Monthly Archives: October 2016

Iedereen zijn eigen Erasmus

Vandaag precies 550 jaar geleden werd Desiderius Erasmus geboren. Wat heeft de Rotterdamse wijsgeer ons in het Erasmusjaar nog te zeggen? Veel. Vooral dat de mens wezenlijk niet verandert.

Je hebt het over de pronkzucht van zestiendeeeuwse pausen en bisschoppen en zie wat daar voorbijvaart: een patserig plezierjacht van drie verdiepingen. ,,Ach, ja”, glimlacht theoloog Mark-Robin Hoogland C.P., “pronkzucht is van alle eeuwen, en niet alleen voorbehouden aan tijdgenoten van Erasmus.”

We fietsen langs de Hollandsche IJssel, de rivier die je met enige verbeelding de levensader van Erasmus zou kunnen noemen. Immers, de verbinding tussen Rotterdam en Gouda, de twee steden waar de wijsgeer ooit woonde. Al zal het wel eeuwig een twistpunt blijven waar ‘Erasmus van Rotterdam’, zoals hij zichzelf noemde, precies werd geboren.

Hoogland denkt Gouda. ,,Maar Erasmus hield het liever op Rotterdam. Dat kwam omdat hij als onwettig kind zijn afkomst wilde verdoezelen, evenals zijn precieze geboortejaar. Beter voor de carrière. Ach, er is weinig veranderd. Ook vandaag word je nog altijd op je afkomst afgerekend. Zie André Hazes junior, die het steeds maar weer over het drankmisbruik van zijn vader moet hebben.”

Het is een rustige maandagmiddag aan de Hollandsche IJssel: fluitende vogels, kabbelend water. Jarenlang hield Hoogland langs deze rivier speciale Erasmustochten, waarbij hij citeerde uit diens bekendste werk Lof der Zotheid (1511). Ter gelegenheid van de verjaardag van de filosoof stapt Hoogland , groot liefhebber van Erasmus’ oeuvre, vandaag nog één keer op de fiets voor een rit door de Krimpenerwaard.eramus-2We beginnen, hoe kan het anders, bij de Erasmus Universiteit. ,,In 2007 ben ik met de Erasmustochten begonnen – toen wandelend – en al snel merkte ik dat ze in een behoefte voorzagen. Veel studenten van de universiteit wisten weinig of niets van Erasmus. Op deze ontspannen wijze kwamen ze toch iets over hem aan de weet.”

Niet zozeer door onderweg iets te bekijken, want er is nog maar weinig wat aan Erasmus’ leven herinnert. Zo is het Augustijnerklooster bij Haastrecht, waar hij enkele jaren woonde, allang tegen de vlakte. Maar wel om in de sfeer van Erasmus te komen. je kunt je voorstellen dat hij vanuit zijn klooster de Krimpenerwaard ontdekte. Het moet voor hem vertrouwd gebied zijn geweest.

Het is een beetje miezerig najaarsweer deze oktobermiddag, maar Lof der Zotheid maakt een hoop goed. Het spotschrift is niet alleen nog steeds zeer leesbaar maar ook nog altijd bijzonder geestig. Luister maar eens wat we te horen krijgen in Capelle, onze eerste stop. Misstappen, geflikflooi en leugens, het hoort allemaal onverbrekelijk bij het huwelijk. Hoogland (47): “Tja, en dan hoor ik tegenwoordig mensen zeggen: we zijn op elkaar uitgekeken of onze relatie is niet perfect. Luister naar de oplossing van Erasmus, zou ik adviseren: laat de dwaasheid toe in je huwelijk.”

We staan bij het Capelse monument ter nagedachtenis aan het doorsteken van de dijk in 1574, tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Een oorlog die Erasmus (1466-1536) net niet meemaakte, maar die hij als pacifist en humanist ongetwijfeld ook een dwaasheid zou hebben genoemd.

We stappen weer op de fiets en Hoogland doceert: ,,Erasmus heeft het over twee soorten dwaasheid: de variant die je bij jezelf er- en herkent en de dwaasheid waarbij dat niet het geval is. De eerste dwaasheid hoort bij het leven en moet je, volgens Lof der Zotheid, met open armen verwelkomen. De tweede niet. Die gaat over mensen die zichzelf té serieus nemen. Die zijn pas écht dwaas.”

Al fietsend praten we over de correspondentie tussen Erasmus en Luther. ,, Ook Erasmus wilde de kerk hervormen, terug naar de bron”, zegt Hoogland. ,,Verschil alleen met Luther en later Calvijn was Erasmus’ ondogmatische geest. Tot dan toe was het kerkelijk leergezag hét antwoord op alle vragen, maar Erasmus zocht contact met voor-christelijke filosofen als Aristoteles en Seneca, en schiep daarmee ruimte voor onafhankelijk denken.”erasmus  We trappen in flink tempo voort tot Nieuwerkerk aan den IJssel, waar we een theepauze inlassen bij café Rustwat. Hoogland slaat Lof der Zotheid open bij het hoofdstuk Philautia (eigenliefde, of in dit verband beter: nationalistische zotheid). Over de muzikale trots der Engelsen gaat het, de pronkzucht der Schotten en over de Grieken met hun voorbije helden. Het is alsof je de EU hoort over de Brexit en eerder over de dreigende Grexit. ,,Erasmus was de eerste Europeaan”, denkt Hoogland.

Of, zoals Adrie van der Laan, conservator van de Erasmuscollectie in de Centrale Bibliotheek Rotterdam, enkele dagen later zou zeggen: ,,Erasmus wordt altijd geïnterpreteerd door de ogen van de tijd. Ook de onze. Iedereen z’n eigen Erasmus.” Hij zou Johan Huizinga noemen, die Erasmus betitelde als een man die geen keuzes kon maken, een opvatting die sterk was beïnvloed door de behoefte aan stoerheid in het politiek onzekere Interbellum. En Stefan Zweig wiens Erasmus-biografie meer leek op een zelfportret van Zweig dan op een levensbeschrijving van de wijsgeer. ,,Erasmus zeggingskracht is blijvend. Nog altijd komen wetenschappers uit de hele wereld hem hier bestuderen.”

Vervolgens zou de classicus voor ons het heilige der heilige openen: de kluis waar zich ’s werelds grootste collectie boeken van en over de wijsgeer bevindt: zo’n vijfduizend in getal. Alleen al van Lof der Zotheid, liggen hier meer dan tweehonderd exemplaren: van een derde druk uit verschijningsjaar 1511 tot een piepkleine uitgave uit 1629 (Willem Blauw, Amsterdam) en een Friese vertaling uit 2001: De lof fan de Healwizens.

Van der Laan (50) zou Colloquia (Gesprekken) van de plank halen en zeggen: ,,Dit schreef Erasmus om zijn studenten Latijn te leren. Het gesprek is een goede leervorm vanwege de mogelijkheid tot afwisseling met synoniemen en stijlfiguren.”

Tastbaar was Van der Laans hoop dat zoveel mogelijk Rotterdammers e.a. het Erasmusjaar zouden aangrijpen om zich verder in de wijsgeer te verdiepen. Bijvoorbeeld in diens Studia Humanitatis. ,,Volgens Erasmus was je pas een geciviliseerd mens als je de vijf vakken van beschaving had bestudeerd. Dat wil zeggen: grammatica, retorica, geschiedschrijving, poëzie en ethiek. Die vakken zouden aan de basis moeten staan van elke scholing, vond Erasmus, zodat je kennis van gedrag en taal kon ontwikkelen. Om die thema’s ging het hem als humanist: gedrag en taal. En geloof natuurlijk, maar dat was in die tijd vanzelfsprekend.”Hollandsche-IJsselMaar terug naar café Rustwat waar de thee inmiddels is afgerekend en we onze tocht voortzetten. We rijden het mooie plaatsje Moordrecht binnen, waar de winkels al gaan sluiten. Nu krijgen de theologen ervan langs: uiterst prikkelbare iezegrimmen die critici in eskaders aanvallen en hen dwingen hun woorden in te slikken. Er is niet veel veranderd, denkt Hoogland. ,, Als een dominee, zoals Hendrikse een aantal jaren geleden, beweert dat God niet bestaat, wordt hij meteen verketterd. Weinig theologen die zich dan afvragen: wat verstaan we eigenlijk onder God en onder het begrip bestaan?”

Hoe kon het dat Lof der Zotheid ondanks felle kritiek op de kerk tijdens Erasmus’ leven nooit op de index kwam? Hoogland: ,,De allegorie zit heel slim in elkaar. De verteller, de Zotheid zelf, pakt eerst de mens aan en zijn sociale relaties, vervolgens individuele groepen zoals middenstanders en rechters, en aan het eind pas de kerk. Door die voorzichtige opbouw ontsprong Erasmus de dans. Bovendien was het boek slechts één steen in de vijver. De kerk was al volop in beroering.”

Na vier uur fietsen arriveren we in Gouda, het eindpunt van de tocht. Hier krijgen paus en bisschoppen een oorvijg. ,,Bisschop betekent opziener”, citeert Hoogland , ,,maar ze zien er uitsluitend op toe dat ze geld binnenhalen, en daarbij houden ze hun ogen wijd open.” Onze reisleider zet zijn fiets tegen de Gouderakse sluis en mijmert: ,,Erasmus vroeg aandacht voor het welzijn van de mens in plaats van alleen voor het zieleheil. Dat was in die tijd nieuw. Hij was daarmee een wegbereider voor wat we later het humanisme zijn gaan noemen.”

En zo is Erasmus van alle tijden.

Trappen en happen in Rotterdam

Fietsen is leuk, maar fietsen met onderweg een hapje en een drankje nog veel leuker. Dat moeten Laura en Paul Fitzpatrick uit Blijdorp hebben gedacht toen ze vorig jaar augustus begonnen met Bike & Bite.

Er zijn inmiddels vier verschillende tochten te boeken: een korte (35 euro p.p), een lange, eentje ‘buiten de gekaande paden’ (beide 50 euro) en een op maat gemaakte (op aanvraag). Zelf je fiets meenemen mag, eentje huren bij Bike & Bite kan ook: 5 euro.

We nemen de proef op de som en kiezen voor de korte trip (‘kort en machtig’). Op een enigszins grauwe zaterdagochtend verzamelen we bij CS, waar Laura (36) een groepje fiets-Friezinnen welkom heet.

De eerste culinaire stop volgt al binnen een kwartier: lunchcafé Buiten aan de Nieuwe Binnenweg, waar we worden verblijd met een vers klaargemaakt fruit-/yoghurtdrankje. Die eerste halte blijkt illustratief voor de hele tour van 2,5 uur: niet de geijkte Rotterdamse adressen, maar frisse startups.

Laura: ,,Paul en ik hebben heel leuke zaakjes ontdekt, zoals Man met Bril, een koffiebar aan de Hofbogen. We delen onze favorietje plekjes graag met onze gasten. Bovendien helpen we op die manier andere ZZP’ers.”

Onderweg vertelt Laura over Rotterdam, en ook hier is de formule niet standaard. Niet over de Euromast en de diergaarde (‘daar gaan mensen toch wel heen’), maar bijvoorbeeld wel over Schorem, de barbier voor alleen maar mannen, en over Dr. Rotterdam, waar je via internet ‘op recept’ een cocktail kunt bestellen. En natuurlijk horen we ook over De Rotterdam en de jarige Erasmusbrug.

,,Ik houd het bewust een beetje kort, omdat ik onze gasten niet wil overladen met feitjes”, legt Laura uit. Bovendien gaat het natuurlijk vooral om het lekkere eten en drinken. Aan tafel leer je elkaar immers het beste kennen, meent Bike & Bite. De tweede culinaire stop is bij de Fenix Food Factory op Katendrecht, waar ons een Marokkaanse tapas wacht met cider (foto).

20161015_124042

Bike & Bite mag gemiddeld op twee à drie toertjes per week rekenen, en Laura (stewardess) en Paul (muziekdocent) hopen er hun beroep van te maken. Op die wens zeggen we bij de derde en laatste culinaire stop – kaas en port in de Markthal – van harte proost. Of, zoals onze Friese fiets-vriendinnen zeggen: Tsjoch! 

Krijg je dáár een burn-out van

Je denkt: dat telefoontje jas ik er nog wel even door voor die burn-out-avond. En een patatje met mayo prop ik er ook nog wel in. En een zen-meditatie natuurlijk. Altijd goed tegen de stress. Om kwart voor acht de deur uit, acht uur ‘burn-out’. Moet lukken.

Niet dus. Al voor debatcentrum Arminius is het een drukte van jewelste. Overal fietsen. Tegen palen, tegen hekken, tegen bomen. Waar laten we ons rijwiel? Tippel-tippel-tippel, helemaal naar de Witte de Withstraat. Daar is nog net één boom vrij. IJlings terug naar Arminius. Opstoppingen voor de deur. “Papieren tickets hier!”, roept een meisje met overslaande stem. “Bingo!”, gil ik zwaaiend met mijn ticket naar het burn-out-loket.

Kop koffie. Rij aan het buffet. Plaatsje zoeken in de zaal. Zit helemaal vol met jongeren. Alleen op rij twee is nog een stoel over. In draf eropaf. “Hebbes!”, hijg ik, terwijl ik neerplof. Ziezo, laat die burn-out-avond maar beginnen.

Het podium wordt besprongen door twee actrices in druk beprint huispak. Ze schreeuwen: “Ik wil geen studie, geen carrière, geen Facebook, geen cookies en ook geen partner!” Wild rennen ze heen-en-weer om tot slot in huilen uit te barsten. Zo ziet een burn-out er dus uit: tranen in tijgerprint (foto). Brrr!

burn-out

De zaal stroomt nog steeds vol met jonge ‘burn-outers’. Sommigen spoeden zich naar de galerij voor een staanplaats. Anderen laten zich moedeloos op de grond zakken. We zijn nu helemaal ingebouwd. Direct voor ons rij één, achter ons de hete adem van rij drie en links de grondzitters. Schouder aan schouder tegen de stress!

Presentator Geert Maarse, gehuld in nerveus gesneden pak, vraagt: wie kent iemand met een burn-out? Net als je je vinger wilt opsteken, is een emaillijst in aantocht. Die gaat natuurlijk voor, want je wilt op de hoogte blijven van alle vormen van stress. Dan is er een mededeling: meneer M. de Zwart (of De Swart, dat kan natuurlijk ook) is z’n pinpas verloren.

20.15 uur, eindelijk, de informatie-avond begint. “Als je een burn-out hebt ben je moe, heel, heel moe”, vertelt gz-psycholoog Ton Wintels. Even verzitten in die krapte. Oh jee, met voet koffiemok omver gestoten. Rinkeldekinkel. Wintels: “We spreken liever niet over een burn-out, maar over een gedifferentieerde….” Rest niet verstaan. Kwam het door de uitvallende microfoon of door het geroezemoes van het barpersoneel?

“Miljoen Nederlanders hebben een burn-out, van wie een groot deel jongeren”, weet de presentator. Beng! Nu kwakt er achter ons een smartphone op de vloer. Cultuurfilosoof Maarten Coolen: “Het punt is dat je tegenwoordig een biografie over jezelf moet hebben die nooit ophoudt.” Presentator: “Is daar iets aan te doen?” Coolen: “Nee.”

Dan is het tijd voor vragen uit de zaal. Om gedrang bij het podium te voorkomen stelt presentator Maarse voor dat de galerij-jongeren hun vragen op een A-viertje zetten om dat vervolgens als vliegtuigje naar de deskundigen te werpen. Iemand wil weten: “Ligt er een opdracht voor het onderwijs?” Coolen: “Nee.”

21.45 uur stipt: einde ‘burn-out’. Maar gelukkig, er komt nog meer. Maarse: “15 november de quarterlife-crisis!”

Dat haar, dat haar!

En wéér werd in het Amerikaanse verkiezingsdebat het belangrijkste thema angstvallig vermeden: het haar van Donald Trump. Het ging maar over bijzaken als wapenbezit en homorechten. Waarom nooit ‘ns over de hoofdzaak?

De media staan al jaren bol van Donalds haar. Een hamster, een marmot , een cavia, spot het journaille, maar wat hij echt op zijn hoofd draagt, weten we nog steeds niet. Le Figaro hield het in juni op een toupet. Het Franse dagblad wist zelfs Trumps favoriete hairspray te achterhalen: CHI Helmet Head Extra Firm (slechts 11,99 dollar per fles).

Een toupet dus. Nee hoor, beweerde Trump-biograaf Michael D’Antonio op de Australische radio: een mislukte haartransplantatie. “Het haar heeft een gekke kleur en zit op de verkeerde plaats, met een haarlijn vooraan. Ik denk dat in het midden een stuk is ingezet. Trump kamt het nu op alle mogelijke manieren om het nog in model te krijgen.”

Hoe belangrijk deze haarkloverij is, blijkt wel uit de wanhopige pogingen van de doorgaans serieuze Frankfurter Allgemeine Zeitung in augustus vorig jaar om de politicus te bereiken. Tevergeefs. Ten einde raad wendde journalist Philipp Daum zich tot top-ingenieur Mike Schlaich, omdat Trumps haar-opbouw hem deed denken aan een van Schlaichs ontwerpen: het golvende dak van het Porsche Pavillon in Wolfsburg (foto).

foto-2-bij-klein-verslag-16

Schlaich verklaarde: “In de bouw heb je steunbalken die aan één kant vastzitten. Om regen en wind te weerstaan moet zo’n balk redelijk dik zijn. Zo is het ook met het kapsel van Trump. Als je maar genoeg haren bij de uiteinden aan elkaar vastplakt, krijg je vanzelf een stabiele, wind- en regenbestendige constructie.”

foto-bij-klein-verslag-16

Amy Lasch, hairstyliste van Trumps spelshow ‘The Apprentice’, herinnerde zich in juli in het Britse tabloid Mirror dat ze nooit aan Trumps haar mocht zitten. “Stijf van de haarlak kwam hij de studio binnen. Als ik hem eens voorzichtig wilde bijkammen, veerde mijn kam als een boemerang terug.” Trump ging volgens haar nooit naar de kapper en liet het knippen en verven (‘geen toupet, geen implantaat’) over aan zijn vrouw of dochter.

De kapper bij mij om de hoek in Rotterdam-Blijdorp, Wim Verdouw, vermoedt dat de Republikeinse kandidaat ’s ochtends flink wat tijd kwijt is aan z’n coiffure. “Het moet worden gedraaid, getoupeerd en in model gekamd. Het is een spinsel. Als hij klant bij mij was, zou ik hem voorstellen een flink stuk van die flap af te halen.”

Slechts één keer praatte Trump openlijk over zijn gele haardos. Dat was in mei 2011 in Rolling Stone. “Oké, ik was het met Head and Shoulders, en laat het uit zichzelf drogen. Dat duur ongeveer een uur. Daarna kam ik het. Nee, niet naar voren. Een beetje naar voren, en wat naar achteren. Zo doe ik het al jaren. Ik heb geen slechte haarlijn, vind ik.”

Lekker praktisch kapseltje dus. Jaja. Nou, ik ben tegen Trump. Als je zo makkelijk praat over je hairdo mag je nooit president worden van de Verenigde Staten!

Ik geloof het wel

CDA, CU en SGP wezen het VVD-voorstel tot stervenshulp bij voltooid leven meteen af. Niet zo verbazingwekkend. Christenen geloven immers in wonderen. En vragen zich af: waarom zou je grijpen naar iets definitiefs als een pil, wanneer je door een ‘interventie van buitenaf’- een liefde, ontmoeting, tekst of muziekstuk – plots het licht weer kan zien?

Uiteraard hebben de christelijke partijen het woord ‘wonder’ in geen krant of tv-rubriek genoemd. Ze zouden direct voor gek worden verklaard. Over wie gelijk heeft in het politieke debat ga ik het hier niet hebben. Wel over de vraag of het gestoord is om in wonderen te geloven. Zelf ben ik in dat opzicht scepticus.

En ik bevind me in goed gezelschap: ds. Carel ter Linden. Zijn boek ‘Wandelen over het water’ (2004) is in feite één grote worsteling met het bijbelse wonder. Uiteindelijk concludeert de oud-hofpredikant: het gaat niet om ‘echt’ of ‘onecht’ , maar om de vraag wat het ‘wonder’ met je doet. Jezus’ wandeling over het Meer van Galilea zou je, in die visie, kunnen lezen als een aanmoediging de kolkende zee in je eigen leven onder de voet te lopen. Om ten slotte te ontdekken: ik ben niet ten onder gegaan, wat een wonder.

foto-bij-klein-verslag-15

En zo zet de verschijning van Maria in Lourdes – ‘echt’ gebeurd of niet – zieken aan tot een bedevaart, waar ze nieuwe hoop en kracht vinden. En soms zelfs genezing. Pas vertelden ze erover in ‘Andere Tijden’. Onder wie een vrouw die als kind na onderdompeling was hersteld van een medisch onbehandelbare oorziekte. Dikkie van der Horst heette ze (foto), en ze was op haar oude dag nog steeds verheugd over die blijde gebeurtenis. “Die is mij toebedeeld”, geloofde ze.

Geen programma over Lourdes sla ik over. Hier regeert nog de magie in een verder geheel onttoverde wereld. Bejaarde, gebrekkige mensen die in een kaarsenprocessie het ‘Ave Maria’ zingen, het is lief en ontroerend. Ik mag dan een scepticus zijn, doorzettingsvermogen heb ik wel. Ik ben eigenlijk dol op wonderen, en verlang er bijna dagelijks naar.

Toen ik dat aan een geleerde vriendin vertelde, zei ze: “Wonderen zijn onrechtvaardig. Waarom geneest een 88-jarige longkankerpatiënt wel en een 33-jarige moeder met borstkanker niet?” “Oké”, reageerde ik,“dan betitelen we het als toeval, geluk of geschenk. Maar komen die drie niet evengoed van ‘buitenaf’, en onttrekken die zich niet evenzeer aan het idee van maakbaarheid?” Uiteindelijk sloten we een compromis: we noemen het voortaan medisch onverklaarbaar.

Ik moet haar een geheimpje verklappen: toen ik Dikkie hoorde praten, riep ik eerst, geheel volgens afspraak: medisch onverklaarbaar! Maar direct daarna fluisterde een piepstemmetje mij in: Dankuwel, Maria. Ik vond dat eerlijk gezegd wel lekker. En waarom? Omdat de Maria waarin Dikkie gelooft het mirakel gunt aan iederéén. Want, zei Dikkie: “Ik heb al dertig jaar reuma, maar ben nooit teruggegaan naar Lourdes. Dat zou niet eerlijk zijn. Ik heb mijn wonder ontvangen. Nu is een ander aan de beurt.”

Een uitspraak van een wonderlijke schoonheid. Én medisch volstrekt onverklaarbaar.

Terug naar Oegstgeest

In april schreef ik in deze rubriek over mijn dementerende moeder die liefdevol werd verzorgd in het verpleeghuis. Inmiddels is ze overleden, 91 jaar oud. Op 31 mei werden wij rond middernacht aan haar bed geroepen, waar we haar aantroffen met reeds gestorven ogen en een vlugge, stotende ademhaling. Om tien over drie was het gedaan met Jantiena Bouwiena Pekelder-van der Veen. Uw lied is uit, gij kreunt de laatste noten, dichtte Willem Elsschot in 1907 over zijn eigen dementerende moeder. Het gedicht ‘ Moeder’ was voor mij een bron van herkenning en troost, een vriend in donkere tijden.

En ik ben gans ontroerd en kan niet spreken, wanneer gij zegt ’kom aan tafel jongen’. Elsschot drukt precies die spanning uit die je bij elk bezoek aan het verpleeghuis weer voelde. Zal ze ons nog kennen door alle mist? Gevolgd door de blijde vertedering wanneer dat gelukkig nog altijd het geval bleek : “Ha, Willem, ha Lodewijk.”Die vreugde in haar stem.

Met Lodewijk, mijn jongste broer (55), ging ik naar haar graf bij de Willibrordkerk in Oegstgeest. De laatste keer dat we hier waren was op 6 juni toen ma vanuit dit ‘groene kerkje’ werd begraven. Het was een mooie dienst geweest, vond iedereen, gelovig of niet. De voorganger had gesproken over Prediker: Er is een tijd om te baren en een tijd om te sterven, wat ook op moeders rouwkaart stond. “Prediker wil nuchter in het leven staan”, zei de predikant, “en het bestaan aanvaarden zoals het zich voordoet. Jij wilt een strakke lijn trekken, maar alles keert en draait en wendt zich nog eens om. Zo is het leven.” Waarna ‘Turn, turn, turn’ van The Byrds had geklonken. Voor alles een tijd, een goede vriend noemde dat na afloop een aangenaam relativerende gedachte. Een vriendin had in het romantisch aandoende godshuis een gevoel van eeuwigheid ervaren. Dat vond ik mooi gezegd.

foto-bij-klein-verslag-14

En nu waren we dus terug naar Oegstgeest, Lodewijk en ik. Het was prachtig herfstweer, de vogels kwinkeleerden. En de zon scheen, dan is de dood minder erg. Mijmerend stonden we aan het graf, waar in 1999 vader al ter aarde was besteld. We hadden het over een gevoel van liefde en gemis. En over ma’s goede karaktertrekken: lief, zachtmoedig, waardig, bescheiden. Een dame had de dominee haar genoemd. “Van sommige van haar eigenschappen had ik zelf best iets meer willen hebben”, bekende ik . Wat Lodewijk (uiteraard) meteen begreep.

“Is het voor jou draaglijk dat we pa en ma nooit meer zullen zien?”, vroeg ik. “Zolang ík leef zijn zíj niet dood”, antwoordde Lodewijk, “want ik denk aan hen, bezoek hun graf, bekijk hun foto’s.” Moeder geloofde in een hiernamaals, wij stukken minder, al sprak mijn broer verstandig en wijs: “Ik ben niet tegen de hemel.”

We gaven elkaar een korte omhelzing en plaatsten een bos witte lelies op moeders graf. Als dank voor wie ze was. Als dank voor haar bestaan.

20161017_144106

Chatten met Erasmus

Een Erasmus-expositie, die eigenlijk niet over Erasmus gaat, maar over de bezoeker. Koning Willem-Alexander opende deze week in de Rotterdamse bibliotheek de permanente Erasmus Experience.

Bij de Erasmus Experience kom je niet binnen met een vraag, maar met een mening. Bijvoorbeeld: ik mag zeggen wat ik wil. Daarna kun je gaan toetsen wat Erasmus van jouw opvatting vindt. Je mag het gerust oneens blijven met de grote wijsgeer, maakt niet uit, je krijgt toch wel een beloning: een slijpsteentje voor de geest. En wie aan het eind van de experience zijn emailadres opgeeft krijgt zijn eigen gedachtegoed – dus niet dat van Erasmus – thuisgestuurd.

Koning Willem-Alexander opent de Erasmus Experience

Eigentijdser had de bieb de tentoonstelling in het Erasmusjaar (550 jaar geleden geboren) niet kunnen inrichten. Het draait niet om historische kennis, maar om interactieve beleving, niet om een overzicht van Erasmus’ oeuvre, maar om hapklare brokken (geloof, gedrag en taal) en niet om het collectief, maar om het ik. Een soort Mijn ING, maar dan rond geestelijke rijkdom.

De bibliotheek heeft bewust voor deze vorm gekozen, ,,omdat we ons opnieuw zullen moeten uitvinden, willen we over vijf jaar nog bestaan.” Volgens conservator Adrie van der Laan zijn bovengenoemde thema’s van alle tijden en dus ook nu nog steeds het overdenken waard. ,,We willen de bezoeker door de bril van Erasmus naar zijn eigen mening laten kijken, waarbij we over de inhoud van die mening geen opvatting hebben. Deze expositie is niet politiek correct.”

Van de Erasmus-erfgoed-collectie die Van der Laan beheert – vijfduizend titels van en over de filosoof – is op de expositie weinig terug te vinden. Alleen zijn bekendste werken, zoals Lof der zotheid, staan uitgestald met daarnaast wel meteen weer eigentijdse titels als Taal is zeg maar echt mijn ding van Paulien Cornelisse.De Rotterdamse bibliotheek is de eerste die haar erfgoedcollectie op deze eigentijdse wijze toegankelijk maakt.

Wie de expositie betreedt mag zichzelf eerst symbolisch leegschudden op een digitale stip , zodat er ruimte kan ontstaan voor meningsvorming. Vervolgens loopt de bezoeker langs een interactieve wand met wat summiere informatie over Erasmus. Wie liever kijkt dan leest kan diezelfde informatie terugvinden op een computerscherm.

Op de interactieve wand prijkt prominent een aantal aan Erasmus ontleende stellingen, zoals: goed samenleven begint met taal,woorden maken de mens, God is liefde, oorlog is onvermijdelijk, een goed mens is thuis in elk land en ik mag doen wat ik wil.

Laten we kiezen voor: ik mag doen wat ik wil. Met ons digitale polsbandje klikken we ‘eens’ aan. Daarna kunnen we op de middentafel checken wat Erasmus daarvan vindt. ,,Nou, dan voel je je een vrije vogel”, mijmert de wijsgeer, ,,maar als iedereen doet waar ‘ie zin in heeft, is dat voor jou dan ook oké?” Toegegeven, daar heeft Erasmus een punt. We klikken ‘nee’ aan en lezen, zoals bij Whatsapp: Erasmus aan het typen. ,,Er is goed en slecht gedrag”, overweegt hij. ,,Door kennis gaan mensen zich vaak beter gedragen. Niets werkt beter dan goed gedrag met een lach.” Einde van de Erasmus-chat. We mogen ons gedachtegoed nu ‘toevoegen aan de digitale kluis.’

Wat zou de filosoof zelf vinden van deze experience? Zou hij zich omkeren in zijn graf, of er misschien een nieuw hoofdstuk aan wijden in Lof der zotheid? Van der Laan denkt van niet. ,,Hij zou, vermoed ik, wel bezwaar maken tegen het woord experience, omdat hij hecht aan de eigen taal. Maar voor de rest zou hij het een uitstekend idee vinden. Hij was een echte onderwijzer: door actief iets te gaan doen kennis vermeerderen past helemaal bij Erasmus. Evenals de humor die in onze expositie verborgen zit.”

Erasmus dus niet als doel, maar als middel. Over wijsgeer zelf zal de bezoeker niet veel wijzer worden. Zelfs bronverwijzingen zijn zeldzaam. Vaak staat er simpelweg: dit zegt Erasmus ergens… Maar om de eigen opvattingen te scherpen is de Erasmus Experience een aardige belevenis. Zeker als het een eerste kennismaking met de wijsgeer betreft.