto. Uitverkorene was Arjan Kamp (20) die openhartig vertelde over zijn vriend Menno Smit (19) uit Eerbeek. Zijn christelijke opvoeding had zijn coming out belemmerd, zei Kamp, maar gelukkig had hij van de kerk geen negatief commentaar gekregen. “Er wordt niet over gepraat , dat is wel eens frustrerend.”

Na het interview brak een storm van protest los: praktiserende homo’s en dát in onze reformatorische krant! De hoofdredactie bood ten einde raad de lezers excuses aan. Dominees van het eiland juichten in de Provinciale Zeeuwse Courant de spijtbetuiging toe. “De wereld zit vol zonden, zeker op seksueel gebied, maar daar kunnen we tegen vechten”, meende ds. Kaptein uit Middelharnis.

Hoe is het om homo te zijn op een eiland waar de SGP veruit de grootste partij is? “Tja”, zegt Margaret de Geus (31), “toen ik net samenwoonde met mijn eerste vriendin draaiden mensen hun hoofd om als ze ons zagen. Of ze keken nieuwsgierig bij ons naar binnen.” Lachend: “Maar daar was de lol snel vanaf. Bloemetje voor het raam, hondje in de mand. Net zo burgerlijk als bij iedereen.”

Margaret de Geus in Nieuwe-Tonge: "Toen ik net met mijn vriendin was gaan samenwonen, keken ze nieuwsgierig bij ons naar binnen." Foto Arie Kievit
Margaret de Geus in Nieuwe-Tonge: “Toen ik net met mijn vriendin was gaan samenwonen, keken ze nieuwsgierig bij ons naar binnen.” Foto Arie Kievit

Margaret is de enige homoseksueel die wij voor dit verhaal te spreken krijgen. Een uitgebreide zoektocht via Gay op Flakkee en christelijke homo-organisaties leverde geen resultaat op. Arjan Kamp doet er sinds de mediastorm van vorig jaar het zwijgen toe. Een andere jonge homo laat weten ‘het eiland niet in een kwaad daglicht te willen stellen’, en een derde vreest een belangenconflict met zijn werk. Het taboe is groot, evenals de ‘homovlucht’ naar Rotterdam.

“Het is de cultuur hier die homo’s in de kast houdt”, weet Margaret uit Nieuwe-Tonge. “Niet alleen het christelijke, ook de beslotenheid van het eiland. Wat zullen de buren ervan zeggen: Tjoe, jae, hei je ’t al gehoord?” Zelf liep ze jarenlang met haar geheim rond voor ze ermee naar buiten kwam. “Ik ben christelijk gereformeerd opgevoed. Niet dat die kerk homo’s openlijk veroordeelde, maar diep van binnen wist je: het hoort gewoon niet.”

Op haar 21ste, toen ze voor het eerst verliefd werd op een vrouw, vertelde Margaret het aan haar oudste zus. “Die zei: ‘Nou, niet echt een verrassing.’ Ja, ik was een wildebras vroeger. Speelde niet met barbies zoals mijn vier zussen, maar trok de koppen van die barbies eraf. Maar goed, mijn zus was vol begrip. Toch zei ze: ‘Het zal een strijd worden.’ Ik maakte daaruit op: je zal alleen moeten blijven.”

“Voor mijn vader – mijn moeder leeft sinds mijn 13de niet meer – was het heel moeilijk. Zijn reactie was: ‘Je blijft mijn dochter, maar als je een vriendin krijgt, kan ik je niet meer zien. Ik lig er nachten van wakker.’ Ik antwoordde: Ja pa, maar ík lig er al járen van wakker.” Inmiddels heeft Margaret, werkzaam in de gehandicaptenzorg, al weer jaren goed contact met haar vader. “Hij was te hard geweest, vond hij ook zelf. Met mijn vriendin Bianca ben ik van harte welkom. En ook bij mijn broers en zussen. De meeste van mijn familieleden vinden een lesbische verhouding nog steeds iets wat God niet bedoeld kan hebben, maar ze respecteren onze keuze. Bianca hoort er gewoon bij.”

Met de kerk heeft Margaret sinds haar 22ste geen contact meer. “Ik ben nog even evangelisch geweest, heb me er zelfs laten dopen, maar toen ik uit de muziekband moest omdat ik een vriendin had, was ik klaar met de kerk. Voorgoed.”

Volgens Jacqueline Lokker (57), voorzitter van de Stichting Gay op Flakkee, komen alle vormen van afwijzing en aanvaarding op het Zuid-Hollandse eiland voor. Van warme omhelzing tot ‘ik wil je nooit meer zien’ en iets er tussenin: laten we het grootmoeder maar niet vertellen.

Zelf heteroseksueel zet Lokker zich voor de stichting in omdat ze het de hoogste tijd vindt dat seksuele diversiteit zichtbaar en bespreekbaar wordt op het eiland, zeker sinds het incident met Eilanden-Nieuws. Er zit ook een persoonlijk verhaal achter. “Mijn zoon is homo, en ook hij heeft dat jarenlang verborgen gehouden, terwijl hij niet kerkelijk is opgevoed. Hij voelde zich geremd op school, vertelde hij ons, en heeft zich pas tijdens zijn studie in Nijmegen geout. Maar ook daar kan hij niet hand in hand met zijn vriend over straat. Hoe erg moet het hier dan wel niet zijn, vroeg ik me af.”

Wel, dat kreeg ze te horen. “Mannen die voortdurend op hun hoede zijn: niet met de benen over elkaar, niet met de handen wapperen, hoe gooi ik die bal, pas op: niet te nichterig lachen. Veel homo’s gedragen zich anders dan ze zijn, met maar één doel: onder de radar blijven.”

Met ‘fluwelen handschoenen’ probeert de stichting het zwijgen te doorbreken. “We praten met twee van de drie middelbare scholen alhier. Met de kerken nog niet. Wel hebben we een congres gehad waar dominees en ouderlingen aanwezig waren. Een ouderling van de hersteld hervormde kerk zei na afloop: we kunnen onze ogen niet langer sluiten voor homoseksualiteit, en zullen er onze weg in moeten vinden. Dat vind ik vooruitgang.”

Wel vaker merkt de geboren Flakkeese dat er langzaam iets verandert op het eiland. “Toen we onze stichting in 2013 oprichtten, was de SGP de eerste die reageerde. Ja, tot mijn grote verrassing. In onze achterban zitten ook homo’s, legde de SGP-fractievoorzitter uit. Ik heb zijn 06-nummer en mag hem bellen als we worden tegengewerkt.”

En nu dus zaterdag voor het eerst een homofeest: Go Pink. “Geen gay parade, hoor”, verklaart Lokker. “Hoe leuk ik persoonlijk zo’n parade ook vind, zoiets past hier niet. Het is te publiek, je kan er niet omheen. Nee, we doen het bij het JAC in Middelharnis. En ja, er is een optreden van dragqueens, maar wie dat niet wil zien, blijft gewoon thuis. Dat is wat onze stichting wil bereiken: vrijheid voor iedereen op het eiland, met respect voor elkaars normen en waarden.”

Beweging in de Bible Belt

In de orthodox-protestantse kerken in de Bible Belt, waartoe ook Goeree-Overflakkee behoort, zit enige beweging in het denken over homoseksualiteit, meent ds. Wielie Elhorst. “Men vindt dat het onderwerp niet langer onbesproken kan blijven. Dat is mede te danken aan het publieke debat en aan zelforganisaties in orthodoxe kring zoals holyfemales.nl.” De PKN-predikant met een bijzondere opdracht voor de LHBT-gemeenschap wijst onder meer op publicaties van de HGJB (jeugdbeweging binnen de Gereformeerde Bond) en rapporten van de christelijke gereformeerde- en Nederlands gereformeerde kerken. Maar dat betekent niet dat er binnen de rechterflank van het protestantisme per se meer acceptatie komt van christelijke homo’s. Elhorst: “Bij de christelijke gereformeerden mogen praktiserende homo’s bijvoorbeeld nog steeds niet aan het Heilig Avondmaal. Het denken binnen de orthodoxie is grosso modo: homo’s zijn kinderen van God, en mogen vriendschappen aangaan, maar liever geen seks. De homo wordt toch nog altijd bezien vanuit gebrokenheid, al gelooft men niet meer dat de seksuele oriëntatie is te veranderen. Behalve bij de evangelischen, daar gelooft men dat wel.”

Badgasten maakten Schouwen katholiek

In Schouwen waren katholieken van oudsher onzichtbaar. Totdat in 1959 de toeristenkerk in Haamstede verrees, en de katholieke kerk er stevig voet aan wal kreeg. Maar die bloeitijd is voorbij. En ’s winters gaat de kerk waarschijnlijk dicht.

Strandkerk Haamstede. Dat klinkt zonnig en ontspannen. En zo is de sfeer ook deze zondagmorgen in Onze Lieve Vrouw op Zee. De gelovigen zijn zomers gekleed, sommigen zelfs in korte broek en op slippers. Vóór ons zit een Duits gezin met twee kinderen. Ze zijn, net als het merendeel van de honderd aanwezigen, op vakantie in Schouwen.strandkerk-haamstedeIn zijn preek voelt priester Verdaasdonk de vakantiestemming feilloos aan: “De buurman die tijdens je vakantie op je huis past, mag je zien als een engel van God. ” En in de voorbede bidt lectrice Henny Wichgers: “Wilt U ook zijn met hen die niet op vakantie gaan. Dat ze in hun omgeving toch iets van mensenliefde mogen ervaren.” Een sobere viering. Zonder koor, en zelfs zonder organist (heeft zich die ochtend afgemeld, zo horen we). Tijdens de collecte klinkt vanaf een bandje wel het ‘Ave Verum Corpus’ van Mozart.

Speciaal voor katholieke vakantiegangers werd in 1959 deze strandkerk gebouwd. Voor de autochtone eilandbewoners, bijna zonder uitzondering protestant, was het wel even wennen, zo’n enorm katholiek godshuis in het dorp. En het bleef niet bij Haamstede. Ook in Renesse verscheen in 1968 een katholieke toeristenkerk. “Zonder badgasten hadden we nooit zulke grote kerken kunnen bouwen”, vertelt Verdaasdonk (86) na de mis.

In 2009, toen de strandkerk een halve eeuw bestond, schreef hij een aardig herdenkingsboekje onder de wat cryptische titel: ‘Veertig jaar en meer ‘kerken’ in Haamstede’. Het is tevens een geschiedschrijving van het katholicisme in de Westhoek, zoals dit deel van Schouwen heet.

De eerste ‘officiële’ katholieken, zo blijkt uit het werkje, deden in 1935 hun intrede. Het waren barbier-kleermaker Anthon Simons en zijn vrouw. Bij de geboorte van hun dochtertje werd een priester opgetrommeld uit Zierikzee die het kind ten huize van de ouders doopte. Deze heilige mis in Haamstede was de eerste sinds honderden jaren in de Westhoek.

In de oorlog arriveerde een nieuwe groep katholieken: arbeiders uit Brabant die door de Duitsers op Schouwen te werk waren gesteld. Dominee Saraber van Burgh was zo aardig om de consistoriekamer van zijn kerk voor missen beschikbaar te stellen. Maa r niet alle hervormde predikanten waren zo soepel, weet Verdaasdonk. “Dominee Den Hollander in Haamstede was stroef en terughoudend. Hij wilde geen missen toestaan.” In Renesse konden de dwangarbeiders wel in de hervormde kerk terecht, zij het, zo noteert de emeritus, onder typisch protestantse voorwaarden: geen beelden, en wierook alleen als ‘wij’(de hervormden) er geen last van hebben.

Een eigen kerkgebouw was nog ver weg. Na de oorlog volgde een lange zwerftocht langs garages, hotels en bakkerszaken. Totdat in de jaren vijftig als een geschenk uit de hemel de katholieke badgast uit Brabant, Duitsland en in mindere mate Limburg zijn intrede deed. “Destijds was slechts vier procent van de Schouwenaren katholiek. Het is aan de toeristen en de voorgangers te danken dat het katholicisme hier een beetje is ingeburgerd”, zegt Verdaasdonk. Kerkbestuurder Piet Remijn (79) haast zich te verklaren dat de verhouding tot de protestanten nu uitstekend is. “We werken in de Westhoek met acht kerken samen.”

Maar destijds ging de bouw van de strandkerk niet van een leien dakje. Grond werd moeizaam verworven, en toen er eindelijk aan de Kloosterweg een terrein was aangekocht, mocht er niet worden gebouwd. Architect Van der Lubbe schreef in augustus 1955 ten einde raad aan toenmalig pastoor Dekker: “Ik meen dat het nu toch – al is dit niet uitgesproken – pertinent duidelijk is dat men in het protestantse Haamstede beslist geen katholieke nederzetting wil dulden.” De kerkeraad van de christelijk gereformeerde kerk tekende zelfs bezwaar aan vanwege angst voor geluidsoverlast.

Maar in juli 1959 was het wonder dan toch daar. Bisschop Baeten van Breda zegende het nieuwe godshuis (kosten 200.000 gulden) aan de periferie van Haamstede plechtig in. Het rijke Roomse leven op Schouwen kon beginnen. “Och, wat een tijd was dat”, herinnert Verdaasdonk zich verheugd. “We hadden drie of vier missen op een zondag met in totaal soms meer dan vierduizend gelovigen. Acolieten uit Zierikzee kwamen hier het verkeer regelen.” Rond 1960 werd zelfs aan de Rotterdamse Tramweg Maatschappij gevraagd of de lijndiensten niet wat beter op de mistijden konden aansluiten. Het antwoord was: alleen als je ervoor betaalt.

De strandkerk pikte nog net het laatste graantje mee van de katholieke bloei. Na 1965 ging het gestaag bergafwaarts met de kerkgang. “Ach ja, het Tweede Vaticaanse Concilie”, mijmert Verdaasdonk, “katholieken pakten hun vrijheid.” Van de vierduizend bezoekers van vroeger zijn er nu nog zo’n kleine honderd over. Hoe lang zal de Onze Lieve Vrouw op Zee nog bestaan? Zusterkerk De Ark in Renesse ging in 1996 al definitief uit de vaart. In hetzelfde jaar werd de Stichting Katholieke Toeristenzielzorg in Zeeland opgeheven.

Lectrice Wichgers (72), ooit in Haamstede begonnen als badgast en er blijven plakken, is niettemin optimistisch. “Eigenlijk gaat het hier nog steeds best goed. Dat geldt ook voor de andere strandkerken buiten Schouwen: in Vrouwenpolder, Dishoek, Westkapelle en Cadzand.” Kerkbestuurder Remijn: “En de collectes zijn prima, hoor. Toeristen geven veel. Een Duitse badgast heeft ons zelfs een glas in lood raam van Maria op Zee geschonken.” Verdaasdonk: “Het zit hier zomers voller dan in de ‘gewone’ katholieke kerk in Zierikzee, dat klopt, maar ik denk dat we de strandkerk ’s winters niet langer kunnen openhouden. Met twintig autochtone Haamsteders in de mis red je het niet.”

Hoe anders was het toen. Gelovigen verdrongen zich op de patio buiten de kerk. “Zoals alle Zeeuwse toeristenkerken was dit een openluchtkerk”, legt Wichgers uit. Zichtbaar is nog de open hof met de rondgaande overdekte galerij. Maar de glazen deuren achter het altaar zijn vervangen door metselwerk. “Vroeger gingen die deuren zondags open en kon je vanaf de patio de dienst volgen”, memoreert Wichgers. Remijn: “Mijn vrouw en ik stonden hier met onze dochter in het reiswiegje.” Wichgers: “Het was een heel speciale sfeer, dat buiten zingen in het zonnetje, moeders met spelende kinderen. Echt vakantie.”

Maar nu. De files en parkeerproblemen rond de kerk zijn reeds lang voorbij. En in de winter gaat het godshuis vermoedelijk dicht. De katholieken in Haamstede worden weer onzichtbaar. Net als in de tijd van barbier Simons en zijn vrouw.

PKN kent geen strandkerken

De Protestantse Kerk in Nederland kent geen speciale strandkerken zoals de katholieken in Zeeland. Woordvoerster Marloes Nouwens zegt dat het aan de plaatselijke protestantse gemeenten is om al dan niet iets voor toeristen te doen. “Over het algemeen zullen gemeenten badgasten uiteraard van harte welkom heten, maar hoe en wat dat wordt plaatselijk beslist.” Wel zijn er de RCN Vakantieparken, in 1952 opgericht vanuit de Nederlandse Hervormde kerk, waar zomers protestantse kerkdiensten worden gehouden. Het dichtst in de buurt van de katholieke strandkerk komt misschien de toeristenkerk in Gulpen (Zuid-Limburg). Die is zomers goed gevuld met vakantiegangers, zozeer zelfs dat de kerkruimte moet worden vergroot. “Zou het zo zijn dat katholieke Limburgers naar de strandkerk in Zeeland gaan, en protestantse Zeeuwen naar de toeristenkerk in Limburg?”, vraagt Nouwens zich af.

De katholieke kerkprovincie meldt dat afgezien van de strandkerken, ‘die voor iedereen toegankelijk zijn’, er geen apart toeristenpastoraat bestaat.

Iedere preek is een gevecht

De kerk is voor iedereen, maar sommige kerken lijken vooral te worden bezocht door een kleine elite. In een drieluik brengt Willem Pekelder een paar van die kerken in beeld. Vandaag tot slot de protestantse Thomaskerk in Amsterdam. “God is met een natte vinger te lijmen.”

Ging het vorige week over een kerk met een eigen radiozender (Bloemendaal), deze zondag belanden we in een godshuis met zelfs een eigen theater: de Thomaskerk in Amsterdam. Vanaf de opening in 1966 was hét doel van deze (van oorsprong) hervormde gemeente: verbinding zoeken tussen religie en cultuur.

Evert Jan de Wijer: "De hemel is hier nog niet op aarde." Foto Werry Crone
Evert Jan de Wijer: “De hemel is hier nog niet op aarde.” Foto Werry Crone

Na de kerkdienst bezoeken we met ds. Evert Jan de Wijer de theaterzaal. “Dit was destijds state of the art”, zegt hij wijzend naar de studio. “Het was de bedoeling dat de Ikon zou uitzenden wat hier gebeurde.” Na verloop van jaren raakte het Thomastheater in het slop, totdat oud-VPRO’er Klaas Vos, thans predikant in Ossendrecht, het culturele programma nieuw leven inblies. Dat was 2007. Nu wordt de zaal nog steeds gebruikt voor films, lezingen, boekbesprekingen en debatten.

Zo stond in februari Michel Houellebecqs nieuwste roman ‘Onderworpen’ op het programma. De Wijer: “Wat houdt onze lege westerse vrijheid nog in, was de vraag die voor lag. Terug naar de religieuze beknotting van vroeger wil niemand. Maar wat dan wel? Misschien de humaniteit van de Bijbel, waar weduwe en wees hun recht krijgen? Let wel, ik zeg dat niet met een autoriteitsclaim. It ain’t necessarily so, om met Porgy en Bess te spreken. Maar een begaanbare weg is het misschien wel.”

Volgens de PKN-predikant hebben religie en cultuur elkaar veel te vertellen, omdat ze in wezen over hetzelfde gaan: kwetsbaarheid van de mens, maatschappijkritiek en schoonheid. De vijftig jaar oude kerk – naar een fuctionalistisch ontwerp van Karel Sijmons – ademt in al haar voegen die symbiose van kunst en godsdienst uit. Vanuit het met marmer geplaveide voorportaal (‘geld van de goudkust Oud-Zuid’) leiden zeven traptreden – hoe Bijbels – naar de kerkzaal met zandstenen vloer, die op zijn beurt weer verwijst naar de tocht van het volk Israël door de woestijn. Het golvende dak ten slotte symboliseert de Rode Zee, waar God Mozes en de Israëlieten veilig doorheen loodste.

Toch, is het niet een beetje deprimerend om als kerkganger elke zondag in zo’n ‘woestijn’ te zitten? “Ha”, reageert De Wijer, “helemaal niet. Het is juist dynamisch. Je bent al bevrijd – zie het golvende dak -, maar nu zit je nog tijdelijk in de woestijn, al worstelend met de elementen en met elkaar. Zoals je ook tijdens de preek in gevecht bent: ik preek en het volk mort, of omgekeerd. De hemel is hier nog niet op aarde. Het is een tussenstop.”

De Avondmaalstafel lijkt meer een eindstation. Ze staat in een aparte ruimte, onder een lager plafond, wat een intieme ambiance schept. Zonnestralen beschijnen deze ochtend het tafelblad. “Je moet er naar toe lopen”, legt De Wijer uit, “we zijn er dus nog niet. Dáár is de plek waar we eenmaal zullen aanzitten als alle tranen zijn gedroogd.”

Het klinkt behoorlijk Bijbelvast en dat is het ook. In het koffie-uurtje na de kerkdienst horen we van enkele oudere gelovigen dat de jubilerende Thomaskerk bepaald geen vrijzinnige hap is. “Je krijgt hier geen slagroompunt, maar stevig roggebrood. In de traditie van theologen als Miskotte, Deurloo en Breukelman: dicht op de tekst, maar niet fundamentalistisch.”

De Wijer zelf formuleert het na zijn verkondiging zo: “Soms heb ik een prachtige preek in gedachten, maar dan laat ik de Bijbeltekst goed tot mij doordringen en concludeer ik: die tekst zegt wat anders. Ik geloof erg in Breukelman dat je de tekst niet in de rede moet vallen. Zoals vanochtend over het ‘leer ons bidden’ uit Lucas 11. Als je het nauwkeurig leest is het God die wakker moet worden geroepen. Voor mij een verrassing. Hij is de slaperige man. Bidden is: God het vuur na aan de schenen leggen. Dan is Hij met een natte vinger te lijmen. Dat is ook het joodse denken in mij: God en mens zijn gelijkwaardig.”

In zijn preek parafraseerde De Wijer Voltaire: “Prier est son métier”(over het ambt van predikant). “Je kunt wat kennis betreft uitgaan van een hoog instapniveau ”, preciseert de dominee na afloop. “In die zin is het hier een elitekerk, ja. Oud-Zuid, de Concertgebouwbuurt, veel academici , well- to- do. Je kan er ook niet zonder, vind ik: die intellectuele sociale laag.”

Een heel ‘cohort hoogleraren’ is lid van de Thomaskerk, onder wie de emeriti Theo de Boer (wijsgerige antropologie, UvA), Karel Deurloo (Bijbelse theologie, VU) en Johan van Hulst (pedagogiek, VU). Van Hulst, tevens oud-CHU-voorzitter, is ongetwijfeld ook het oudste lid van de PKN-gemeente: 105 jaar. Er is zelfs een kerkzaal naar hem vernoemd, maar die deur is – gek genoeg en hopelijk tijdelijk – overgeschilderd. Van een jongere lichting is NCRV-programmamaker Wilfred Scholten, auteur van de gelauwerde biografie ‘Mooie Barend’ over oud-ARP-premier Barend Biesheuvel.

“Maar”, zegt De Wijer, “ik preek natuurlijk niet alleen voor de culturele bovenlaag. Mijn preken hier zijn niet anders dan toen ik in de dorpskerk van Zoeterwoude stond. Er zit denkkracht in, zeker, maar daar hoef je niet mee te koop te lopen. Ik onderschat de kerkleden niet. De melkboer begrijpt mij even goed als de hoogleraar.”

Buiten aan het kerkgebouw wappert de regenboogvlag. De homo’s horen er dus ook bij.

Bloemendaal: Netwerken vanaf de kleuterschool

De kerk is voor iedereen, maar sommige kerken lijken vooral te worden bezocht door een kleine elite. In een drieluik brengt Willem Pekelder een paar van die kerken in beeld. Vandaag deel 2: de protestantse gemeente van Bloemendaal/Overveen. “Het netwerken begint hier al als kleuter.”

Als je een zondagje in Bloemendaal vertoeft, moet je niet raar opkijken dat je Hans Klok ontwaart bij de benzinepomp. Of Bastiaan Ragas in de Dorpskerk. Bloemendaal, een van de rijkste gemeenten van Nederland, is een el dorado voor welgestelden. Godfried Bomans woonde hier en Michel van der Plas.

Ad van Nieuwpoort in zijn Dorpskerk: "Evangelie is juist voor de rijken."
Van Nieuwpoort in de Dorpskerk: “Evangelie is juist voor de rijken.” Foto Werry Crone

De voorspoed van Bloemendaal begon in de Gouden Eeuw toen blekers er gingen werken voor de Haarlemse linnen-, – zijde- en damastindustrie. Daarnaast kochten kooplieden uit de stad er buitenplaatsen om de zomermaanden door te brengen. In 1632 namen die rijke handelaren het initiatief tot de bouw van een hervormde kerk. Een juweeltje dat tot de dag van vandaag dienst doet als godshuis.

De bankiersfamilie Borski, eigenaar van landgoed Elswout in Overveen, kerkte hier vroeger en had, net als de andere notabelen, haar eigen kerkbank. Eind negentiende eeuw maakte Bloemendaal een onstuimige groei door dankzij de komst van een treinstation. Rijke forenzen uit Haarlem en Amsterdam lieten villa’s bouwen en brachten de kerk tot grote bloei.

Degene aan wie we dit stukje geschiedenis ontlenen, Joan Patijn-Bijl de Vroe, actief in de historische Stichting Ons Bloemendaal, komt zelf ook uit Amsterdam. En is samen met haar man, de Alkmaarse rechter Patijn, – inderdaad, broer van Schelto Patijn – lid van de Dorpskerk.

De protestantse gemeente herbergt nog altijd een zekere elite, met name van hervormde zijde, maar predikant Ad van Nieuwpoort doet zijn best de kerk een plaats van betekenis te doen zijn voor heel Bloemendaal en Overveen. Na afloop van de dienst zegt hij: “Na de restauratie in 2015 heb ik hier de plaatselijke Rotary uitgenodigd voor een black tie-diner bij kaarslicht. Er was een harpiste en poëzie van Herman de Coninck en Gerard Reve. Sommige Rotarians kregen een brok in de keel. Zo kun je op seculiere wijze mensen iets laten ervaren van de kracht van een eeuwenoud godshuis, zeer verwant met wat wij hier elke zondagochtend doen met Bijbelverhalen.”

Voor ‘ongelovigen’ is er verder een maandelijkse Bijbeltafel, waar veel belangstelling voor is, en, eveneens één keer per maand, ‘Areopagus Bloemendaal’: een gesprek met een bekende Nederlander. De genodigden staan steevast op de voorpagina van het glossy-achtige kerkblad: Huub Oosterhuis, Alexander Münninghoff, Alexander Rinnooy Kan. “Door deze bijeenkomsten wordt de kerk steeds meer een plaats waar heel verschillende mensen even kunnen ontstijgen aan de waan van de dag”, zegt Van Nieuwpoort. Hij kan daarbij putten uit een groot netwerk, en anders kunnen zijn 1200 kerkleden dat wel.

Dankzij dat netwerk treedt deze zondagochtend de befaamde mondharmonica-speelster Hermine Deurloo op. Een feestelijke dienst, want er wordt een kind gedoopt: een telg uit de bekende baggersfamilie Van Oord. De Schriftlezing gaat over de beproeving van Abraham (Genesis 22): “God zei tot Abraham: Neem je zoon Isaac, ga naar het land Moria en doe hem daar opgaan ten brandoffer.” Voorwaar, geen gemakkelijke tekst bij een doop.

Maar dan openbaart Van Nieuwpoort zich als theologisch exegeet: oude verhalen, met een literair oog gelezen, nieuwe betekenis geven voor gelovigen en ‘ongelovigen’. Die beproeving, preekt hij, moet je lezen als vervolg op het gebod aan Abraham om zijn land te verlaten. In beide gevallen gaat het om hetzelfde: leren loslaten, zowel verleden als toekomst. “Als we werkelijk mens willen worden, moeten we vertrouwen op wat we niet in de hand hebben. Dat geldt ook voor de dopeling. De doop symboliseert dat hij is weggehaald bij al die machten die hem tot slaaf maken van het geplande.”

De kerkgangers hebben nog kunnen grinniken ook, want Van Nieuwpoort nam met ironie de Bloemendaalse mores onder het mes. “Het netwerken begint hier al als kleuter. Je moet bij de goede hockeyclub, wat niet meevalt zoals u weet, en daarna, net als je vader studeren in Leiden. En dan word je, net als je vader, advocaat. In zo’n mooi, duur kantoor met een lease-auto voor de deur. En dan zeg je op netwerkborrels dat je bij De Brauw werkt. Bij De Brauw? Geweldig. Maar wat wil je nu eigenlijk echt?”

Bij het koffiedrinken in de kerktuin verdringen de gelovigen zich om de doopouders te feliciteren. Het was bomvol in de kerk. “Zo gaat dat in Bloemendaal/Aerdenhout. Is er een happening, dan ben je er bij”, zo vernemen we.

Na afloop mijmert Van Nieuwpoort dat rijken het evangelie misschien nog meer nodig hebben dan armen. “Ik preek ook tegen mezelf. Ik kan zo opgaan in mijn werk dat ik andere fundamentele dingen soms vergeet. Zo ligt er al twee weken een rouwkaart op mijn bureau van iemand uit mijn vorige gemeente. Lul, denk ik dan! Dáár gaan mijn preken dus over. Dat wij als bevoorrechten gestoord moeten worden in onze voorspoedige leventjes . Succes is prachtig, maar je moet geen slaaf worden van de gevestigde orde. Blijf solidair met de armen, en blijf openstaan voor het ongewisse.”

Mooi, mooi, mooi, maar de dominee zal het toch ook wel aardig vinden dat de katholieke acteur Bastiaan Ragas (floepte vanochtend op het laatste moment binnen) en zijn hervormde vrouw Tooske (oud-‘Popstars’-presentatrice) geregeld onder zijn gehoor zitten. En dat Tooske met kerst voorleest voor de kinderen. Van Nieuwpoort: “Natuurlijk. Ik heb hun kinderen gedoopt. En als ze in een blad zeggen dat ze veel inspiratie halen uit de kerkdiensten alhier, vind ik dat uiteraard heel prettig.”

Kijk, zo is Ad van Nieuwpoort dan ook wel weer.

De redelijke God van de Remonstranten

De kerk is er voor iedereen, maar sommige kerken lijken vooral te worden bezocht door een kleine elite. In een drieluik brengt Willem Pekelder een paar van die kerken in beeld. Vandaag: de Arminiuskerk, voor de hoogopgeleide Rotterdammer. “We preken hier niet alleen uit de Bijbel.”

De kathedraal van de Nederlandse Remonstranten, zo wordt de Arminiuskerk in Rotterdam wel genoemd. De imposante, deels in neo-Romaanse stijl gebouwde, kerk geeft je een gevoel van nietigheid, dat nog groeit wanneer je binnen gaat: een uit hout en baksteen opgetrokken majestueuze ruimte, die plaats biedt aan meer dan duizend gelovigen.

Op sommige banken zijn nog de naamplaatjes te zien van vooraanstaande Rotterdamse families die hier kerk(t)en, zoals de Dutilhs (advocaten en bankiers). Een van de gelovigen vertelt dat Mariëtte Dutilh, echtgenote van Ivo Opstelten, nog altijd een geregeld kerkgangster is. En je kan meemaken dat ook de oud-burgemeester van Rotterdam zomaar komt binnenwaaien.

Verder zijn de namen De Monchy (handel), Tollens (verffabriek) en Boddaert (adel) vanouds aan dit godshuis verbonden. De kerk, een schepping van de architecten Evers en Stok, zag in 1897 het licht. Het Nieuws van den Dag schreef bij die gelegenheid dat aan de ‘deftige Westersingel’ een ‘modern kerkgebouw’ was verrrezen, met een ‘pleintje voor het voorrijden van koetsen’.

Tjaard Barnard en Christiane Berkvens in de kerkeraadskamer.
Tjaard Barnard en Christiane Berkvens in de kerkeraadskamer. Foto Werry Crone

Binnen neemt het predikantenbord een opvallende plaats in. We zien de naam van ds. Welmet Hudig-Semeijns de Vries van Doesburgh, die in 2004 de uitvaart leidde van de van huis uit Nederlands Hervormde prinses Juliana. Hudig is inmiddels weg uit de Remonstrantse kathedraal en opgevolgd door Tjaard Barnard, Christiane Berkvens-Stevelinck en Koen Holtzapffel, alledrie gepromoveerd. De eerste twee gaan deze zondag gezamenlijk voor.

Het jaarthema ‘gidsen of goeroes’ komt tot een afsluiting. Gidsen in de vorm van een vuurkolom, zoals in de Bijbel, zou de brandweer tegenwoordig niet meer niet tolereren, preekt Berkvens onder licht gegniffel. We hebben nu andere gidsen: Spinoza, Bonhoeffer, Amos Oz en de eerste vrouwelijke dirigente Frieda Belinfante, somt de predikante enkele suggesties vanuit de kerkgemeente op. Zelf denkt Berkvens aan Elie Wiesel (dag ervoor overleden), de ‘ketterse’ Ierse theoloog Peter Rollins (‘houdt een lucifer bij de christelijke traditie’) en, ‘niet te vergeten natuurlijk, Jezus van Nazareth.’

Uit Hamburg is ingevlogen de bariton Tim Maas. Hij zingt een weemoedig lied van de Duitse dichter Eduard Möricke: Wilt U met vreugde/ en wilt U met lijden/ mij niet overladen/doch in het midden/ ligt gunstig beschikken. Een ‘rebels gebed’ , constateert Berkvens tevreden. “Bij de almacht van God wordt een vraagteken gezet. Alsof de dichter zegt: God, maak het niet al te bont a.u.b., gedraagt U zich een beetje redelijk en houd vreugde en verdriet in evenwicht.”

Tijd voor de collecte. Als enige Remonstrantse kerk in Nederland kent de Arminius nog een College van Collectanten, een erebaantje voor studenten, waarvoor jacquet vroeger verplicht was. Het jacquet is verdwenen, gebleven is de zak.

Na afloop drinken we koffie in de kerkenraadskamer, een voorname ruimte met portretten van o.a. Jacob Arminius, grondlegger van het remonstrantisme, en hoogleraar Abraham des Amorie van der Hoeven. Onder dat portret zit Julius Röntgen, achterkleinzoon van de hoogleraar en tevens kleinzoon van de componist Röntgen. “Aanzienlijken hebben van het begin af aan deeluitgemaakt van de remonstrantse kerk”, zegt hij. Het begon aanvang zeventiende eeuw met (rijke) handelaren en vrije beroepen (ambtenaren konden geen lid worden van de Remonstrantse kerk, simpelweg omdat die tot de Bataafse Republiek verboden was), in de tweede helft van de negentiende eeuw aangevuld met spijtoptanten uit de steeds orthodoxer wordende hervormde kerk.

“Alleen rijkere hervormden konden die overstap maken”, legt Tjaard Barnard na de dienst uit, “omdat zij niet uit sociale zekerheid, lees diaconie, bij de hervormde kerk hoefden blijven.” De Arminiuskerk is nog steeds gefortuneerd: de 650 gelovigen (waarvan circa 100 kerkgaand) kunnen zich drie (deels parttime) predikanten veroorloven, en onlangs werd 2,5 ton ingezameld voor de restauratie van het orgel. Maar die vrijgevigheid heeft een keerzijde. Barnard: ‘Men verwacht een hoog serviceniveau. Je moet au courant zijn van wat gebeurt in maatschappij, wetenschap en cultuur. Je wordt geacht je literatuur bij te houden en af en toe een concert te bezoeken.”

Christane Berkvens, tevens geëmeriteerd hoogleraar Europese cultuur: “Het is ondenkbaar om alleen de Bijbel te nemen als basis voor je preek. Maar het gaat bij ons niet alleen om het hoofd, ook om het hart. Merkte u niet hoe intiem en zacht het Onze Vader werd meegebeden? De kwaliteit van de stilte viel me vanochtend op.”

Een elitekerk? “Ja”, knikt Barnard, “maar ook de elite heeft het evangelie nodig.” Berkvens: “Ik zou liever spreken van gelovigen die de nuance zoeken. Iedereen is welkom.” Toch, zo bleek al uit de volkstelling van 1970, omvat de Remonstrantse Broederschap de meeste academici van alle kerken. En een paar jaar geleden bleek uit een Motivaction-onderzoek dat het ‘laaghangend fruit’ voor deze vrijzinnige geloofsgemeenschap de hoogopgeleide 45-plusser is met een (van huis uit) kerkelijke achtergrond.

Berkvens: “Je wordt als predikant kritisch gevolgd, ja. Zo heb ik eens een hele correspondentie gehad met een kerklid – vriendelijk doch pittig – over de vraag of God alles in allen is.”

Invloed in Rotterdam heeft het instituut remonstrantse kerk niet, denkt het predikanten-duo. “Individueel zijn remonstranten wel zeer maatschappelijk betrokken”, weet Berkvens. “Maar zij zullen daarbij nooit vertellen wat hun inspiratiebron is. A: Wij kennen geen zendingsdrang. B: We hebben nog altijd de genen van de schuilkerk. Dat je remonstrant bent, dat zeg je niet.”

De troostbuis

Zijn we ziek, geblesseerd tijdens de Vierdaagse of misselijk van liefdesverdriet, Hilversum zegt: ‘Komt allen tot mij die vermoeid en belast zijt en ik zal u rust geven.’

Vijftien jaar geleden overleed Toon Hermans. Ik was een van de laatste gelukkigen die hem mocht interviewen. Niet over cabaret, maar over God. Toon had over het Opperwezen juist een boekje geschreven, getiteld ‘Gewoon God’.  “Kijk”, zei  Toon, “zie je die grashalm daar? Dat is God. Een acrobaat, een clown, God is in alles.”Krap twee jaar later stierf hij. “Ik ben niet bang voor de dood”, had Toon gezegd. “We staan zo ver van de dood af, ik zou willen weten wie hij is.” Op zijn graf staat: ‘Laat ons altijd weer Uw wil geschiede zeggen.’

Een woord van overgave, dat vermoedelijk op steeds minder grafzerken te lezen zal zijn. Ieder ‘weldenkend mens’ is immers ontkerstend en in het verlengde daarvan is de dood het definitieve en bittere einde van een mensenleven. Je overgeven aan God hoeft niet, kan zelfs niet, want er is geen God. Alleen de dood is er, als wrede, onnatuurlijke onderbreking van het leven. De dode blijft alleen voortbestaan in onze gedachten.

Het is dát denken over de dood dat de televisie ons voorspiegelt. In levensverhalen worden overleden dierbaren met liefde herdacht, maar verwijzingen naar een mogelijk hiernamaals zijn uitzondering.

Ook bij een katholieke omroep als de KRO. Het KRO-programma ‘Ode aan de doden’, elk jaar in de week van Allerzielen, voelt de tijdgeest perfect aan: er is behoefte aan rituelen rond de dood, maar niet aan expliciet christelijke noties. Dus worden er wél  kaarsjes gebrand, maar gaat het niet over God, Jezus of Maria. De gestorvene zelf staat centraal in een seculiere requiemmis. Zo stak KRO-verslaggever Ajouad el Miloudi een kaarsje aan voor zijn overleden oom ‘omdat hij zo lief en charismatisch was en zulke mooie maatpakken droeg.’

ode-aan-de-doden

Door Allerzielen te seculariseren, is de herdenking iets van ons allemaal geworden, zou je kunnen zeggen, ongeacht cultuur of geloof.  In het programma zie je hoe graag nabestaanden de levensverhalen over hun dierbaren met ons delen. Het biedt hen troost en gemoedsrust.  Da’s mooi, maar voor de doden zelf is het wel een hele verandering, denk ik wel eens.  Nu er geen Paradijs meer is, blijven ze voor altijd op onze woelige aarde.

Hetzelfde post-christelijke beeld zie je bij programma’s over ziektes en lijden. Dat zijn geen natuurlijke verschijnselen meer die helaas bij het bestaan horen, en die we, met hoopgevende steun van ‘boven’, en werkend aan genezing zullen kunnen (ver)dragen, nee het zijn vijanden geworden, beledigingen van het leven, indringers die we boos moeten aanvallen. En uitbannen!

Daarom is er een eindeloze reeks programma’s van patiënten in gevecht met hun ziekte, of het nu kanker is, obesitas of dementie. Na een beetje tv-avond heb je zomaar de halve medische encyclopedie in je hoofd, inclusief uiterst zeldzame kwalen als het Syndroom van Dandy Walker (BNN in juni 2013).

Wat deze formats gemeen hebben, is dat de individuele mens wordt teruggebracht tot zijn kwaal, en dat bewust wordt ingespeeld op emoties. Natuurlijk, patiënten kunnen hun verhaal kwijt en dat zal hen opluchten, maar de prijs die zij ervoor betalen is dat hun worsteling genadeloos in beeld komt. “Heb je het idee dat je haar al aan het verliezen bent?”, vroeg NTR-presentatrice Mirella van Markus in ‘Over leven met’ aan Leon, echtgenoot van een dementerende vrouw.

Heel ver in effectbejag ging het KRO-programma’Liefde voor later’, waarin presentatrice Anita Witzier zogenoemde herinneringsdozen samenstelde met stervende zieken (en hun jonge kinderen!). “Deze knuffel, hè?”,  vroeg Witzier met een poppetje in haar hand aan het sterfbed van nierkankerpatiënt Eric, “deze knuffel is vast een vriendje geweest in goede en slechte tijden?”Zo blijkt, ook leed-tv ontkomt niet aan de ijzeren wetten van Hilversum: het moet de kijker bij z’n nekvel grijpen. Het belang van de stervende lijkt niet altijd hoofdzaak. Alles voor de kijkcijfers. “Goed wakker geworden”, twitterde Marc Dik, producent van ‘Liefde voor later’, “950.000 kijkers.”

De kijker moge bevestiging ervaren van zijn eigen verdriet, ook hij betaalt een prijs: angst. Zo verschenen onderin beeld bij ‘Over leven met’voortdurend vreesaanjagende mededelingen uit, wat ik voor het gemak maar even ‘de steeds-meer-school’ noem: steeds meer alzheimer, steeds meer demente vrouwen, nu al  gestegen naar één op drie – alleen al tijdens de uitzending? (W.P.) –  en steeds meer geld nodig. Ten slotte een telefoonnummer, waar we terechtkonden met onze giften.

Dezelfde combinatie van angst en strijdlust zien we in ‘Ik sta op tegen kanker’, een jaarlijks terugkerende KWF-donateursshow. Avro-presentatoren herhalen daarin om de drie zinnen dezelfde mantra: Sta op, sta op, sta op. Grimmige wervingsspotjes van BN’ers moeten die oproepen ondersteunen. Simon (van Nick en Simon): “Hoe ver moeten we gaan om jou te laten opstaan?”En Robert ten Brink: “Ja, hoeveel BN’ers moeten we nog voorbij laten komen?”

ik-sta-op-tegen-kanker

 

Wat deze programma’s veelal uitstralen is een groot geloof in maakbaarheid. In ‘Operatie NL fit’ (Avro) moesten obesitas-patiënten hun imperfectie zelfs bekopen met een verantwoordingsplicht voor een streng en vernederend tribunaal.  Wie maar genoeg strijdt zal genezen, is de gedachte. Alsof toeval, geluk of stomweg genetische pech niet bestaan. Wat moeten al die mensen die niet zo vechtlustig zijn of de moed al hebben opgegeven? Hebben die het aan zichzelf te wijten als ze overlijden?

Een vorm van troost die ons nog maar zelden wordt geboden is die van de acceptatie en berusting. Zoals bij Toon Hermans. Of leukemie-patiënt Herman Finkers.“Ik ben een oldtimer die vaak naar de garage moet, maar wel goed blijft lopen”, zei de cabaretier olijk relativerend in ‘College tour’ (NTR). Zijn zus Angelique legde uit: “Herman was niet boos toen hij de diagnose hoorde. Hij vroeg zich niet af: waarom ik? Er kwam juist een enorme rust over hem.”

Over het waarom van die overvloed aan kwalen op tv valt het één en ander te zeggen. En niet alleen dat het samengebald verzet is. Het heeft ook te maken met positieve overwegingen als  bewustwording en preventie (iedereen kan immers ernstig ziek worden). Bovendien zijn leed-programma’s relatief goedkoop te produceren (geen dure sterren die je moet betalen) en leveren ze gegarandeerd hoge kijkcijfers op. Verder zal de farmaceutische industrie er ook niet vies van zijn. Maar er is nog iets, en daartoe moeten we een ander populair Hilversums fenomeen onder de loep nemen: de traan.

De traan doet zich in velerlei vormen en gedaanten voor en is overvloedig op de buis present. In juli 2010, toen ik net tv-recensent was van Trouw, heb ik er eens een paar avonden speciaal op gelet. In álle programma’s die ik zag werd gehuild. Niet alleen in uitzendingen waarin je enig malheur zou mogen verwachten, zoals ‘XXS’ (anorexiapatiënten) of ‘Spoorloos extra’(herenigde familieleden), nee, ook in iets lichtvoetigs als de Nijmeegse Vierdaagse.

KRO-presentator Fons de Poel toverde in één uitzending van ‘Het gevoel van de Vierdaagse’ niet minder dan drie huilende vrouwen tevoorschijn. Een van de bedroefde dames had zelfs een zakdoek ter grootte van een theedoek nodig om haar verdriet te stelpen. Wat was er aan de hand? Ze was geblesseerd geraakt. Niet nu, maar ooit tijdens een eerdere Vierdaagse.

Hoe komt het toch dat mensen bereid zijn op televisie hun leed zo breed uit te venten? In zijn boek ‘Publieke tranen’(2002) geeft mediaprofessor Henri Beunders daarvoor een plausibele verklaring. Vroeger wisten mensen hun verdriet te plaatsen in het grote verhaal van een godsdienst of ideologie, wat relativering en troost opleverde. Nu die grote verhalen voor velen zijn weggevallen, hebben we alleen nog ons eigen ik overgehouden, en dat schreeuwt om erkenning. Krijgen we die erkenning niet op het terrein van talent of beroep, dan maar op dat van klein en groot leed. Democratisering van het trauma, noemt Beunders dit psychologische verschijnsel.

Ik zou liever willen spreken van individualisering van het trauma, juist omdat dát woord mijns inziens nóg beter aangeeft hoe allerlei vertrouwde verbanden, die ons vroeger ter zijde stonden (kerk, verenigingen, familie, huwelijk, verzorgingsstaat), zijn verbrokkeld of uit het zicht verdwenen. We hebben inderdaad alleen onszelf nog.

Waar mensen vroeger met hun ellende naar de kerk gingen, gaan ze er nu mee naar Hilversum. De presentator is de nieuwe dominee/priester, die ons begripvol aanhoort, met dit verschil dat hij met een schuin oog voortdurend op de kijkcijfers let.

Emoties horen bij het leven, en mogen ook zeker op tv, maar in Hilversum lijkt elke maatstaf zoek.  En dat is jammer, want kijkers kunnen via de buis veel (h)erkenning ervaren, blijkt uit het proefschrift ‘De troost van televisie’(1993) van de onvolprezen oud-IKON-directeur wijlen dr. Wim Koole. Uit die dissertatie is een handzame richtlijn te destilleren: alleen privéproblemen die thuis niet bespreekbaar zijn of waarbij de professionele hulpverlening ernstig tekort schiet zijn, mits respectvol en ethisch in beeld gebracht, geschikt voor uitzending op televisie.

Oud-Ikon-directeur Wim Koole
Oud-Ikon-directeur Wim Koole

Maar nee, de tv weet van geen ophouden. Ook materieel leed behoort nu tot haar zorgtaak. Financiële misère? ‘Een dubbeltje op zijn kant’(RTL 4). Achterstanden met de hypotheek? ‘Uitstel van executie’(RTL 4). Vervelende wijk? ‘Bonje met de buren’(SBS 6).  En ga zo maar door.

Ook in dit genre gelden de onverbiddelijke wetten van de televisie. Er wordt ingespeeld op het voyeurisme van de kijker. We krijgen medelijden met al die ‘stumperds op de buis’, of voelen ons juist gelukkig omdat wij niet zo berooid, naïef of eenzaam zijn. Bij ‘gluur-tv’is kijkcijfersucces gegarandeerd.

De deelnemers aan hulp-programma’s vallen in verschillende categorieën uiteen. Soms zie je mensen  die vooral graag op tv willen, maakt niet uit waarmee. Voorbeeld: de helft van de deelnemers aan ‘Alle dagen seks’vorige zomer had geen seksuele problemen die in de daartoe geëigende circuits (partners, hulpverleners) niet besproken of opgelost zouden kunnen worden (u weet wel, het uit Wim Kooles proefschrift gedestilleerde criterium voor tv-aandacht). Toch spraken deze mensen drie avonden lang met KRO-coryfee Arie Boomsma over de slaapkamer.

Maar de meeste deelnemers aan hulp-tv verkeren wel degelijk in grote moeilijkheden. We zien eenzame en verslagen mensen die elke aansluiting met de maatschappij kwijt lijken. In ‘Een dubbeltje op zijn kant’ figureerden vorig najaar Gertjan en Margriet die vijftigduizend euro schuld hadden. Ze maakten tegenover presentatrice Annemarie van Gaal een hulpeloze indruk. Wat aan het kijkersoog voorbijtrekt is precies het tegendeel van waar de (neo-liberale) Haagse politiek de mond vol van heeft: autonomie en zelfredzaamheid.

Ik denk dat de Wim Koole-richtlijnen,  als ik het zo even mag noemen, daarom welllicht met één criterium moeten worden uitgebreid: voor mensen die de weg in de doolhof van het leven zijn kwijtgeraakt.

RTL, dat grossiert in hulpverleningsprogrammma’s, werd vanwege die grote maatschappelijke betrokkendheid gehuldigd met de Machiavelliprijs 2014. Volgens de jury heeft de omroep de samenbindende taak van kerken en verenigingen overgenomen. Ook RTL-baas Bert Habets refereerde daaraan. Daar zit zeker een kern van waarheid in. Maar er zijn ook pregnante verschillen. Zo stuurt de kerk bij stervenden een priester langs met de laatste sacramenten, en niet Anita Witzier met een herinneringsdoos.

En de commerciële omroep heeft, anders dan de kerk, natuurlijk áltijd financiële belangen. Hulp-tv is één grote fuik voor sponsors en (sluik)reclame. ‘Uitstel van executie’ werd mede mogelijk gemaakt door Grando Keukens & Bad, en toen in dat programma de tuin van een van de deelnemende koppels (Torsten en Sharmaine) moest worden opgeknapt, verscheen het tuincentrum levensgroot met de firmanaam in beeld. In het reclameblok zagen we spotjes van Bruynzeel en Kwantum. Mensen helpen en tegelijkertijd de kassa laten rinkelen is voor een commerciële zender een uitgelezen combinatie, lijkt mij.  Maar met een kerk is deze hulp in dát opzicht natuurlijk niet te vergelijken.

Zeker is wel dat de tobbende mens niet meer in de eerste plaats de kerk op zijn weg treft, maar de omroep. Op háár manier voedt de televisie hongerigen, laaft ze dorstigen en troost ze weduwen. ‘Komt allen tot mij die vermoeid en belast zijt’, noodt Hilversum, ‘en ik zal u rust geven.’ Én kijkcijfers.

Dit essay is een verkorte weergave van de speech die Willem Pekelder hield op de Inspiratiedag 2015 van vrijzinnige kerkgenootschappen.