Monthly Archives: April 2016

Digi-diarree krijg je ervan

Digitalisering handig? In tegendeel. Minstens één keer per week heb ik digi-diarree.

Plons, zegt mijn mobieltje op Nieuwjaarsmorgen. Hij tuimelt, bij het opnemen, pardoes in het glas water naast mijn bed. En lijkt subiet overleden. “Geen probleem”, roept vriendin R. bij wie ik Oudjaar heb gevierd. “Je legt hem gewoon in een mandje rijst. Dan droogt de batterij, en daarna doet hij het weer.”

Thuisgekomen fabriceer ik een rijstkorrelbed. Gezellig in de eeuwige rijstvelden, in de hoop der verrijzenis.

Maar dan. 2 januari, de ING: “Uw overboeking voor uw opstalverzekering is niet gelukt vanwege te weinig saldo.” Vervelend, want die verzekering is op 1 januari ingegaan, en het bedrag had dus al bij Achmea moeten zijn. Even bellen. Gelukkig heb ik mijn vaste lijn nog. “Kunt u 1000 euro overmaken van mijn spaarrekening naar mijn betaalrekening?’’ ”Ja, dat kan”, zegt de ING-beambte. “En van die 1000 euro graag 370 naar Achmea.” “Nee, dat moet u zelf doen.”

Goed, dan maar per computer. Ik groet in het voorbijgaan nog even mijn verzopen batterij (“lig je lekker, jochie?”) en begin aan de overboeking. “De tancode wordt naar uw mobiele telefoon gestuurd”, zegt de computer. Koortsachtig sleutel ik m’n smartphone in elkaar. Nog steeds zo dood als een pier. Geen tancode, dus geen overboeking. Een gevoel van wanhoop maakt zich van mij meester: die volledige afhankelijkheid van digitale duivels!

Naar de bank dan maar? Maar die is dicht, het is zaterdagavond. Wat nu? Papieren overschrijvingskaarten heb ik niet meer. Wachten tot maandag? Paniek siddert door mijn lijf. Het zal toch niet zo zijn dat uitgerekend dit weekend m’n huis in de fik gaat . Onverzekerd. En dat allemaal door zo’n natte smart!

Maandagochtend, een spurt naar de bank. “Een spoedbetaling, graag!”, hijg ik. “Natuurlijk, dat kan”, zegt de baliedame doodkalm, “kost wel acht euro extra.” Straks toch maar een nieuw mobieltje kopen, bedenk ik gejaagd, want morgen met vriend K. op vakantie naar Spanje. Je hebt verdorie niet eens meer tijd om rustig een rijstkorrelziekbed af te wachten!

In het digitale tijdperk is de eenvoudigste handeling een drama geworden. Onlangs drie uur bezig geweest om me in te schrijven bij de Speakers Academy. Steeds liep ik stuk op de digitale handtekening. Account aanmaken, wachtwoord verzinnen. Wachtwoord werkt niet, geen handtekening.

Wachtwoorden! Mijn DigiD-code heb ik om gezondheidsredenen uitbesteed aan mijn boekhouder. De andere wachtwoorden verzamel ik voorin een roman in mijn boekenkast (kan ik nu dus meteen veranderen wegens inbrekersrisico). Pas moest ik het wachtwoord hebben van mijn Vodafone-rekening. Boek zoek. Hartkloppingen. Gestolen? Mijn hemel, dan kan de dief in al mijn accounts! O, wacht, vriend R. zat er pas in te bladeren. Misschien op een andere plank teruggezet? Zoeken, zoeken, zoeken. Ah, daar is het! Wachtwoord Vodafone, het lijkt de Da Vinci Code wel, zo lang. Tikken, tikken, tikken. Wachtwoord werkt niet. Zie ik de ‘o’ aan voor een nul? En is dat daar een &#$ of een &@$? Een ijselijke kreet ontsnapt aan mijn keel: @#$%^&**!!! Mijn Vodafone-factuur krijg ik inmiddels weer ouderwets per post. Die 2,80 euro extra heb ik er graag voor over. Ben ik meteen af van dat storende ge-sms op zondagmiddag: Uw telefoonrekening staat online. Ja, wat kan mij dat schelen, ik ben met vrienden aan het biljarten.

Het digitale tijdperk vereist van de burger bovennatuurlijke perfectie: wachtwoorden netjes bewaren en ontcijferen, steeds nóg onmogelijker varianten verzinnen wegens phishing, op tijd printinkt aanschaffen of verstrikt raken in tot radeloosheid stemmende voorkeuzemenus.

Vorige maand moest ik een ellenlang digitaal ING-formulier invullen voor de overdracht van het Nipkow-secretariaat. Dat ging per vel. Ik belde de bank. “Kijk, ik wil het best doen, maar kan ik het formulier tóch per post krijgen, zodat ik in elk geval een totaaloverzicht heb over de gegevens die u van mij en mijn opvolgers verlangt?”Het antwoord luidde: “Nee, dat kan niet, u moet maar bij elk vel uw opvolgers bellen.”

Maar goed, de vakantie. De ochtend van vertrek speelt zich een nieuw digitaal inferno af. Ik probeer een verzekering af te sluiten voor verlaging van het eigen risico op onze huurauto. Helaas, eeuwig blijft het cirkeltje met de balletjes voor mijn ogen ronddraaien: overschrijving in voorbereiding. Woedend schop ik het rijstkorrelbed door mijn werkkamer. Smerige, gruwelijke, digitalisering! Ik mis straks nog mijn vliegtuig!

“Kunt u niet gewoon een andere server gebruiken?”, spreekt een Vlaamse dame van huurautoverzekering.com me kalmerend toe. Hè, wat een praktisch idee toch. Via Google Chrome lukt het. En nu gauw naar Andalusië. Daar aangekomen probeer ik vriend V. te bellen in Nederland. Lekker met mijn nieuwe smartphone. “U bevindt zich buiten het bereik van een netwerk”, meldt het apparaat. “Ik zal je verzuipen, kreng!”, sis ik. “Ik zal je in het diepste der wateren onderdompelen, tot je blauw ziet.”

Terug in Nederland spoed ik mij naar de telefoondokter. Hij friemelt wat met het scherm en zegt: “Nu moet ‘ie het doen.”Niet dus, zo blijkt de zondag er op als ik ga ik eten bij mijn vriend L. “M’n deurbel weigert dienst”, spreekt hij in op mijn vaste nummer , “dus neem vanavond je mobieltje mee.” Als ik bij L. op de stoep sta, toets ik zijn telefoonnummer in: “U bevindt zich buiten het bereik van een netwerk.”

Het klamme zweet breekt mij uit. Ik vraag een voorbijgangster of ik haar smartphone mag lenen. Ze kijkt me wantrouwend aan, en loopt door. Dan maar aanbellen bij de buren. ”Kunt u op de overloop alstublieft even aankloppen op de deur van mijn vriend ?”, kreun ik. Even later trekt L de buitendeur open. Ouderwetse burenhulp werkt een stuk beter dan digitalisering!

Een paar dagen later blijkt dat de eerste overboeking naar huurautoverzekering.com toch is gelukt. Dankzij de digitalisering dus 65 euro te veel betaald. Tot twee keer toe stuur ik een mail naar de verzekeraar, maar die houdt zich van de domme.

Ik zijg ter aarde, hef mijn handen ten hemel en prevel: “Lieve Ziggo, Vodafone, Samsung en ING. Verlos mij van mijn digi-diarree. En geef mij mijn bakelieten telefoon terug. Mijn overschrijvingskaarten en mijn enveloppes. Dank u.”

Het wordt nog veel erger

“Een zeer herkenbaar verhaal”, zegt Liesbeth Hop over het digi-drama elders op deze pagina. Volgens de directeur en docent van de Nationale Academie voor Media en Maatschappij lijdt een toenemend aantal mensen aan digitale stress. En niet alleen ouderen. “Met onze groeiende mobiliteit is de afhankelijkheid van de smartphone voor iedereen enorm groot geworden. Is het apparaatje zoek of kapot, dan raken we in de stress. We kunnen ‘niets’ meer: niet meer bellen en niet meer bankieren. Voor jongeren dreigt daarnaast nog: buiten de groep vallen doordat de sociale media niet meer bereikbaar zijn.”

Op haar academie heeft Hop bijna dagelijks te maken met mensen die boos of gefrustreerd zijn over haperende digitalisering. Of mensen die, de wanhoop nabij, om oplossingen vragen. “Die afhankelijkheid zorgt ervoor dat er geen tijd meer is om een kapotte smartphone te laten opsturen voor reparatie. Mensen eisen ter plekke herstel. Anders gaan we de winkel niet uit, dreigen ze. Repareren terwijl u wacht, is de nieuwe dienstverlening.”

Een weg terug is er niet meer, denkt Hop. “De afhankelijkheid zal alleen maar groter worden. De digitalisering gaat ons zelfs letterlijk overnemen. Binnen een paar jaar zullen we chips laten implanteren, waardoor we via ons eigen lichaam online zijn. Onze handen zijn dan het toetsenbord.”

En dat alles zonder enige reflectie of maatschappelijke discussie, meent Hop. “De smartphone-revolutie heeft zich in drie jaar tijd voltrokken. We zijn er gewoon ingestapt, zonder enig besef van de gevolgen. Wat digitalisering betreft zijn we een collectief puberende maatschappij geworden.”

Wat de gevolgen kunnen zijn van digi-stress blijkt volgens Hop uit Amerikaanse studies. “Mensen kunnen er ronduit psychotisch van worden. Niet meer tot enig functioneren in staat.”

Wandelen met de Middellandman

De toekomst is niet aan de staat, maar aan de stad. In de stadswijken zullen democratie en economie gedijen, voorspelt Nico Haasbroek. Als Middellandman probeert hij zijn eigen buurt in honderd dagen voor te bereiden op die nieuwe toekomst. “De Graaf Florisstraat wil nu al van alles zelf gaan doen.”

Nico Haasbroek praat met iedereen in Middelland. Met de coffeeshophouder en de pastoor, de kapper en de vluchteling, de leraar en de wijkagent. Nico Haasbroek is de Middellandman, een antropoloog op buurtniveau.

Over zijn veldonderzoek blogt hij op internet (www.nicohaasbroek.nl), en hij praat erover in zelf geïnitieerde lokale talkshows en -tv-programma’s. Zijn doel: in honderd dagen de wijk leren kennen en daarna aan de slag met verbeteringen. Zoals: een gevarieerder winkel- en horecabestand, gezelliger pleinen, meer werkgelegenheid, meer vertier voor jongeren. Ofwel, Middelland als proeftuin voor buurteconomie en lokale democratie.

Het idee kwam tot hem in een droom. Haasbroek, oud-hoofdredacteur van het NOS Journaal, zag i n zijn slaap Eritrese vluchtelingen, verdrinkend op de Middellandse Zee. Waarom nemen wij die mensen niet op in onze wijk, dacht hij bij het ontwaken. De wereld is immers hier? Think global, act local , zoemde door zijn hoofd. Was dat niet wat de Canadese filosoof Marshall McLuhan begin jaren zestig had bedoeld met zijn concept van the global village?

Haasbroek (72) zit aan de keukentafel in zijn monumentale pand aan de Mathenesserlaan. Hij vertelt dat hij nooit aan ‘Den Haag’ denkt, wanneer hij door zijn bontgekleurde wijk wandelt (tweederde allochtoon) . Het gaat om de wereld en de stad. Er is geen tussenlaag. Een denken dat internationaal is en wordt weerspiegeld in onder meer VPRO’s ‘Tegenlicht’: Denen die op Somsø hun eigen energie opwekken of Grieken in Thessaloniki die failliete fabrieken overnemen. De stadsstaat in plaats van de natiestaat.

Haasbroek vond in burgemeester Aboutaleb een geestverwant. Keer de bestuurlijke piramide om, bepleitte Aboutaleb afgelopen september in zijn H.j. Schoo-lezing: het Rijk onderaan, de gemeenten bovenaan. ,,En laat burgers mede bepalen wat in hun wijk prioriteit heeft, en wie wat doet.” Het begrip co-creatie was geboren. En daarmee de Middellandman. Haasbroeks initiatief past naadloos in een omgeving waarin het burgerinitiatief al langer rijkelijk bloeit, zoals De woonkamer van de Burgemeester (buurthuis aan de Burgemeester Meineszlaan) en De Spoortuin, een groentetuin aan de Essenburgsingel.

De Middellandman is gekleed in een trainingspak, ‘zoals iedereen in deze buurt ‘. Om zijn nek bungelt een geplastificeerd kaartje met zijn functie. “Als ik me voorstel als Nico Haasbroek, vinden ze het eng, maar bij Middellandman denken buurtbewoners aan fictie – wat het natuurlijk niet is – , en voelen ze zich vrij. Zelf observeer ik anders als Middellandman dan als Haasbroek. Hoe kijken de mensen uit hun ogen ? Wat hangt er voor hun ramen. Zijn er incidenten?”

Maar eerst serveert Haasbroek koffie met gebak. ,, Ik ga in mijn bestuurlijke visie verder dan Aboutaleb. Want in feite draait het niet om de stad, maar om de buurt. De gemeente Rotterdam heeft steeds minder geld: geen grondpolitiek meer – de stad is volgebouwd – en vroegere inkomstenbronnen als GEB zijn geprivatiseerd. Buurten zullen in toenemende hun eigen broek moeten ophouden. In onze wijk gaat de Graaf Florisstraat het verst. De bewoners willen zelf aan het buurthuis gaan bijdragen. Ze wachten niet meer op subsidie.”

Middelland is volgens Haasbroek een ideale buurt voor co-creatie, omdat er niet alleen armen maar ook middenklassers en rijkeren wonen. ,, Als je iets wilt veranderen heb je burgerkracht nodig, dus een goede mix van die drie groepen. Dat potentieel hebben we te danken aan architect G.J. de Jongh die deze wijk in 1887 ontwierp voor gemêleerde inkomens. Een revolutionair en visionair plan in die periode.”

Ten tijde van het interview is Haasbroek aan zijn tachtigste dag bezig als Middellandman, verspreid over zeven maanden. Een blauwdruk voor de toekomst ligt er nog niet, maar er zijn wel al vele werkgroepen waarin burgers, ondernemers en ambtenaren samen co-creatieve eieren uitbroeden.  Een weerslag daarvan is te lezen in de brochure ‘Mooi, mooier, Middelland’. Zo is er een werkgroep ‘sociaal’ voor de jeugd, eentje voor leefbaarheid en een andere die van de Middellandstraat een stagestraat wil maken. En er is sinds kort een wijkkrant: de Middellandpost. De gemeente heeft voor het experiment Middelland een budget toegezegd van negen miljoen voor de komende drie jaar.

Haasbroek, enthousiast: ,,Ik word zo gelukkig van dit project. Mensen hebben elkaar leren kennen, zijn vrienden geworden. Het bruist hier van de ideeën en activiteiten. ”

Alles goed en wel, maar werden op Paaszondag in de directe omgeving niet vier terreurverdachten opgepakt? Haasbroek: ,,Dat was in Bospolder-Tussendijken en het Nieuwe Westen, niet in Middelland. En ja, ik wist dat daar potentiële terroristen woonden. Een buurtbewoner vroeg mij: moet je dan niet naar de politie? Ik zei: Ja, tenzij die je bron is. Los daarvan vind ik dat je aan terrorisme niet te veel aandacht moet besteden. Dan groeit het alleen maar. De Middellanders maken zich er weinig zorgen over, omdat dit geen probleemwijk is.”

Tijd voor een rondje door de buurt. ,,We gaan naar het geografische centrum”, stelt de Middellandman voor. Reeds op de drempel van zijn woning klinken de eerste observaties. ,,Kijk daar”, wijst Haasbroek naar de restanten van een omgewaaide boom. ,,De gemeente heeft de stam in stukken gezaagd en naar de shredder gebracht. Waarom? Doe met dat hout iets voor de buurt, zou ik zeggen. Bijvoorbeeld: tafeltjes maken voor publieke ruimtes.”

,,En daar”, gebaart hij naar een bordje op het hondenuitlaat-veld. ,,Honden mogen daar poepen. Akkoord. Maar die bordjes zijn zo ongeveer het enige wat de wijkbewoners terugkrijgen voor hun hondenbelasting. Waarom mag de wijk dat geld niet zelf houden en naar eigen goeddunken besteden?”

Wijken moeten lokale democratieën worden, met een eigen economie, zegt Haasbroek, geïnspireerd door zijn held David van Reybrouck. De Belgische cultuurhistoricus schreef in 2013 ‘Tegen verkiezingen’, een boek over het ‘democratisch vermoeidheidssyndroom’: steeds minder stemmers en leden van politieke partijen, en beleid voornamelijk afgestemd op de volgende verkiezingen. Het bureaucratisch systeem loopt muurvast.

Haasbroek: “Van Reybrouck is een man van de deliberatieve democratie, zoals hij met zijn G1000 heeft bewezen (een burgertop in 2011-‘12 met duizend Belgen over een betere democratie, W.P.). Mijn vertaling naar Middelland is: neem de tijd om elkaar te leren kennen, heb vertrouwen en ga dan aan de slag. En vooral: stel zo weinig mogelijk regels. Van Reybroucks idee van loting vind ik zeer verfrissend. Wijs door middel van loting buurtbewoners aan die gedurende vier jaar mogen zeggen wat er moet gebeuren.”

We zijn inmiddels gearriveerd bij de Porcellisstraat, een armer gedeelte van Middelland. Een geblondeerde vrouw van middelbare leeftijd rookt een sigaret in de deuropening. Als vanzelf begint Haasbroek een gesprek met haar. “Hoe bevalt het u hier?” Er volgt een zee aan klachten. ,,De gemeente geeft heel veel geld uit voor Jan Lul. Hoe vaak hier de straat niet is opengebroken. Eerst voor de riolering, vervolgens voor de KPN en tot slot voor weer andere kabels. Dan de speeltuin: na vijfentwintig jaar wordt er eindelijk weer iets aan gedaan. En het buurthuis. Eerst zijn daar alle activiteiten wegbezuinigd, en nu komen er weer nieuwe. Wie begrijpt het? Had ik het al gehad over de overlast van junkies?” Haasbroek: ,,Wat stemt u?”Zij: ,,Helemaal niets.”

Een overtuigend verhaal dat Haasbroeks gelijk over vastgelopen democratische structuren volledig lijkt te stutten. ,,Die vrouw klaagt terecht. Met een lokale democratie – en dan bedoel ik geen deelgemeentes, want dat waren verlengstukken van de Coolsingel – is zo’n voortdurende opbreking van de straat makkelijk te voorkomen. Een buurtraad met een coördinator kan dat prima regelen. Jammer dat naar zo’n vrouw nauwelijks wordt geluisterd. Ik vind dat je dat juist wel moet doen.”

We lopen over de Middellandstraat, het economische centrum van de buurt. En niet één pinapparaat. Haasbroek: ,,Dat probleem hebben we als ‘quick wins’ op onze lijst gezet: snelle projecten, waar je geen subsidie voor nodig hebt.”

We komen aan bij het Middellandplein. ,,Hier hebben we grote plannen voor. Het is nu niet een echt plein met al die hekken en auto’s. Midden op het plein zou een kiosk moeten komen, waar je kranten en tijdschriften kunt kopen. En daaromheen wat terrasjes. Dat kan nu er rond het plein twee nieuwe restaurants komen. Capri zit daar goed”, wijst hij naar de overkant, ,,van ijs word je vrolijk.”

Tijd voor de lunch. Haasbroek kiest voor Dates, een modern en licht ingericht eethuis aan het Middellandplein. We nemen een biologisch broodje tonijn. Lekker en gezond. Haasbroek: ,,Vroeger zou zo’n Marokkaans eethuis stoffig zijn en vol zitten met theedrinkende mannen. Moet je zien hoe dat is veranderd. Iedereen voelt zich hier nu welkom. Ook dát is integratie.” Van blijdschap doet de Middellandman bij het afrekenen een dansje op ‘I’m coming out’.

Het komt helemaal goed met Middelland, denkt Haasbroek. ,,Ik heb dit soort idealistische journalistiek in het begin van mijn carrièrevaak gedaan, bijvoorbeeld in de jaren zeventig in de Schilderswijk. Met goede resultaten. Ik ben blij dat ik nu, met m’n pensioen, weer terug ben bij het engagement, de actiejournalistiek. Dit keer als vrijwilliger.”

Het eindpunt van de Middellandtour komt in zicht: Claes de Vrieselaan 48b, het door Haasbroek berekende geografische middelpunt van de wijk. We worden hartelijk verwelkomd door Gina Kranendonk, fotograaf en groenspecialist. Groene kuitbroek, grijze trui, klompjes. ,,Dit huis is gebouwd in de romantische negentiende eeuwse stijl”, legt ze uit. ,,De gevel is open naar de stad, de ommuurde tuin een veilige omsluiting van jezelf.” Open naar de stad, veilig voor jezelf, zou dát het toekomstige Middelland zijn?

Elke ochtend blij wakker

20160422_152615

Mijn moeder woont in een verpleeghuis in het zuiden des lands. In de negentiende eeuw werd het oord opgericht door de Zusters van de Liefde, en nog altijd is er veel dat aan die tijd herinnert. De fraaie villa bijvoorbeeld aan de rand van het landgoed, waar de nonnen ooit begonnen. Nog steeds zitten daar nonnen, nu om zelf uit te rusten.

Een statige oprijlaan leidt naar de nieuwbouw, waar mijn moeder woont. Zoals altijd ligt ze aangekleed bovenop haar bed in de huiskamer. Het is er warm. De open haard werkt hier op gloeilampen. Anders dan de radio, die geheel gedigitaliseerd ‘Alle menschen werden Brüder’ uitzendt.

“Mag ik een stukje over je schrijven in Trouw?”, vraag ik. “Ja, doe maar, dat is leuk.” “Hoe gaat het met je?””Ach ja”, zucht ze, “z’n gangetje. Beetje saai hier.” Mijn moeder woont, na een beroerte, sinds een jaar of vijf in het verpleeghuis. Eerst bewoog ze zich voort met een rollater, daarna met een rolstoel. Sinds een halfjaar ligt ze alleen nog maar in bed, en komt niet meer buiten.

Mijn moeder zat graag op het water. Haar vader was kapitein op een coaster. Nu ziet ze alleen nog water als ze naar een natuurfilm kijkt op tv. Toch gaat het best goed met haar, zegt de verzorging. “Ze voelt zich veilig en erkend. Elke ochtend wordt ze blij wakker. Behalve toen ze besefte dat het echt niet meer ging in de rolstoel. Toen heeft ze even gehuild. Dat deed mezelf ook wel wat.”

Ik vertel de verzorgster dat ik het een goed en liefdevol verpleeghuis vind. “Wij denken hier in mensen”, antwoordt ze. “Uw moeder wil bijvoorbeeld altijd keurig worden aangekleed. Nou, dan doen we dat. En de kapster komt aan bed. Uw moeder is een dame, en ze ziet er op haar 91ste nog heel goed uit.”

Met het geheugen is het minder florissant gesteld. Je kan met mijn moeder best een praatje maken, en dan begrijpt ze alles, maar kort daarna is ze het weer vergeten. Ze is nog wel altijd graag onder de mensen. Daarom wil ze niet in haar eigen kamer, maar in de huiskamer liggen. “Dat vindt ze gezellig”, vertelt de verzorgster. “Als er een feestje is, neemt ze een advocaatje met slagroom.”

Ik vind het kranig hoe mijn moeder zich door haar laatste levensjaren slaat. Haar enige ‘uitje’ is de tv-kerkdienst op zondagochtend. Maar ze zwaait naar iedereen die langs haar bed komt, en ze maakt graag een babbeltje. “Ik ben in Oegstgeest geweest, bij het graf van pa”, vertel ik haar. “De steen was helemaal begroeid met struweel, dat heb ik weggeknipt.” “Dat is fijn”, reageert ze. Mijn moeder heeft nooit veel op gehad met kerkhoven.

Ik help haar met d’r jus d’orange. “Ik ben een oud mens aan het worden, 1925.” Ze wil wat rechterop zitten in bed, dan weer wat minder rechtop, en tot slot toch weer wat meer. Zo is mijn moeder, op onverwachte momenten heel precies. Na de jus d’orange nemen we afscheid. “Dag ma.””Dag Willem. Kom maar gauw weer .” En ze zwaait.

Mag ik van u een lift meneer?

foto-bij-mag-ik-van-u-een-lift

Rotterdam is de stad van het Nieuwe Werken. Geen vast bureau meer voor de ambtenaar, maar een flexplek. Of een vlek. Dat zijn directe collega’s die bij elkaar kruipen. Maar daar mogen ook weer flexers bij. Flexen in een vlek dus. Zoiets.

Elke ochtend staan zevenduizend Rotterdamse gemeente-ambtenaren weer voor die moeilijke keuze: waarheen leidt de weg? Naar het stadhuis of de Librijesteeg? Het Timmerhuis of De Rotterdam? En wordt het flexen of vlekken?

Het gerucht gaat dat in De Rotterdam niet alle ambtenaren even gelukkig zijn. Oorzaak: de Slimme Lift. “Vijfentwintig minuten wachten is geen uitzondering”, werd ons de avond tevoren ingefluisterd. We gaan vandaag zonder enige voorkennis een uiterst ingewikkeld liftsysteem inspecteren. “Zal ik iemand voor u regelen?”, brengt de empathische baliebeambte ons op een idee. “Oké, momentje. Koffie?”

In de wachtruimte struint een ambtenaar voorbij die we vaag kennen van vroeger. “Is het waar, dat van die liften?”, vragen we. “Ja”, antwoordt hij beduusd, “ik heb een half uur lunchpauze, maar het kost me ook een half uur om van de dertigste naar de 21ste te gaan.”

Daar komt uit een van de acht liften iemand op ons af. “Ik ben Ria Semil”, zegt ze, “locatiemanager. Mijn taak is om te zorgen voor een optimale werkomgeving.“ Ze pakt haar mobiel en belt een collega. “Ik wil graag dat Marco erbij is.”

Even later schuift Marco (van Dongen) aan en vertelt over het Slimme Lift-systeem. “Je moet aan de v oorzijde van de lift al je keuze maken. Naar welke verdieping je wilt en of je alleen bent of met een groep. De lift bepaalt dan aan de hand van de ‘verzoeken’ de efficiëntste route langs de veertig etages.”

“Maar”, zegt hij, “sommigen gebruiken het systeem verkeerd. Dan drukken ze bijvoorbeeld op de groepsknop, terwijl ze alleen zijn. Of ze drukken drie, vier keer achter elkaar. De lift denkt op zo’n moment: hé, dáár staan heel veel mensen! Hup, snel naar etage achttien. Daar stappen dan precies drie mensen in, maar de lift heeft het idee: ik zit vol. Ondertussen slaat hij etages waar het echt druk is over. Zelf heb ik op die manier wel eens een kwartier gewacht”

Ria: “Ik neem op piektijden wel eens de trap naar beneden. Tien etages, dat is m’n maximum.” Maar er gloort nieuwe hoop. Marco: “Er komt een bezettingstool waarop je van tevoren kunt zien hoe druk het is op de flexplek.” Ria: “En we hebben twee keer hostessen ingeschakeld die instructies gaven bij de lift.”

Inmiddels is ook communicatie-ambtenaar Wiwine Bienemann erbij gekomen. Het wordt best druk zo, maar onze dank is groot. Geen afspraak vooraf en dan tóch zoveel medewerking. Lunchtijd. Laten we de proef op de som nemen: is die Slimme Lift wel zo slim als hij aan alle kanten wordt onderstut?

We plannen een groepsreis richting bedrijfsrestaurant op de 21ste, en worden uitverkoren door lift E. Het gaat eigenlijk best vlot, we wachten maar een paar minuten. Toeval? “Nee”, zegt Ria aan de lunch, “we werken samen met de eigenaar keihard om de liften zo goed mogelijk te laten functioneren.”

Heerlijke honing van Brands

Ter nagedachtenis van Wim Brands mijn Trouw-column van 18-10-2010.

’Boeken’ (VPRO) is een geschenk op de zondagochtend. Het is inhoudsvol zonder hoogdravend te zijn, down to earth en meeslepend tegelijk. Presentator Wim Brands wekt een verlangen naar het boek door het te verbinden met de maatschappij. Anders dan zijn verre voorganger Adriaan van Dis kijkt hij niet vanuit het literaire circuit naar de samenleving, maar omgekeerd. Ofschoon dichter, is niet het Boekenbal zijn referentiepunt, maar het Lezersfeest: wat is er in de maatschappij aan de hand en hoe vinden we dat terug in de literatuur?

Continue reading Heerlijke honing van Brands