Monthly Archives: July 2016

De redelijke God van de Remonstranten

De kerk is er voor iedereen, maar sommige kerken lijken vooral te worden bezocht door een kleine elite. In een drieluik brengt Willem Pekelder een paar van die kerken in beeld. Vandaag: de Arminiuskerk, voor de hoogopgeleide Rotterdammer. “We preken hier niet alleen uit de Bijbel.”

De kathedraal van de Nederlandse Remonstranten, zo wordt de Arminiuskerk in Rotterdam wel genoemd. De imposante, deels in neo-Romaanse stijl gebouwde, kerk geeft je een gevoel van nietigheid, dat nog groeit wanneer je binnen gaat: een uit hout en baksteen opgetrokken majestueuze ruimte, die plaats biedt aan meer dan duizend gelovigen.

Op sommige banken zijn nog de naamplaatjes te zien van vooraanstaande Rotterdamse families die hier kerk(t)en, zoals de Dutilhs (advocaten en bankiers). Een van de gelovigen vertelt dat Mariëtte Dutilh, echtgenote van Ivo Opstelten, nog altijd een geregeld kerkgangster is. En je kan meemaken dat ook de oud-burgemeester van Rotterdam zomaar komt binnenwaaien.

Verder zijn de namen De Monchy (handel), Tollens (verffabriek) en Boddaert (adel) vanouds aan dit godshuis verbonden. De kerk, een schepping van de architecten Evers en Stok, zag in 1897 het licht. Het Nieuws van den Dag schreef bij die gelegenheid dat aan de ‘deftige Westersingel’ een ‘modern kerkgebouw’ was verrrezen, met een ‘pleintje voor het voorrijden van koetsen’.

Tjaard Barnard en Christiane Berkvens in de kerkeraadskamer.
Tjaard Barnard en Christiane Berkvens in de kerkeraadskamer. Foto Werry Crone

Binnen neemt het predikantenbord een opvallende plaats in. We zien de naam van ds. Welmet Hudig-Semeijns de Vries van Doesburgh, die in 2004 de uitvaart leidde van de van huis uit Nederlands Hervormde prinses Juliana. Hudig is inmiddels weg uit de Remonstrantse kathedraal en opgevolgd door Tjaard Barnard, Christiane Berkvens-Stevelinck en Koen Holtzapffel, alledrie gepromoveerd. De eerste twee gaan deze zondag gezamenlijk voor.

Het jaarthema ‘gidsen of goeroes’ komt tot een afsluiting. Gidsen in de vorm van een vuurkolom, zoals in de Bijbel, zou de brandweer tegenwoordig niet meer niet tolereren, preekt Berkvens onder licht gegniffel. We hebben nu andere gidsen: Spinoza, Bonhoeffer, Amos Oz en de eerste vrouwelijke dirigente Frieda Belinfante, somt de predikante enkele suggesties vanuit de kerkgemeente op. Zelf denkt Berkvens aan Elie Wiesel (dag ervoor overleden), de ‘ketterse’ Ierse theoloog Peter Rollins (‘houdt een lucifer bij de christelijke traditie’) en, ‘niet te vergeten natuurlijk, Jezus van Nazareth.’

Uit Hamburg is ingevlogen de bariton Tim Maas. Hij zingt een weemoedig lied van de Duitse dichter Eduard Möricke: Wilt U met vreugde/ en wilt U met lijden/ mij niet overladen/doch in het midden/ ligt gunstig beschikken. Een ‘rebels gebed’ , constateert Berkvens tevreden. “Bij de almacht van God wordt een vraagteken gezet. Alsof de dichter zegt: God, maak het niet al te bont a.u.b., gedraagt U zich een beetje redelijk en houd vreugde en verdriet in evenwicht.”

Tijd voor de collecte. Als enige Remonstrantse kerk in Nederland kent de Arminius nog een College van Collectanten, een erebaantje voor studenten, waarvoor jacquet vroeger verplicht was. Het jacquet is verdwenen, gebleven is de zak.

Na afloop drinken we koffie in de kerkenraadskamer, een voorname ruimte met portretten van o.a. Jacob Arminius, grondlegger van het remonstrantisme, en hoogleraar Abraham des Amorie van der Hoeven. Onder dat portret zit Julius Röntgen, achterkleinzoon van de hoogleraar en tevens kleinzoon van de componist Röntgen. “Aanzienlijken hebben van het begin af aan deeluitgemaakt van de remonstrantse kerk”, zegt hij. Het begon aanvang zeventiende eeuw met (rijke) handelaren en vrije beroepen (ambtenaren konden geen lid worden van de Remonstrantse kerk, simpelweg omdat die tot de Bataafse Republiek verboden was), in de tweede helft van de negentiende eeuw aangevuld met spijtoptanten uit de steeds orthodoxer wordende hervormde kerk.

“Alleen rijkere hervormden konden die overstap maken”, legt Tjaard Barnard na de dienst uit, “omdat zij niet uit sociale zekerheid, lees diaconie, bij de hervormde kerk hoefden blijven.” De Arminiuskerk is nog steeds gefortuneerd: de 650 gelovigen (waarvan circa 100 kerkgaand) kunnen zich drie (deels parttime) predikanten veroorloven, en onlangs werd 2,5 ton ingezameld voor de restauratie van het orgel. Maar die vrijgevigheid heeft een keerzijde. Barnard: ‘Men verwacht een hoog serviceniveau. Je moet au courant zijn van wat gebeurt in maatschappij, wetenschap en cultuur. Je wordt geacht je literatuur bij te houden en af en toe een concert te bezoeken.”

Christane Berkvens, tevens geëmeriteerd hoogleraar Europese cultuur: “Het is ondenkbaar om alleen de Bijbel te nemen als basis voor je preek. Maar het gaat bij ons niet alleen om het hoofd, ook om het hart. Merkte u niet hoe intiem en zacht het Onze Vader werd meegebeden? De kwaliteit van de stilte viel me vanochtend op.”

Een elitekerk? “Ja”, knikt Barnard, “maar ook de elite heeft het evangelie nodig.” Berkvens: “Ik zou liever spreken van gelovigen die de nuance zoeken. Iedereen is welkom.” Toch, zo bleek al uit de volkstelling van 1970, omvat de Remonstrantse Broederschap de meeste academici van alle kerken. En een paar jaar geleden bleek uit een Motivaction-onderzoek dat het ‘laaghangend fruit’ voor deze vrijzinnige geloofsgemeenschap de hoogopgeleide 45-plusser is met een (van huis uit) kerkelijke achtergrond.

Berkvens: “Je wordt als predikant kritisch gevolgd, ja. Zo heb ik eens een hele correspondentie gehad met een kerklid – vriendelijk doch pittig – over de vraag of God alles in allen is.”

Invloed in Rotterdam heeft het instituut remonstrantse kerk niet, denkt het predikanten-duo. “Individueel zijn remonstranten wel zeer maatschappelijk betrokken”, weet Berkvens. “Maar zij zullen daarbij nooit vertellen wat hun inspiratiebron is. A: Wij kennen geen zendingsdrang. B: We hebben nog altijd de genen van de schuilkerk. Dat je remonstrant bent, dat zeg je niet.”

Kurhaus diner

Als redacteur van de Haagsche Courant kon je soms leuke uitnodigingen verwachten, zoals voor het Koninginnedagdiner in het Kurhaus. Met mijn bevriende collega Renate van der Zee ging ik er heen medio 1995. Ik kwam de foto onlangs tegen toen ik mijn kasten opruimde.

kurhausdiner-in-1996

Of het Weens Bal in Huis Ter Duin, in 1993, ook weer met Renate.

Weens-Bal

Of een invitatie van de ambassadeur van Koeweit, circa 1995, in kasteel Oud Wassenaar. Aan zijn gezicht te zien vond de ambassadeur mijn vragen over mensen- en vrouwenrechten in zijn land niet al te prettig. Het interview was echt kiele kiele…

ambassadeur-koeweit

Hier de orthodoxe ‘paus’ in de residentie van ambassadeur Alexandros Vayenas van Griekenland (op achtergrond), najaar 1994. Ik herinner me dat de ‘paus’ (oecumenisch patriarch Bartholomeos I van Contantinopel) een open en vriendelijke indruk maakte, wat je van een paus misschien niet direct zou verwachten. “Wat bent u lang, u reikt bijna tot in de hemel”,  zei hij bij de begroeting.orthodoxe-paus

En dit was toch wel de bijzonderste uitnodiging: van de Duke of Kent op de H.M. Yacht Britannica. Inderdaad, die hertog die altijd de beker uitreikt op Wimbledon. Ik weet nog dat er een klein protocollair probleem was: alleen gehuwde paren waren welkom. Hoe moest dat nu met minister Hans Van Mierlo van Buitenlandse Zaken die een vriendin had? Heel simpel: Van Mierlo en zijn lief Aafke van der Made werden apart uitgenodigd.

Duke-of-Kent-invitatie

 

De plasseloze maatschappij

20160420_144711Je bent op Rotterdam Centraal en je moet plassen. Wat dan? Je loopt naar broodjeszaak Kiosk, daar hebben ze vast wel een wc. “Sorry”, zegt de verkoopster, “geen wc.”Voor haar zelf is het al even lastig. “We mogen gebruik maken van de wc van de NS-bedrijfskantine. Maar die is wel helemaal op spoor één.” En de winkel, blijft die dan onbemand achter? “Als ik geen vervanger regel, kan ik niet naar de wc.”

Bij ijssalon Happiness Station eenzelfde verhaal. “Ik zet een bordje op de toonbank dat ik er even niet ben”, legt de verkoper uit. “Maar”, zegt hij, “als klant kunt u bij La Place plassen.” Vast wel. De naam is al zeer veelbelovend. Zeker zoals Rotterdammers die uitspreken: La Plasss. Maar ook daar: “U zult naar de publieke toiletten op spoor één moeten. ” Dat hadden we eerder gehoord.

Starbucks dan maar, een grote zaak met een grote naam. Helaas. “De NS heeft het zo bedacht”, vertelt een verkoper. “Gelukkig hoef ik zelf bijna nooit naar de wc als ik werk.” Volgens de koffieschenker is er één zaak in de stationstraverse met een eigen toilet, maar welke zaak dat is? Hij heeft geen idee.

Volgende halte: Julia’s Cucina Italiana. We bestellen een cannoli cappuccino en vragen de ober: waar is het toilet? “Dat hebben we niet. Ja, zelf moet ik ook steeds naar ons kantoor in het Groothandelsgebouw. Lastig? Ach, ik heb even een loopje.”

De verkoopster van de bloemenzaak, doet haar winkel zelfs dicht als ze hoge nood heeft. “Tja, die NS-bedrijfskantine is niet dichtbij. Maar goed, het is niet anders.”

We passeren een NS-beambte. Misschien kan hij ons uit het wc-pot-mysterie verlossen. “De architect is de toiletten voor winkels en horeca ‘vergeten’ in te tekenen”, vermoedt hij. “En daar hebben we nog jaren last van, want je mag niet zomaar iets aan een ontwerp veranderen. Gelukkig hebben we als NS’ ers onze eigen bedrijfs-wc. Nee, die is niet voor u.”

Even een bonbonnetje kopen bij Leonidas. En daar treffen we dus die ene gelukkige verkoopster met een eigen toilet. Maar niet voor ons.

Met volle blaas haasten we ons naar de publieke toiletten op spoor één. Onderweg lopen we een NS-servicemedewerkster tegen het lijf. “Dient u alstublieft een klacht in bij de NS”, spoort ze ons aan. “Heel veel mensen zijn ontevreden over het gebrek aan sanitaire voorzieningen.”

De toiletjuffrouw op spoor één beaamt dat. “Ik krijg heel wat klachten, bijvoorbeeld van oudere mensen die uitstappen op spoor zestien en daarna helemaal naar spoor één moeten. Heel vervelend.” We betalen 50 cent en doen onze plas.

Welke diepere gedachte zit er achter deze plasseloze maatschappij? We bellen NS-woordvoerder Eric Trinthamer: “De NS heeft in het plan van eisen destijds één publieke toiletgroep opgenomen. Als horecazaken of winkeliers zelf een toilet willen, zijn ze daar vrij in. Starbucks in Leiden heeft dat bijvoorbeeld gedaan. Maar de meeste ondernemers zullen er weinig voor voelen omdat ze hun toch al geringe aantal vierkante meters liever voor de verkoop bestemmen.”

Nog even ophouden dus.