Monthly Archives: September 2016

Kuieren en mijmeren zonder iPad en telefoon

Ook bankiers doen aan zingeving. Zoals Coert Beerman, directeur Nederland en Afrika van de Rabobank. ,,Mijn missie is dat mensen het aan het eind van de dag een beetje beter hebben.”

Als Coert Beerman (61) voor zijn werk in Afrika is, neemt hij niet alleen een kijkje bij de grote Rabobank-klanten. Hij wil ook zien hoe het met de toeleveranciers gaat, zoals de kleine mais- en katoenboeren. En hoe het is gesteld met het onderwijs. ,,Nee, die bezoeken zijn niet verplicht, maar ik wil het gewoon weten. Ook kleine boeren verdienen een menselijk bestaan, en kinderen goed onderwijs.”

Rabobank-directeur Coert Beerman
Rabobank-directeur Coert Beerman

Beerman beet deze week het spits af als Meesterpreker in De Nieuwe Poort, een huis voor ontmoeting en inspiratie in Rotterdam. De Nieuwe Poort wil, zoals ooit de kerk, plaats bieden aan georganiseerde zingeving met als pijlers: leren, dienen en vieren. De bronnen daarbij zijn zowel de joods-christelijke en filosofische traditie als kunst en literatuur.

Tijdens zijn ‘meesterpreek in de lunchbreak’ benadrukte Beerman dat de Rabobank er niet alleen is voor de food- en agri-multionationals, maar ook voor de one-acre boer in Zambia, Kenia en Tanzania. ,,We proberen de opbrengst per hectare naar een hoger plan te brengen. Dat is zowel goed voor de kleine boer als voor de grote bedrijven waaraan hij levert.”

Na al het slechte nieuws over banken, zoals het Rabo-Liborschandaal, is het volgens Beerman hoog tijd dat bankiers weer laten zien dat ze ‘oprecht en in het belang van de mondiale samenleving mensen en bedrijven ondersteunen hun ambities waar te maken.’ ,,De p’s van people, planet en profit verdienen een vierde p: prosperity, welzijn.”

Reflectie speelt een belangrijke rol in Beermans leven, zo vertelde hij. De beste ingevingen krijgt hij tijdens het wandelen. . ,,Nee, niet op de fiets. Dat werkt niet. Wandelen is voor mij therapeutisch: waar ga ik mee door en – net zo belangrijk – waar stop ik mee? In het voorjaar dacht ik: ik neem vier weken zomervakantie. Even los van alles. Niet meer naar het werk op het tijdstip van de bouwvakker en thuiskomen op het uur van de croupier. Proefverlof, noemde ik het.”

En ditmaal eens zonder emails (‘voor het eerst de afwezigheidsassistent ingeschakeld’) en Journaals. Alleen de iPad ging mee, maar ook die bleef na een paar dagen dicht. ,,Je zag mijn vrouw Stella denken: het werkt. Ik werd later wakker. Las boeken. En was buiten. Hele dagen. Ouddorp kent de meeste zonuren.”

Het badplaatsje op Goeree-Overflakkee is voor Beerman een bron van rust en inspiratie geworden. “Overal hadden Stella en ik naar een zomerhuis gezocht – van de Provence tot Toscane – maar uiteindelijk kochten we het in Ouddorp. Geen zwarte zaterdagen meer, geen wachtrijen op vliegvelden, gewoon even helemaal niets. Ook geen koopzondagen, want die passen niet in Ouddorps kerkelijke traditie. In Ouddorp kun je de stilte horen.”

Beerman wenste het zijn toehoorders in De Nieuwe Poort van harte toe: kuieren en mijmeren zonder iPad. Zo dacht hij met genoegen terug aan die gezinspicknick vijfentwintig jaar geleden in het park. “Een Turks gezin zat een stukje verderop. De Turkse man nodigde ons uit bij hen te komen zitten. Onze eerste ervaring met baklava. We proefden van elkaars maaltijden, het voelde goed. Nieuwe culturen. Gebrekkig Nederlands, maar met wat gebaren werd het een heel leuke middag. De kinderen speelden met elkaar. Ook het hoofddoekje maakte niet uit. Toen niet.”

Inmiddels zijn we in oorlog met IS, zo citeerde hij paus Franciscus en Angela Merkel. “Populisme is niet de oplossing. Dat is schieten uit de heup, terwijl de beschaving al zo dun ís. Nee, we hebben met z’n allen een taak, wellicht de zwaarste die er is, namelijk ons niet uit elkaar laten drijven. Alleen wíj kunnen, ongeacht onze culturele of religieuze achtergrond, deze oorlog stoppen. Zij aan zij. En dan denk ik nog eens terug aan die picknick in het park jaren geleden.”

De ándere Duitser

Prins Claus, overleden in 2002, zou deze maand 90 jaar zijn geworden. Zijn geboorteplaats Hitzacker eert hem daarom met een expositie in het plaatselijke museum: ‘In de sporen van de Oranjes’.  Ter gelegenheid daarvan hierbij een herpublicatie van een portret dat ik na Claus’ dood schreef voor Vorsten. Een paar van zijn beste vrienden blikken terug op het leven van de Duitse jonkheer en prins-gemaal.

claus

Wat voor man was prins Claus? Avontuurlijk, open, intelligent, progressief. Vrienden en bekenden halen herinneringen op aan de gestorven prins-gemaal. “Den Uyl wilde hem best hebben als minister van buitenlandse zaken.”

Een avontuurlijke, open man, iemand die zoveel mogelijk alles zélf wilde meemaken. Zo herinnert Avi Primor, Claus’ beste vriend, zich de vorige maand overleden prins-gemaal. “Hij ging niet alleen met de Afrikanen om omdat dat nu eenmaal zijn werk was. Hij was persoonlijk en oprecht geïnteresseerd in die mensen, en dat merkten ze”, vertelt Primor, die in 1961 gelijktijdig met Claus diplomaat was in Abidjan, de hoofdstad van Ivoorkust. De belangstelling voor de Afrikaanse cultuur ging zo ver dat Claus, zo bekende hij ooit, er niet voor terugdeinsde qat te kauwen. “Ik weet dat hij een enkele keer heeft gebruikt. Toen ik vroeg waarom, antwoordde Claus: ‘Omdat deze drug een probleem van de mensheid is.’”

Voorzitter van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers Hans Simons, die halverwege de jaren negentig samen met Claus en hun gezamenlijke piloot Willem-Alexander een inspectie-reis maakte naar Tanzania, waar Claus opgroeide, ziet nóg de ergernis op het gezicht van de prins als hij tijdens een bezoek aan een Nederlands ontwikkelingsproject weer een stoet four wheel drives zag arriveren. “Hij wilde Afrikanen zien, geen westerlingen.”

“Claus was zonder overdrijving de populairste diplomaat van Ivoorkust”, zegt Primor, die namens de nog jonge staat Israël naar het Afrikaanse land was gezonden als ambassade-secretaris. Het duurde even voordat jonkheer Von Amsberg ook geliefd was bij Primor. “Omdat wij een nieuwe ambassade waren, vereiste het protocol dat wij kennis gingen maken met de andere ambassades in Ivoorkust, in totaal elf. Ik ben ze allemaal af geweest, behalve de Duitse. Ook toen mijn ambassadeur aandrong om toch te gaan, heb ik geen actie ondernomen. Als jood wilde ik niets met Duitsers te maken hebben.”

Oud-ambassadeur Avi Primor
Oud-ambassadeur Avi Primor: “Als Jood wilde ik eerst niets met Claus te maken hebben.”

Claus daarentegen had grote belangstelling voor het jodendom. Niet alleen vanwege Duitslands besmette verleden, ook religieuze motieven speelden een rol, denkt zijn vriend de priester-dichter Huub Oosterhuis. “Claus stond als vrijzinnig-gelovige zeer open voor een progressieve verwoording van de Bijbelse, christelijke traditie. Interesse voor het jodendom hoorde daar vanzelfsprekend bij.”

Het was Claus zelf die uit belangstelling voor de Israëlische ‘buren’ uiteindelijk contact opnam met Primor. “Volgens het protocol moet ik ú bellen”, probeerde Primor nog onder de afspraak uit te komen. “Ach, dat protocol…”, wuifde de jonge Duitse diplomaat het bezwaar luchtigjes weg, “is het goed als ik straks even aanwip?” Het onderhoud duurde twintig minuten. “Ditjes en datjes, small talk”, herinnert Primor zich. Hoewel de Duitse jonkheer een goede indruk op hem maakte was Avi Primor blij dat het bezoek achter de rug was. “Hij was vriendelijk, charmant en knap, maar ja Duitser…”

Een paar weken later ging weer de telefoon, dit keer bij Primor thuis. Claus was zojuist geland op het vliegveld en vroeg zich af of hij op weg naar huis een drankje mocht komen drinken. Primor: “Dit vonden mijn vrouw Miki en ik toch echt te ver gaan, maar we durfden geen ‘nee’ te zeggen.” Het bleef die avond niet bij een borrel, het werd een visite van vijf uur. “Het leek of Claus ons iets wilde uitleggen. Hij begon uit zichzelf te praten over Duitsland, over het nazi-tijdperk, over zijn dienstplicht bij de Wehrmacht. Wij hadden altijd geleerd dat Duitsers hun verleden ontkenden, maar Claus was er heel eerlijk en open over. Mijn vrouw en ik vroegen of hij bleef dineren. Van déze Duitser wilden wij niet meer af.” Die avond werd de basis gelegd voor een levenslange vriendschap. Mede door toedoen van Claus sleten de anti-Duitse gevoelens van Avi Primor. Van 1993 tot 1999 was hij zelfs Israëls ambassadeur in Duitsland.

Als de jonge diplomaten op hun thuisbases zaten – Primor in Jeruzalem en Claus in Bonn – schreven ze elkaar lange brieven. In het Frans, de taal van de diplomatie. “Internationaal telefoneren was voor ons te duur. Als diplomaat had je het niet arm, maar je kon je geen buitensporige uitgaven veroorloven.” Zo wisten Avi Primor en Claus voor een zacht prijsje een speedboot op de kop te tikken. “Omdat Miki en ik aan een lagune woonden, vatte Claus het plan op om te gaan waterskiën. ‘Dat is toch veel te duur?!’, riep ik, maar Claus wist dat in Japan de boten erg goedkoop waren. Via een collega van mij op de Israëlische ambassade in Japan, konden we ons voor een – laat ik zeggen – diplomatiek prijsje een boot aanschaffen. Claus kreeg het voor elkaar om via een collega van de Duitse ambassade in Washington voor weinig geld aan een motor te komen. In totaal hebben we voor boot en motor 600 dollar betaald. Het was ‘great fun’ met Claus.”

In de loop van 1965 kreeg Primor een belangrijke brief van Claus. Hij was verliefd geworden en wel zodanig dat had zijn nieuwe baan – tweede man op de pas geopende Duitse ambassade in Tel Aviv – er voor had laten schieten. In een volgende brief onthulde Claus wie zijn geliefde was: ‘Hoe moeilijk het misschien ook wordt, ik zal tot het einde toe aan deze liefde blijven vasthouden.’ Primor: “Hij wilde het Nederlandse volk tonen dat hij hun prinses waardig was.” Het met rellen gepaard gaande huwelijk in 1966 maakte Primor niet mee. “Ik schreef een brief met een smoes – ik had niet de moed om eerlijk te zijn – , maar uit Claus’ antwoord bleek dat hij precies wist wat mijn wérkelijke reden was: de joodse gemeenschap in Nederland boycotte het huwelijk. Claus had er alle begrip voor dat wij daarom hadden afgezegd. Wel drong hij er op aan om zo snel mogelijk na de huwelijksplechtigheden te komen logeren.”

Toen de logeerpartij voor de deur stond, hadden Avi en Miki Primor last van protocollaire zenuwen. “Hoe moesten we Beatrix aanspreken? Ze was kroonprinses, maar ook de vrouw van onze vriend.” Het probleem loste zich vanzelf op toen het echtpaar Primor bij Kasteel Drakensteyn aankwam. De kroonprinses liep al in de tuin op hen toe en zei: ‘Jullie moeten Avi en Miki zijn. Ik ben Beatrix.”’

Nog vele logeerpartijen zouden volgen – een weekendje Parijs stond altijd hoog op de gezamenlijke agenda – en daarnaast was er wekelijks zo’n drie à vier keer telefonisch contact. “Ook tijdens Claus’ ziekte bleven we gewoon bellen. Bijvoorbeeld toen hij was opgenomen in een kliniek in Basel. Hij vertelde mij dat hij geen controle meer had over zijn gemoedstoestand en plotseling last kreeg van huilbuien. Daardoor was het voor hem een tijdlang onmogelijk om mensen te zien. De oorzaak van zijn problemen was lichamelijk en niet geestelijk. Verhalen dat hij ziek zou zijn geworden omdat hij de tweede viool zou spelen, wimpelde hij af als onzin. Dat Beatrix op de voorgrond zou staan, wist Claus vanaf dag één. Ik heb tijdens die periode nooit gemerkt dat Claus niet meer wilde leven. Dat zei hij pas in de eindfase van zijn leven: ‘Ik heb geen kracht meer om door te vechten.’ Het viel mij overigens op dat Claus zijn gezondheid altijd een minder belangrijk onderwerp vond. Hij droeg zijn ziekte met waardigheid. Liever sprak hij over onze families, de wereldpolitiek of over de ontwikkelingslanden.”

Jhr, Beerlaerts van Blokland
Jhr. Beerlaerts van Blokland: “Claus heeft altijd iets ondeugends gehouden.”

Ook jhr. Pieter Beelaerts van Blokland – voormalig CDA-minister van volkshuisvesting en ruimtelijke ordening – herinnert zich de diepgang van de prins. “Je sprak met hem binnen enkele minuten over een wezenlijk onderwerp. Hij had een grote leergierigheid en sloot een discussie niet snel af. Liever zei hij: ‘Ik hoop dat we hierover binnenkort weer verder kunnen praten.’ Van formele of oppervlakkige antwoorden hield hij niet. Hij wilde echt weten wat je visie was op een bepaald probleem.”

Hans Simons, tevens oud PvdA-staatssecretaris van volksgezondheid, herinnert zich van de Tanzania-reis dat Claus graag discussies uitlokte. “Dan dacht ik: dit kan hij niet menen. Dit zegt hij om mij uit mijn tent te lokken.”

Hans Simons: "Een lieve vader-zoon verhouding."
Hans Simons: “Een lieve vader-zoon verhouding.”

Zijn intellectuele belangstelling weerhield de prins er niet van om bij officiële gelegenheden burgemeesters of commissarissen van de koningin even alleen te laten ten faveure van de ‘gewone man’. Beealerts: “Ik heb eens meegemaakt dat hij tijdens een receptie in het Paleis op de Dam met handwerkslieden ging praten, onder wie restaurateurs van meubelen. Geen gesprek over koetjes en kalfjes, maar over de vraag: hoe gaat dat nou, zo’n stoel-reparatie? Claus schatte representatieve verplichtingen op zichzelf niet hoog in, maar hij wist er iets van te maken. En de mensen genóten ervan om te praten met een prins die geen degen had ingeslikt.”

Hoe groot Claus’ interesse voor ogenschijnlijk ‘onbelangrijke’ mensen was, merkte Beelaerts direct al bij de eerste ontmoeting met de prins, vlak na diens huwelijk. “Wat mij opviel was dat hij een veel grotere belangstelling had voor mijn zes maanden oude zoontje, dat hij vrolijk op de buik trommelde, dan voor mij. Niet dat mijn vrouw en ik lucht voor hem waren, maar het was duidelijk dat Claus dat jonge wezentje een veel grote wonder vond dan mij. Waarin hij natuurlijk gelijk had. Hij had oog voor kinderen, wat niet altijd de regel is bij intellectuelen. Een kind was voor hem op zichzelf interessant, als klein mensje.”

Prins Claus en prinses Beatrix stichtten snel na hun huwelijk zelf een gezin. Beelaerts, wiens familie een lange traditie kent in dienst van het hof, denkt dat de acceptatie van Claus daardoor is versneld. Is de prins misschien zelf ook altijd een beetje een kind gebleven? Lachend: “Hij heeft altijd iets ondeugends gehouden. Grappig, want dat is een eigenschap die we niet direct aan Duitsers toeschrijven. Dat spottende, ook met zichzelf, dat onverwachtse is bij prins Claus, hoe ouder hij werd, steeds meer naar boven gekomen. Veel oude mensen veranderen niet meer, Claus wel. Met verve.”

Met plezier noemt Beelaerts de koninginnedag dat het koninklijk paar Utrecht bezocht en de prins ‘er vandoor’ ging op de fiets, met een meisje achterop. Of die keer dat hij zijn stropdas afwierp, wat volgens Beelaerts neigde naar ‘een lichte vorm van uitbundigheid’. “Ik denk dat prins Claus zich na zijn 65-ste bevrijd heeft gevoeld. Op die leeftijd kom je vrijer in de samenleving te staan, omdat het werk minder bepalend wordt. Wat je dán nog doet, kies je zelf. Claus werd weer de vrolijke man die hij vroeger was. Hij gaf ruim baan aan zijn emoties.”

Beelaerts denkt dat de prins in het begin moeilijk zijn draai heeft kunnen vinden in Nederland. “Koningin Juliana maakte zich daarover ernstige zorgen. Ze zei een keer tegen mij: Claus is een man die inhoudelijk aan de slag moet kunnen. Ze vond dat haar schoonzoon snel een kans moest krijgen, in elk geval voordat Beatrix op de troon zou zitten, want als echtgenoot van de Majesteit zou het voor Claus nóg moeilijker worden om zich zelfstandig te ontwikkelen. Hij heeft vrij lang moeten wachten op de inhoudelijke functie van inspecteur-generaal voor ontwikkelingssamenwerking (1984, W.P.). De prins heeft zich uiteindelijk wel gedeeltelijk kunnen ontplooien, maar hij heeft veel geduld moeten betrachten.”

Op de vraag of de door depressies geplaagde prins gelukkig is geweest, volgt een aarzelend antwoord. “Ik vermoed dat Claus zou antwoorden: ‘Uiteindelijk tóch wel.’ Ik denk dat het woord ‘toch’ erin zou zitten, omdat de prins zich in het begin waarschijnlijk dikwijls afvroeg: ‘Is het wel zinvol wat ik doe?’”

“Dat zijn echtgenote koningin werd, is voor Claus achteraf een plus geweest, denk ik, omdat zijn bijdrage als gesprekspartner vanaf dat moment veel groter werd en met een andere lading dan toen Beatrix kroonprinses was. Omdat hij geen man van de voorgrond was, heeft dat ‘meedoen’ met zijn sparring-partner de koningin hem vermoedelijk meer bevrediging geschonken dan wij ons wellicht realiseren. Maar het grootste geluk heeft Claus ongetwijfeld gevonden in zijn gezin, zijn kinderen en later zijn kleinkind Eloise.”

Hans Simons: “In Tanzania heb ik gemerkt hoe goed de relatie tussen Claus en Willem-Alexander was. Ze gingen heel warm en respectvol met elkaar om. Een lieve vader-zoon-verhouding.”

Oud-ambassadeur Otto von der Gablentz
Oud-ambassadeur Otto von der Gablentz

Oud-ambassadeur Otto von der Gablentz denkt dat Claus een belangrijke adviseur is geweest voor zijn kinderen, maar vooral voor zijn vrouw. Hij had volgens Von der Gablentz grote diplomatieke gaven, die hem, ware hij niet met de koningin getrouwd, beslist naar een belangrijke ambassadeurspost hadden geleid. Tel Aviv – samen met Den Haag de moeilijkste post in de Duitse buitenlandse dienst – zou zeker voor hem zijn weggelegd, weet Von der Gablentz die in beide steden Duits ambassadeur was. “Je stuurt niet iedere Duitser zomaar naar Israël. Renate Rubinstein schreef ooit: ‘Natuurlijk zijn alle Duitsers verschrikkelijk, behalve degene die je kent.’ Bij Claus kregen mensen het idee: ‘You are not like the other Germans.’ Door zijn bescheidenheid en zijn absolute oprechtheid heeft hij snel het vertrouwen van de Nederlanders verroverd. Zo zou het ook met de Israëlische bevolking zijn gegaan.”

Kunstzinnig en intellectueel Nederland, dat aanvankelijk voorop liep in de kritiek op Claus, liet zich eveneens geleidelijk aan voor de prins winnen. Huub Oosterhuis: “In het najaar van 1968 was een groep van zo’n vijftien à twintig kunstenaars verscheidene keren te gast op Drakensteyn om te discussiëren over de functie van de kunst in de moderne tijd. We waren allen zeer onder de indruk van de rol die Claus speelde: levendig, geïnteresseerd, charmant. Beatrix en Claus wilden hun vrienden duidelijk zoeken in andere kringen dan gebruikelijk bij het Oranjehuis. Niet in het militair-industrieel apparaat, waar de voorkeur van prins Bernhard naar uitging, maar in de artistieke wereld. Claus was een linkse man. Dat blijkt ook uit de uitspraak van Den Uyl in kleine kring dat hij de prins best als minister van buitenlandse zaken wilde hebben.”

Huub Oosterhuis
Huub Oosterhuis: “Claus was een linkse man.”

Die kosmopolitische instelling was voor Otto von der Gablentz reden om tussen 1983 en 1990, toen hij ambassadeur was in Nederland, elke twee à drie maanden een afspraak met de prins te maken. “Claus was een gedreven iemand, een Europees denkend man. Ik kon veel leren van zijn ervaringen als Duitser in Nederland. Hij heeft geprobeerd de Nederlands-Duitse betrekkingen te verlossen van cliché’s met als doel er Europese verhoudingen van te maken.”

De oud-ambassadeur zal in dat verband nooit het telefoontje vergeten dat Claus naar zijn residentie pleegde op de avond van 8 mei 1985, enkele uren na een historische rede van de Duitse bondspresident Richard von Weizsäcker. “Bij de 40-jarige herdenking van de bevrijding van het nazi-regime riep Von Weizsäcker de Duitsers op hun verleden eerlijk onder ogen te zien. Het was Claus’ wens dat die toespraak in het Nederlands werd vertaald en gepubliceerd. Toen Von Weizsäcker korte tijd later op staatsbezoek kwam in Nederland, heeft de prins die vertaalde rede tijdens het diner in het paleis aan hem overhandigd.”

Een zoektocht naar wereldwijde harmonie en vrede, dat lijkt het levensdoel van de prins te zijn geweest. Hans Simons: “Op een avond stonden we, geleund tegen een jeep, bij een Memisa-ziekenhuis aan de rand van de Serengeti-steppe. Aan de ene kant ging de zon onder en aan de andere kant kwam de maan op. Ik zal nooit vergeten wat de prins toen zei:  ‘Er is niets mooiers op de hele wereld.”’  

Gay, maar niet op Flakkee

Zaterdag vindt voor het eerst een homofeest plaats op Goeree-Overflakkee. Met Go Pink wil de Stichting Gay op Flakkee homoseksualiteit zichtbaar maken op het orthodox-christelijke eiland.

Nog niet zo lang geleden telde Goeree-Overflakkee ‘officieel’ niet één homo. ‘Die heb je hier niet’, was de algemene opvatting.

Tot vorig jaar september, toen Eilanden-Nieuws op de mat viel. Met een primeur: de eerste Flakkeese coming out zwart op wit plus foto. Uitverkorene was Arjan Kamp (20) die openhartig vertelde over zijn vriend Menno Smit (19) uit Eerbeek. Zijn christelijke opvoeding had zijn coming out belemmerd, zei Kamp, maar gelukkig had hij van de kerk geen negatief commentaar gekregen. “Er wordt niet over gepraat , dat is wel eens frustrerend.”

Na het interview brak een storm van protest los: praktiserende homo’s en dát in onze reformatorische krant! De hoofdredactie bood ten einde raad de lezers excuses aan. Dominees van het eiland juichten in de Provinciale Zeeuwse Courant de spijtbetuiging toe. “De wereld zit vol zonden, zeker op seksueel gebied, maar daar kunnen we tegen vechten”, meende ds. Kaptein uit Middelharnis.

Hoe is het om homo te zijn op een eiland waar de SGP veruit de grootste partij is? “Tja”, zegt Margaret de Geus (31), “toen ik net samenwoonde met mijn eerste vriendin draaiden mensen hun hoofd om als ze ons zagen. Of ze keken nieuwsgierig bij ons naar binnen.” Lachend: “Maar daar was de lol snel vanaf. Bloemetje voor het raam, hondje in de mand. Net zo burgerlijk als bij iedereen.”

Margaret de Geus in Nieuwe-Tonge: "Toen ik net met mijn vriendin was gaan samenwonen, keken ze nieuwsgierig bij ons naar binnen." Foto Arie Kievit
Margaret de Geus in Nieuwe-Tonge: “Toen ik net met mijn vriendin was gaan samenwonen, keken ze nieuwsgierig bij ons naar binnen.” Foto Arie Kievit

Margaret is de enige homoseksueel die wij voor dit verhaal te spreken krijgen. Een uitgebreide zoektocht via Gay op Flakkee en christelijke homo-organisaties leverde geen resultaat op. Arjan Kamp doet er sinds de mediastorm van vorig jaar het zwijgen toe. Een andere jonge homo laat weten ‘het eiland niet in een kwaad daglicht te willen stellen’, en een derde vreest een belangenconflict met zijn werk. Het taboe is groot, evenals de ‘homovlucht’ naar Rotterdam.

“Het is de cultuur hier die homo’s in de kast houdt”, weet Margaret uit Nieuwe-Tonge. “Niet alleen het christelijke, ook de beslotenheid van het eiland. Wat zullen de buren ervan zeggen: Tjoe, jae, hei je ’t al gehoord?” Zelf liep ze jarenlang met haar geheim rond voor ze ermee naar buiten kwam. “Ik ben christelijk gereformeerd opgevoed. Niet dat die kerk homo’s openlijk veroordeelde, maar diep van binnen wist je: het hoort gewoon niet.”

Op haar 21ste, toen ze voor het eerst verliefd werd op een vrouw, vertelde Margaret het aan haar oudste zus. “Die zei: ‘Nou, niet echt een verrassing.’ Ja, ik was een wildebras vroeger. Speelde niet met barbies zoals mijn vier zussen, maar trok de koppen van die barbies eraf. Maar goed, mijn zus was vol begrip. Toch zei ze: ‘Het zal een strijd worden.’ Ik maakte daaruit op: je zal alleen moeten blijven.”

“Voor mijn vader – mijn moeder leeft sinds mijn 13de niet meer – was het heel moeilijk. Zijn reactie was: ‘Je blijft mijn dochter, maar als je een vriendin krijgt, kan ik je niet meer zien. Ik lig er nachten van wakker.’ Ik antwoordde: Ja pa, maar ík lig er al járen van wakker.” Inmiddels heeft Margaret, werkzaam in de gehandicaptenzorg, al weer jaren goed contact met haar vader. “Hij was te hard geweest, vond hij ook zelf. Met mijn vriendin Bianca ben ik van harte welkom. En ook bij mijn broers en zussen. De meeste van mijn familieleden vinden een lesbische verhouding nog steeds iets wat God niet bedoeld kan hebben, maar ze respecteren onze keuze. Bianca hoort er gewoon bij.”

Met de kerk heeft Margaret sinds haar 22ste geen contact meer. “Ik ben nog even evangelisch geweest, heb me er zelfs laten dopen, maar toen ik uit de muziekband moest omdat ik een vriendin had, was ik klaar met de kerk. Voorgoed.”

Volgens Jacqueline Lokker (57), voorzitter van de Stichting Gay op Flakkee, komen alle vormen van afwijzing en aanvaarding op het Zuid-Hollandse eiland voor. Van warme omhelzing tot ‘ik wil je nooit meer zien’ en iets er tussenin: laten we het grootmoeder maar niet vertellen.

Zelf heteroseksueel zet Lokker zich voor de stichting in omdat ze het de hoogste tijd vindt dat seksuele diversiteit zichtbaar en bespreekbaar wordt op het eiland, zeker sinds het incident met Eilanden-Nieuws. Er zit ook een persoonlijk verhaal achter. “Mijn zoon is homo, en ook hij heeft dat jarenlang verborgen gehouden, terwijl hij niet kerkelijk is opgevoed. Hij voelde zich geremd op school, vertelde hij ons, en heeft zich pas tijdens zijn studie in Nijmegen geout. Maar ook daar kan hij niet hand in hand met zijn vriend over straat. Hoe erg moet het hier dan wel niet zijn, vroeg ik me af.”

Wel, dat kreeg ze te horen. “Mannen die voortdurend op hun hoede zijn: niet met de benen over elkaar, niet met de handen wapperen, hoe gooi ik die bal, pas op: niet te nichterig lachen. Veel homo’s gedragen zich anders dan ze zijn, met maar één doel: onder de radar blijven.”

Met ‘fluwelen handschoenen’ probeert de stichting het zwijgen te doorbreken. “We praten met twee van de drie middelbare scholen alhier. Met de kerken nog niet. Wel hebben we een congres gehad waar dominees en ouderlingen aanwezig waren. Een ouderling van de hersteld hervormde kerk zei na afloop: we kunnen onze ogen niet langer sluiten voor homoseksualiteit, en zullen er onze weg in moeten vinden. Dat vind ik vooruitgang.”

Wel vaker merkt de geboren Flakkeese dat er langzaam iets verandert op het eiland. “Toen we onze stichting in 2013 oprichtten, was de SGP de eerste die reageerde. Ja, tot mijn grote verrassing. In onze achterban zitten ook homo’s, legde de SGP-fractievoorzitter uit. Ik heb zijn 06-nummer en mag hem bellen als we worden tegengewerkt.”

En nu dus zaterdag voor het eerst een homofeest: Go Pink. “Geen gay parade, hoor”, verklaart Lokker. “Hoe leuk ik persoonlijk zo’n parade ook vind, zoiets past hier niet. Het is te publiek, je kan er niet omheen. Nee, we doen het bij het JAC in Middelharnis. En ja, er is een optreden van dragqueens, maar wie dat niet wil zien, blijft gewoon thuis. Dat is wat onze stichting wil bereiken: vrijheid voor iedereen op het eiland, met respect voor elkaars normen en waarden.”

Beweging in de Bible Belt

In de orthodox-protestantse kerken in de Bible Belt, waartoe ook Goeree-Overflakkee behoort, zit enige beweging in het denken over homoseksualiteit, meent ds. Wielie Elhorst. “Men vindt dat het onderwerp niet langer onbesproken kan blijven. Dat is mede te danken aan het publieke debat en aan zelforganisaties in orthodoxe kring zoals holyfemales.nl.” De PKN-predikant met een bijzondere opdracht voor de LHBT-gemeenschap wijst onder meer op publicaties van de HGJB (jeugdbeweging binnen de Gereformeerde Bond) en rapporten van de christelijke gereformeerde- en Nederlands gereformeerde kerken. Maar dat betekent niet dat er binnen de rechterflank van het protestantisme per se meer acceptatie komt van christelijke homo’s. Elhorst: “Bij de christelijke gereformeerden mogen praktiserende homo’s bijvoorbeeld nog steeds niet aan het Heilig Avondmaal. Het denken binnen de orthodoxie is grosso modo: homo’s zijn kinderen van God, en mogen vriendschappen aangaan, maar liever geen seks. De homo wordt toch nog altijd bezien vanuit gebrokenheid, al gelooft men niet meer dat de seksuele oriëntatie is te veranderen. Behalve bij de evangelischen, daar gelooft men dat wel.”