Monthly Archives: May 2016

Liefde voor een tunnel

Er waart een virus door Rotterdam, al bijna 75 jaar lang: het Maastunnelvirus. Alle Rotterdammers houden van hun tunnel, zelfs nu die twee jaar op slot moet vanwege renovatie. Wat is toch het geheim van die liefde tussen volk en oeververbinding?

De Maastunnel is een oude dame: bijna 75 lentes nu. Enigszins vermoeid oogt ze en craquelé. Toch schitteren haar ventilatiegebouwen nog altijd door schoonheid. Nooit werden schoorstenen, want dat zijn het grotendeels, zo elegant verpakt in een art deco-ontwerp. Met wanden van witgepleisterd beton en bruin geglazuurde tegels. En op het dak een koperen koepel. Het zijn bovengrondse tekenen van ondergronds geraas.

Elke dag flitsen 60.000 auto’s van noord naar zuid en vice versa. Het wegdek is hier en daar versleten, of aangetast door vocht en strooizout. Sinds begin dit jaar wordt er bijna ieder weekend aan de tunnel gewerkt, ter voorbereiding op de grote renovatie van de rijvloer die volgende zomer aanvangt en twee jaar gaat duren. Bij de uitgangen komen vanaf dan ventilatoren om verstikking bij brandschade in de tunnel te voorkomen. Dat moet van de nieuwe tunnelwetgeving.

Twee jaar geleden al trok Hei n Pierhagen, manager bereikbaarheid van de gemeente Rotterdam, de wijken in om burgers en ondernemers te informeren. Van Katendrecht ging het naar Charlois en Feijenoord, en van het Scheepvaartkwartier naar Delfshaven. En telkens was de boodschap: als de ene tunnelbuis wordt gerenoveerd, blijft de andere open. Maar van noord naar zuid kan tot de zomer van 2019 niet meer. Wel van zuid naar noord. De ‘zuiderlingen’ moeten het Erasmus MC altijd kunnen bereiken.

Neem straks de Benelux of de Van Brienenoord, adviseerde Pierhagen. Of beter nog, ga met de fiets, de metro, bus of watertaxi. Hij ondervond weinig weerstand. De Rotterdammers snappen dat het moet gebeuren. Er is een heel verkeersplan gemaakt, waarvoor de gemeente haar oor te luister legde bij onder andere de taxibranche. Chauffeurs kennen immers alle knelpunten, weten waar stoplichten (te) lang op rood staan, of wanneer het druk is op de Groene Hilledijk. In de Maastunnel is elke dag anders, weet projectdirecteur Jan-Cees Blok inmiddels. Hij mag van de gemeenteraad 262 miljoen investeren. Daarna kan de tunnel weer een halve eeuw vooruit met alle moderne veiligheidsvoorzieningen.

Een paar honderd man van aannemer TBI gaan straks aan het werk. Met daarnaast versterking van werkzoekenden uit het Nationaal Programma Rotterdam Zuid van Marco Pastors. Instromen als veger, eindigen als timmerman is Pastors droom voor deze werklozen, memoreert Jan-Cees Blok. Via webcams kunnen burgers het karwei nauwgezet volgen. Zo wordt de restauratie iets van de hele stad.

En na afloop, in september 2019, roepen de Rotterdammers ongetwijfeld: Hé, je ziet geen bal van die hele verbouwing. En dat is maar goed ook, vinden historici, want de Maastunnel is een Rijksmonument. In de jaren dertig, samen met de ventilatiegebouwen, ontworpen door Ad van der Steur. Het was de eerste afgezonken verkeerstunnel in Nederland. Bedoeld om de files voor de Willemsbrug en de Koninginnebrug op te lossen. Ja, ook toen al.

Na de oorlog nam het aantal autobezitters en daarmee het verkeer in de tunnel snel toe. 89.000 auto’s per dag in 1965, in mei 1971 telde men er gedurende één etmaal zelfs 100.000. Die 100.000ste bestuurder werd in de watten gelegd met een parkeerwekker. Vele jaren was de Maastunnel niet alleen een lokale verbinding tussen Rotterdam-Zuid en – Noord, bijvoorbeeld voor havenarbeiders, maar ook een belangrijke schakel in het Rijkswegennet. Wie van Den Haag naar Brabant wilde, ging door de Maastunnel.

Na het aanleggen van de ruit rond Rotterdam vanaf de jaren zestig, en daarbij behorende nieuwe oeververbindingen als de Van Brienenoordbrug en de Beneluxtunnel, nam het regionale belang van de Maastunnel af. Vijftig procent van het Maastunnelverkeer is nu lokaal , schat de gemeente. Maar de 75-jarige steekt met 60.000 auto’s per dag nog altijd trots af tegen haar 20-jarige zusje de Erasmusbrug, die dagelijks ‘slechts’ 30.000 auto’s verwerkt.

Waarom willen we zo graag dat de Maastunnel wint, ja waarom zijn we bijna verliefd op haar? Henk van der Maas, voormalig tunnelbeheerder, heeft het ook. Hij schrijft er zelfs een boek over: ‘Onder de tunnel door’. De auteur vertelt dat iedere Rotterdammer herinneringen aan de Maastunnel heeft: de één ontmoette in het voetgangersgedeelte zijn eerste meisje, de ander had een oom die aan de tunnel bouwde en een de derde liep er mee in een staking. De tunnel is verweven met de geschiedenis van de stad. Dáár komt die liefde vandaan.

Zelf denkt Van der Maas terug aan de autoritjes begin jaren zestig van Apeldoorn naar zijn grootouders in Zeeland. In een zwarte Volkswagen ging het en Henk zat als jongetje achterin. De magie van dat uitgestrekte tracé, dat heel langzaam naar het Beloofde Land leidde: eerst twee kleine tunneltjes aan de Henegouwerlaan, vervolgens twee bij de ’s-Gravendijkwal en tot slot weer twee bij het Droogleever Fortuynplein. Wanneer komt de Grote?, riep Henk opgewonden. De Grote komt zo, kalmeerde vader. En daar was hij dan eindelijk: de Grote, de Maastunnel.

Inderdaad een hij, volgens Van Dale, maar Van der Maas ziet ‘zijn’ tunnel bij voorkeur als een zij. De tunnel is een vrouw die hij wil respecteren. Voor wie hij jarenlang werkte als beheerder, en over wie hij nu zijn boek schrijft. Maar die hij vooral waardeert vanwege haar rol tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bijvoorbeeld toen verzetsmensen het dynamiet weghaalden dat de Duitsers na Dolle Dinsdag (september 1944) in de tunnel plaatsten. Of toen in de ventilatiekokers anoniem het ‘Oranje Boven’ verscheen. Met krijt aangebracht, en nooit door de Duitsers opgemerkt.

Van der Maas staat niet alleen in zijn adoratie. In het ventilatiegebouw in Zuid is op een bronzen plaquette de tunnel-ode van de Rotterdamse dichter Jan Prins te lezen: /‘Een lichtbaan die den nacht doorschrijdt/ een pad door stilte en eenzaamheid/lever ik leven’s schatten uit: Van Zuid aan Noord, van Noord aan Zuid.’/

We betreden een ruimte met 16 ventilatoren. Vroeger bliezen die dag en nacht met als doel het koolmonoxidegehalte in de tunnel binnen de norm te houden. Nu is dat niet meer nodig, want de auto’s zijn veel schoner. We gaan de machinekamer in, en ruiken smeerolie. Wat we hier onder zien ronddraaien, wordt boven roltrap. Tot in de jaren zestig stonden die trappen bomvol fietsers en bromfietsers. Broodtrommeltje achterop. Politie te paard leidde de massa’s in goede banen. Tot 1968, toen de metro kwam. Vanaf dat moment was het meteen afgelopen met de drukte, zegt Van der Maas.

We zijn inmiddels aangekomen bij de hevelleiding. In 1943 geplaatst door A.C. Vreugdenhil, de eerste tunnelbeheerder. De Duitsers wilden de pas geopende tunnel opblazen in het geval van een geallieerde invasie, maar Vreugdenhil stelde voor het tracé via een hevelleiding onder water te laten lopen. Dat was uit liefde voor de tunnel, weet Van der Maas zeker. Zoals Vreugdenhil ook met liefde noteerde dat niet de Duitsers de tunnel inwijdden, maar drie Charloisse jongetjes, die er die 14de februari 1942 toevallig rondhingen. Terwijl in Noord de Duitsers stonden te wachten op toegang, zette Vreugdenhil in Zuid de deuren vast open. En hup daar dansten ‘drie Charloisse belhamels met kapotte schoenen en gescheurde kleren de roltrap op’, schrijft Vreugdenhil voldaan in zijn boek ‘De Maastunnel’(1950).

Over de identiteit van die jongetjes is veel gespeculeerd, maar Van der Maas houdt het op Wim Wildeman, Arie Nuijs en Maarten Euser. De eerste twee zijn recent overleden, maar de derde leeft nog en woont in Bussum. 84 is de schilderszoon nu, en hij herinnert zich hoe hij het ouderlijk huis aan de Habsburgstraat maar hoefde uit te lopen of hij was op het bouwterrein van de Maastunnel, tussen de ijzervlechters, vervoerders, timmermannen en opzichters. Samen met zijn vriendjes uit de straat, Wim en Arie, speelde hij daar dagelijks. Dat ‘moest’ ook wel, want in de statuten van hun geheime club ‘De Drie Zwervers’ stond dat ‘de omgeving verkennen’ hoofddoel was, naast ‘opkomen voor mens en dier’, en ‘goede daden verrichten’.

Op 14 februari 1942, een koude dag, weet Euser nog, zag het drietal dat de deuren van het ventilatiegebouw open stonden. Mogen we even kijken, vroegen ze de tunnelwachter. Dat mocht. Een roltrap hadden ze nog nooit gezien. Een betoverende ervaring. En lopen onder water, dat was helemáál onbevattelijk. In twintig minuten holden ze heen en terug. De Drie Zwervers hadden de Maastunnel ‘officieel geopend’.

Een verhaal dat veel meer is dan een aardige anekdote, vindt Van der Maas. Het is in zijn ogen een mythisch duidingsrelaas over oorlog, tunnel en verzet. Want, meent de auteur, het openzetten van die deuren was een zachte vorm van sabotage, evenals het monteren van die hevelleiding en later het onklaar maken van het dynamiet. En zo is de Maastunnel aan de vooravond van een ingrijpende restauratie niet alleen de Grande Dame van Rotterdam en Rijksmonument, maar ook een beetje een gedenkteken van verzet geworden.

www.rotterdam.nl/maastunnel

Daar was-ie dan, de zon

20160506_132423Zomer in de stad. De eerste tekenen: een buurvrouw die een plant verpot, lange rijen voor diergaarde Blijdorp, een verkeersregelaar die het zoo-bezoek in goede banen leidt. En op de Essenburgsingel een dolende toerist, die een zojuist gekochte fles tevoorschijn haalt. “Is this water?” “No, sir, it’s vinegar.”

Een zingende merel. Weerkaatsend zonlicht in de gevel van het Centraal Station. Het belendende terras van Lebkov & Sons stroomt vol met dorstige zielen. Het is twaalf uur ‘s middags. Bij grandcafé Engels komt de drukte langzaam op gang. De barman vertelt dat een zomerse dag drie spitsuren kent. Om elf uur wanneer de dagjesmensen arriveren , om één uur tijdens de lunch, en om vier uur wanneer de dagjesmensen vlak voor de thuisreis nog even een slokje komen halen.

Op het terras houdt een vakbroeder een interview. De opdruk op zijn linnen tas verraadt voor wie: De Correspondent. Als hij klaar is, schuiven we aan. Het is Jelmer Mommers, correspondent klimaat & energie. Hij legt uit dat hij erachter probeert te komen wat Shell doet tegen klimaatverandering. En of Shell-medewerkers daar tevreden over zijn. De interviews geschieden anoniem, de methode Joris Luyendijk.

Komt het door de klimaatverandering dat het begin mei al zo warm is? De 28-jarige verslaggever waarschuwt dat we weer en klimaat niet door elkaar moeten halen. Niettemin kan zo’n zonnige voorjaarsdag ons in al haar loomheid en gemoedelijkheid makkelijk doen vergeten dat kilmaatverandering actie behoeft. In Nederland doen we vrij weinig, meent Mommers. Maar daarmee leven we wel op de pof, en de arme landen betalen het gelag.

Van Engels naar de VVV, waar bezoekers zich verdringen voor het loket. De man voor ons blijkt een Fransman. Hij vraagt de VVV-dame wat er vandaag te doen is in de stad. “U kunt naar een museum gaan”, suggereert ze. “Neenee”, schudt de Fransman. “Een haventourtje dan?” Dat lijkt geschikter met dit warme weer. De vrouw zet op een vel papier een turfje bij de categorie Frans. Belgen en Duitsers doen het ook goed vandaag.

De Franse toerist heet Jerome Jacqmin. Hij is 46, woont in Parijs en bezoekt dit weekend de Rotterdamse Architectuur Biënnale. Zijn laatste project is de renovatie van de nieuwe woonstee van Pierre Fraidenraich, directeur van de linkse krant Libération. Het is een pand van begin twintigste eeuw, vlakbij de Arc de Triomphe.

De architect stelt voor samen te gaan lunchen in de Markthal. En route verkiest hij de zonnige zijde van het Weena. Hij legt uit dat hij een kind is van de zon, geboren in Guadeloupe, waar zijn vader actief was in het Vreemdelingenlegioen. De kubuswoningen van Blom tegenover de Markthal vindt hij niet mooi. Bij architectuur gaat het niet om wat je ziet, maar om wat je ervaart,  denkt Jacqmin. En bij die kubussen ervaart hij niets.

In de Markthal bestellen we een visje en een Franse sauvignon blanc. Bouwkunst lijkt in zekere zin op de zon, filosofeert Jacqmin: eerst komt het gevoel, dan pas het zien. Hij heft het glas: “Ik geloof in de zon. Santé.”

Het geluk ligt in het nu

20160503_171918

Met spoed actrice gezocht, luidt de oproep op internet. Intrigerend. Zou de actrice op tijd zijn gevonden, en zo ja voor welke rol? Meteen maar even bellen. Aan de andere kant van de lijn meldt zich Bas. Hij vertelt dat hij een korte fictiefilm maakt over een man die vastzit in de sleur, en voor wie vakantie het enige lichtpuntje is. “Voor die rol hebben we iemand gevonden, maar we zoeken nog een vrouwelijke collega.”

Niettemin gaan de opnamen die middag gewoon door, en Trouw is van harte welkom. De studio bevindt zich in een studentenhuis in Breda. Voor de deur staan vier fietsen. ‘Kloppen, bel kapot’, zegt een briefje op de deur. Bas doet open en vraagt vriendelijk of we thee willen. Op het aanrecht staat een verzameling lege bierflesjes, in de woonkamer een kunstkerstboom. Dat we een uur te laat zijn, maakt hier niets uit, dat voelen we direct.

Bas (19) studeert media en entertainmentmanagement in de Baroniestad, en heeft een eigen productiedrijf: Photon Media. Zijn filmpje is bestemd voor Røde Reel, een internationaal festival voor korte films .

De opnames vinden plaats in de slaapkamer, waar Bas’vrienden Tjeu, Bram en Ray druk bezig zijn met het installeren van de apparatuur. “De acteur komt zo, die is nog even een bout halen”, legt Bas uit. Die bout is bestemd voor de slider, zo leren we, een glijdende camera.

Tijd om een blik te werpen op het script, geschreven door Bas en Bram. ‘De lange zomer’ heet het: Mark heeft een vakantieliefje ontmoet, over wie hij nog vaak ligt te dromen. Daardoor ziet hij zijn collega Nienke over het hoofd, terwijl zij veel interesse voor hem toont.

In zijn eenvoud een script van grote schoonheid. En zo waar. Boeddha leerde het al: het geluk ligt in het nu. “Wat voor stukje wordt het?”, vragen de jongens. Een oprecht lovend stukje, besluit ik. Omdat het thema wezenlijk en universeel is. En vanwege het vertrouwen dat de crew deze wildvreemde verslaggever geeft. Die openheid en kwetsbaarheid zijn ontroerend.

Daar komt Corneel, de acteur. Met de bout. Het feest kan beginnen. “Scène vier, take one”, roept Bas. De acteur ligt in bed en wordt gewekt door de klokradio. Chagrijnig slaat hij het ding uit. Vakantie voorbij, bah werken. Dan kijkt hij op zijn mobieltje en krult een glimlach rond zijn lippen. Schrijver dezes weet uit het script waar die vreugde vandaan komt, maar met de crew is afgesproken dat niet te vermelden, anders verraden we de plot, en dat willen we natuurlijk niet. “Kun je wat meer indraaien als je de telefoon pakt?”, vraagt Bram. “Voor de rest prima.” Of nee, toch niet. Corneel heeft zijn trouwring om gehouden. Shit, alles moet over.

De opnames met de actrice worden noodgedwongen opgeschoven. Dus toch gevonden, die actrice? “Nou ja, dat zit zo”, vertelt Bas, “d’r was een meisje op die advertentie afgekomen, maar zij heeft afgezegd. Nu is het mijn huisgenote geworden. Zij speelt het vakantieliefje.” “Maar”, vult hij aan, “we hebben nog steeds iemand nodig voor de rol van Nienke.” Dus, actrices in spe, grijp je kans: bas.berendse@ziggo.nl.

Een heel fijn vertelgesprek

Persvrijheid is niet alleen een recht dat overheden schenken aan de media. Het is ook iets wat geïnterviewden moeten gunnen aan de journalist. Soms is het een gevecht, zoals het het uiterst moeizame tv-interview in april 1983 van Adriaan van Dis met Willem Frederik Hermans. Gisteren moest ik eraan terugdenken tijdens de Internationale Dag van de Persvrijheid.

Het onderwerp was de Apartheid in Zuid-Afrika, waarover Hermans in lezingen en kranteninterviews omstreden uitspraken zou hebben gedaan. Het werd een verhitte discussie. Zozeer zelfs dat Hermans dreigde op te stappen als Van Dis zijn mond niet hield. “Maar dit is een vraaggesprek, mijnheer Hermans”, bracht Van Dis wanhopig uit. “Nee, mijnheer Van Dis, het is een vertelgesprek, en wel van mijn kant”, reageerde de auteur geïrriteerd.

Een nieuw woord was geboren: vertelgesprek. Zelf heb ik ook eens zo ’n ‘vertelgesprek’ mogen meemaken. Het was met de actrice Hetty Blok. Ze zou eind jaren negentig op de planken terugkeren als Zuster Klivia met liedjes uit de legendarische Annie M.G. Schmidt-komedie ‘Ja zuster, nee zuster’. Leuk voor een interview, vond het Algemeen Dagblad. Vol goede moed toog ik naar de Watteaustraat in Amsterdam, waar Hetty Blok bruisend van enthousiasme terugblikte op haar artistieke carrière.

Ondanks haar 77 jaar was ze bijzonder levendig. Ze wipte van de bank naar de parketvloer en weer terug naar de bank. Zodoende kreeg de verslaggever vanuit verschillende perspectieven haar verhaal te horen, dat op luide toon werd voorgedragen. “Zit er toch niet de hele tijd zo tussendoor te praten!”, riep de actrice als ik stamelend en zwetend een vraag eruit perste. Het begon verdraaid veel op een vertelgesprek te lijken.

Niettemin was ik onder de indruk van haar relaas. Haar liefde voor het oeuvre van Annie M.G. Schmidt, die in kinderverzen en musicals verkapte maatschappijkritiek stopte (‘die oude ottertjes zijn natuurlijk een metafoor voor vervolgde joden en asielzoekers’) en haar verknochtheid aan het literaire cabaret uit de jaren zestig, waarbij Heinrich Heine een van Bloks inspiratiebronnen was. En niet te vergeten haar geestige en vileine uitspraken: “Het zal wel aan mijn gebrek aan opmerkzaamheid te wijten zijn dat de schoonheid van Marco Borsato’s liederen nog niet zo tot mij is doorgedrongen.”

Terug op de redactie tikte ik een mooi stuk, dacht ik, waarin als plaagstootje was opgenomen: “De rol van de verslaggever lijkt beperkt tot knikken en zeggen: ‘Ja zuster, nee zuster’.“ Verhaal op de fax, en wachten op reactie. Die volgde een paar dagen later. “We beginnen bij zin één”, sprak Blok beslist.

Na het vertelgesprek aan de Watteaustraat dreigde nu een vertelgesprek per telefoon. Ik schraapte al mijn moed bij elkaar en bereikte met Blok een moeizaam compromis, waarin de tekst er niet slechter op werd en ik me niet in mijn persvrijheid voelde aangetast. Het leuke was dat de passage over de verslaggever die alleen maar ‘ja zuster, nee zuster’ mocht zeggen ongehavend bleef . Dat ze uitgerekend díe uitspraak liet staan, kijk dat vond ik toch wel heel fideel van Zuster Klivia.

Avondmaal met één lege stoel

20160502_130215

Enkele uren alvorens hij gaat repeteren voor een nieuw toneelspel, drinkt Paul Röttger zijn ochtendkoffie in het Westerpaviljoen. Hij vertelt dat het stuk zal gaan over mensen zonder dak boven het hoofd. Zoals er zovelen zijn in Rotterdam: vluchtelingen, verslaafden, zwervers. Of mensen die niet kunnen zijn wíe ze zijn. En net zoals vorige keren is het een samenwerking tussen acteurs met en zonder (verstandelijke) beperking. Inclusief toneel heet dat. “Kom je kijken?”, vraagt Röttger.

De eerste repetitie, en dan al pottenkijkers. Welke regisseur durft dat aan? Het is het broze dat ontroert in die vraag. En niet alleen in die vraag. Ook in Röttgers producties. Telkens draait het om het breekbare in de grote stad. Om de verbinding tussen homo’s en hetero’s bijvoorbeeld (‘Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen’, 2012) of tussen psychiatrische cliënten en ‘normalen’(‘Wie is er nou gek?’, 2013). Röttger verwierf landelijke bewondering en lovende recensies.

In het Rotterdams Centrum voor Theater zitten deze middag zo’n twintig acteurs in een kring. Wie zien zij voor zich? Een regisseur van klein postuur, met levendige blauwe ogen en sprekende gebaren. Een man met een lange acteer-ervaring: ‘Tartuffe’ bij het RO Theater, ‘Jeanne d’Arc’in het vrije circuit, en ‘Wachten op Godot’ bij het Nationale Toneel. Iemand die met je praat alsof jij er alleen voor hem bent. “Hoe gaat het met je?”, vraagt hij aan Nina. “Wat wil je met me delen?” aan Diana. “Heb je een verslaving?”aan Paulus.

“We moeten elkaar een beetje leren kennen”, legt Röttger (62) uit, “want je kunt niet toneelspelen zonder je eigen en elkaars levens erin mee te nemen.”

De spelers posteren zich tegen de wanden van de repetitieruimte. In het midden staan de lege stoelen. Drie worden er weggehaald zodat de acteurs moeten vechten om een plekje. Door de zaal klinkt de ‘Misa Criolla’: ‘Senor ten piedad de nosotros’. Terwijl ‘de Heer zich over ons ontfermt’ zien we ruzies en gevechten. Sommige spelers kleden zich uit om de kwetsbare naaktheid van de ontheemde uit te beelden. Anderen slepen elkaar naar een veilige, warme plaats.

Tussen de stoelen bevindt zich een denkbeeldige, lange tafel. Straks, bij de première op 20 oktober, staat er een echte. Waaraan iedereen mag aanzitten, zowel spelers als publiek. ‘Het Avondmaal’ heet Röttgers nieuwste schepping, vrij naar Leonardo da Vinci’s ‘Laatste Avondmaal’, met dit verschil dat bij Röttger de centrale zetel onbezet blijft. “Ik vind dat die stoel niet voor één iemand is, maar voor ons allemaal”, zegt Röttger, “daarom blijft ‘ie leeg.”

De regisseur vindt dat we elkaar te weinig tegenkomen in de stad: de witte en de gekleurde, de nuchtere en de verslaafde, de christen en de moslim. Alles wat ‘afwijkt’, woont apart. Jammer, meent Röttger, want we zouden een veel beter en mooier bestaan hebben als we het sámen beleefden. Hij heeft Harry Kuitert gelezen, de vrijzinnig-protestantse theoloog. En raakte geroerd door diens omschrijving van het menselijk lot: voor een tijd een plaats van God. “Als ik in één zin moet samenvatten waarover ‘Het Avondmaal’ gaat, dan dáárover.”