Monthly Archives: May 2015

Heijnes gezonde huiver in ‘De volmaakte mens’

Japanners experimenteren met de kweek van menselijke organen in varkens.
Japanners experimenteren met de kweek van menselijke organen in varkens.

We staan op een kantelpunt in de evolutie, waarin we onze eigen schepper zijn geworden. Die constatering is uitgangspunt van de serie ‘De volmaakte mens’(Human/VPRO), waarin NRC-columnist Bas Heijne filosofen en andere wetenschappers interviewt over de intrigerende vraag: hoe gaan we om met onze nieuwe rol als mens?

Met twee van de zes afleveringen achter de rug denk ik nu al dat Heijnes reeks het stempel urgent en memorabel verdient. Urgent omdat hij technologische ontwikkelingen belicht die de meeste kijkers onbekend zijn, terwijl die ons allen wél zullen beïnvloeden. Memorabel omdat Heijne zich ontpopt als aanjager van een uiterst noodzakelijk maatschappelijk debat: mag/moet alles wat kan?

Die discussie is, zoals Heijne eerder in de VPRO Gids vaststelde, nauwelijks op gang, terwijl in laboratoria al volop wordt geëxperimenteerd met de nieuwe mens. Vorige week ging het over designerbaby’s. Straks kan iedereen met iedereen kinderen krijgen, ongeacht leeftijd, geslacht of bloedverwantschap. Een vader met z’n dochter, zonder incest? Het wordt in theorie mogelijk door stamcellen uit de huid te modificeren tot geslachtscellen.

We zagen een stamcelonderzoekster in Leiden, die met een scalpel schijnbaar werktuiglijk een foetus in plakjes sneed op zoek naar embryonale eierstokken. Een schokkend beeld. Vooral in combinatie met de klinische laboratoriumtaal: “In de toekomst gaan we ons allemaal op een artificiële manier voortplanten.”

Even daarvoor toonde Heijne ons een kliniek op Turks Cyprus, waar ouders het gewenste geslacht van hun baby kunnen bestellen. Tekenend voor de medicalisering van de voortplanting is hoe een medewerkster sprak over IVF-patiënten in plaats van over toekomstige ouders.

Gelukkig laat Heijne het niet bij puur registratie. Hij stelt schurende vragen, zoekt critici op en spreekt zijn huiver uit. Zo wilde hij van bio-ethicus Julian Savulescu weten of  genetische manipulatie niet kan leiden tot nazi-eugenetica. Nee, dacht de geleerde, omdat er achter zijn ideaal van designerbaby’s geen maatschappelijke blauwdruk zit. Voor hem is er maar één ethische grens: daar waar mensen elkaar kwaad doen. Hij denkt wel dat het door de gentechnologie heel slecht zal aflopen met de mens. Dat was een vreemd open einde aan Savulescu’s redenering. Je vraagt je af: wat vindt de politiek hiervan? Zijn ze al wakker?

Deze week ging het over onsterfelijkheid. Gerontoloog Aubrey de Grey sprak over een hersteltherapie die het lichaam ‘eeuwig’dertig laat zijn. Zolang die therapie er nog niet is, wil hij na zijn dood zijn hoofd laten invriezen. “Maar misschien breid ik dat uit naar nog meer lichaamsdelen.”

Typerend voor De Grey en Savulescu is hun volstrekt individualistische denkpatroon. Er lijkt nauwelijks meer een samenleving te bestaan. “Er zijn geen maatschappelijke dilemma’s”, concludeerde Heijne . Hij ging te rade bij zijn geestverwant filosoof John Gray. Die zei: “Mensen die altijd willen blijven leven, zijn nooit tevreden. Wat moet je nu op je driemiljoenste verjaardag?” Of, zoals Régine in ‘Alle mensen zijn sterfelijk’ (Simone de Beauvoir) vraagt aan de onsterfelijke Fosca: “Dus, het is nog maar tweehonderd jaar geleden dat je van iemand hield?”

 

 

Mooie docu vanuit het hart van provo

Provo-fotograaf Cor Jaring met zijn 'magische helm'.
Provo-fotograaf Cor Jaring met zijn ‘magische helm’.

Je kunt het je nu nauwelijks meer voorstellen: de bak indraaien wegens vreedzaam demonstreren. Ex-provo Hans Metz sprak erover in ‘Rebelse stad’(Vara). “Zelfs als we met lege spandoeken de straat op gingen, werden we gearresteerd.”

De Amsterdamse filmer Willy Lindwer maakte een mooi tweeluik over provo. En meer dan dat. Het was een ode aan de vrijheid. Nog maar vijftig jaar geleden waren kerk en staat ongenaakbare autoriteiten. Dat wisten we, maar toch goed om je dat weer even te realiseren.

De kracht van ‘Rebelse stad’zit hem in Lindwers persoonlijke betrokkenheid. Hij vertelt hoe hij samen met zijn inmiddels overleden jeugdvriend Maarten Brinkgreve (fotograaf) op zaterdagavond naar de happenings toog op het Spui en hoe hij Yoko Ono en Phil Bloom meemaakte op het experimenteel filmfestival in Knokke.’Rebelse stad’is daarmee een auteursdocumentaire pur sang: geïnspireerd door individuele idealen en ervaringen, en uitmondend in de al even persoonlijke epiloog dat Amsterdam gelukkig nog steeds opstandig is.

Maar het is ook een kostbaar tijdsdocument. De belangrijkste hoofdrolspelers van toen zitten er in. Is het niet ‘live’dan wel op archiefbeeld (wijlen Rob Stolk en Robert Jasper Grootveld). We zien oud-burgemeester Van Hall, worstelend met de tijdgeest bij Mies Bouwman.  Verder een onbedoeld  grappig gesprek met Stolk. Mies: “Hoeveel provo’s zijn er geregistreerd?” Stolk:  Dat doen we niet zelf, dat doet de politie voor ons.”  En we horen hoe provo in mei 1967 bijna letterlijk in rook opgaat.  Het provo-archief wordt voor dertienduizend gulden verkocht aan de Universiteit van Amsterdam. Volgens Roel van Duijn ging de opbrengst deels op aan hasjiesj voor Grootveld. Einde provo.

Van Duijn komt niet onverdeeld positief uit de documentaire tevoorschijn. Hij kan het, een halve eeuw na dato, nog steeds niet verkroppen dat niet hij, ‘de bedenker van provo’, maar de nieuweling Bernhard de Vries nummer één werd op de provo-lijst. We zien de heren in een schurend tweegesprek, met Van Duijn als inquisiteur. “Deed je wel mee aan de happenings?”De Vries: “Zeker, ik heb er zelfs een blijvende breuk aan overgehouden.” Van Duijn: “Ik heb provo uitgevonden.”De Vries: “Ja, het woord.”

Het is deze kritisch noot – ook bij provo draaide het, oh ironie, uiteindelijk om macht – die Lindwers tweeluik de status van hagiografie doet ontstijgen. Die relativering zit ook in de mijmeringen van Grootveld (‘op een gegeven moment dacht ik: waar ben ik nou eigenlijk mee bezig? Ja, met het gebeuren’) en in de constatering dat het witte fietsenplan niet aansloeg in het anarchistische Amsterdam, maar wel, of all places, op de Veluwe. Kortom, een zeer complete documentaire.

Dat kun je niet zeggen van ‘Geld stinkt niet’, een AvroTros-docu over de staatsaankoop  in 2008 van ABN-Amro. De hoofdrolspelers – Balkenende en Bos – ontbreken; we moeten het doen met nondescripte topambtenaren. De overname, die toch echt heel spannend moet zijn geweest, wordt verteld op een toon alsof het om een gierstrecept gaat uit het kookboek. Alleen de Belgische Fortis-clan brengt wat sjeu in het spel. Ze wekken de indruk dat ze ons met de overname van 17 miljard een flinke poets hebben gebakken.

Kuyper-reis dreigt schipbreuk te lijden

Presentator George Harinck bij het Roemeense zomerpaleis, waar Kuyper ooit lunchte.
Presentator George Harinck bij het Roemeense zomerpaleis, waar Kuyper ooit lunchte.

Met een boek in de hand komt men door het ganse land. En zelfs nog veel verder. Geert Mak bereisde in 2007 met zijn ‘In Europa’grote delen van het continent, en nu trekt George Harinck met ‘Om de oude wereldzee’ langs zestien staten rond de Middellandse Zee. Een expeditie die de (wat oudere) Trouw-lezer ongetwijfeld  zal aanspreken, omdat de auteur van genoemd boek, Abraham Kuyper, immers ook de ARP oprichtte, waaruit dit dagblad weer is voortgekomen.

Ik ben daarom benieuwd wat u van de nieuwe Ikon-reeks vindt. Zelf ben ik er na twee delen niet gelukkig mee. Allereerst de vorm. Was er bij Geert Mak (VPRO) voor de kijker maar één verteller, nu zijn het er drie. Naast de onervaren tv-presentator Harinck zijn dat Roel Bentz van den Berg als voice over en de acteur Helmert Woudenberg als Kuyper.

Dat werkt verwarrend. Als Woudenberg in historisch kostuum een ‘Kuypertje’doet en je ziet direct daarna kozakken in archaïsch uniform, dan denk je: Aha, weer een verkleedpartij. Maar nee, na enige tijd blijken het echte kozakken. Want, zeggen ze: het is prima dat Poetin de Krim heeft geannexeerd.

Dan de voice over. Die is op tv vaak een teken van zwakte. Hij komt in actie daar waar beeld en gesproken tekst tekortschieten om een coherent verhaal te vertellen. Dat is bij ‘Om de oude wereldzee’helaas het geval. Gisteravond bijvoorbeeld draaide Harincks gesprek met een Turkse collega-historicus dusdanig in de soep dat Bentz van den Berg als Eerste Hulp bij Tv-Ongevallen met  pleisters de boel aan elkaar moest plakken . En dan zijn er ook nog de bedenkers Martin Maat en Hans Hermans, die Harinck onderweg bevragen. Kortom, de vorm hangt als los zand aan elkaar.

En de inhoud? Het uitgangspunt van de Ikon-serie is prima, en actueel bovendien. Kuyper vroeg zich in 1905 af wat de opmars van de islam zou betekenen voor het christendom. Diezelfde kwestie speelt anno 2015. Maar hoe tover je de wereld van ruim een eeuw geleden, en dan ook nog bezien door streng-calvinistische ogen, voor de hedendaagse kijker tevoorschijn? De makers hebben zich een schier onmogelijke opgave gesteld, zelfs met een gereformeerd-vrijgemaakte professor aan Kuypers VU – want dat is Harinck – in hun midden.

Filmbeelden van Kuypers reis zijn er uiteraard niet, dus moeten de makers het zien te rooien met wat ze nú rond de Middellandse Zee aantreffen. Gevolg is een geforceerd gelink tussen verleden en heden. In 1905 kwam de Krim in opstand tegen de tsaar, nu tegen Poetin (ofschoon je daar gisteravond weinig van merkte bij de geïnterviewde Krim-Tartaren). Verder mocht een Turkse imker acht minuten lang voor de camera leeglopen, beginnend met de schoonheid van de bij en eindigend met de grote heldendaden van president Erdogan. De terreur van IS pakte hij ook nog even mee. De kijker stelt zich de vraag: wat heeft een babbelgrage bijenhouder met Kuyper van doen?

Tot nu toe blijft de reeks te veel hangen in anekdotiek. Kuyper naar een Turks badhuis, dan ook Harinck naar een Turks badhuis. Kuyper verloor zijn hoed, dus zet ook Harinck (voor één keer!) zijn hoed af.

Wat overblijft zijn beelden van prachtige landschappen. Maar Harincks Kuyper-serie in Trouw is stukken interessanter.

 

De troostbuis

Zijn we ziek, geblesseerd tijdens de Vierdaagse of misselijk van liefdesverdriet, Hilversum zegt: ‘Komt allen tot mij die vermoeid en belast zijt en ik zal u rust geven.’

Vijftien jaar geleden overleed Toon Hermans. Ik was een van de laatste gelukkigen die hem mocht interviewen. Niet over cabaret, maar over God. Toon had over het Opperwezen juist een boekje geschreven, getiteld ‘Gewoon God’.  “Kijk”, zei  Toon, “zie je die grashalm daar? Dat is God. Een acrobaat, een clown, God is in alles.”Krap twee jaar later stierf hij. “Ik ben niet bang voor de dood”, had Toon gezegd. “We staan zo ver van de dood af, ik zou willen weten wie hij is.” Op zijn graf staat: ‘Laat ons altijd weer Uw wil geschiede zeggen.’

Een woord van overgave, dat vermoedelijk op steeds minder grafzerken te lezen zal zijn. Ieder ‘weldenkend mens’ is immers ontkerstend en in het verlengde daarvan is de dood het definitieve en bittere einde van een mensenleven. Je overgeven aan God hoeft niet, kan zelfs niet, want er is geen God. Alleen de dood is er, als wrede, onnatuurlijke onderbreking van het leven. De dode blijft alleen voortbestaan in onze gedachten.

Het is dát denken over de dood dat de televisie ons voorspiegelt. In levensverhalen worden overleden dierbaren met liefde herdacht, maar verwijzingen naar een mogelijk hiernamaals zijn uitzondering.

Ook bij een katholieke omroep als de KRO. Het KRO-programma ‘Ode aan de doden’, elk jaar in de week van Allerzielen, voelt de tijdgeest perfect aan: er is behoefte aan rituelen rond de dood, maar niet aan expliciet christelijke noties. Dus worden er wél  kaarsjes gebrand, maar gaat het niet over God, Jezus of Maria. De gestorvene zelf staat centraal in een seculiere requiemmis. Zo stak KRO-verslaggever Ajouad el Miloudi een kaarsje aan voor zijn overleden oom ‘omdat hij zo lief en charismatisch was en zulke mooie maatpakken droeg.’

ode-aan-de-doden

Door Allerzielen te seculariseren, is de herdenking iets van ons allemaal geworden, zou je kunnen zeggen, ongeacht cultuur of geloof.  In het programma zie je hoe graag nabestaanden de levensverhalen over hun dierbaren met ons delen. Het biedt hen troost en gemoedsrust.  Da’s mooi, maar voor de doden zelf is het wel een hele verandering, denk ik wel eens.  Nu er geen Paradijs meer is, blijven ze voor altijd op onze woelige aarde.

Hetzelfde post-christelijke beeld zie je bij programma’s over ziektes en lijden. Dat zijn geen natuurlijke verschijnselen meer die helaas bij het bestaan horen, en die we, met hoopgevende steun van ‘boven’, en werkend aan genezing zullen kunnen (ver)dragen, nee het zijn vijanden geworden, beledigingen van het leven, indringers die we boos moeten aanvallen. En uitbannen!

Daarom is er een eindeloze reeks programma’s van patiënten in gevecht met hun ziekte, of het nu kanker is, obesitas of dementie. Na een beetje tv-avond heb je zomaar de halve medische encyclopedie in je hoofd, inclusief uiterst zeldzame kwalen als het Syndroom van Dandy Walker (BNN in juni 2013).

Wat deze formats gemeen hebben, is dat de individuele mens wordt teruggebracht tot zijn kwaal, en dat bewust wordt ingespeeld op emoties. Natuurlijk, patiënten kunnen hun verhaal kwijt en dat zal hen opluchten, maar de prijs die zij ervoor betalen is dat hun worsteling genadeloos in beeld komt. “Heb je het idee dat je haar al aan het verliezen bent?”, vroeg NTR-presentatrice Mirella van Markus in ‘Over leven met’ aan Leon, echtgenoot van een dementerende vrouw.

Heel ver in effectbejag ging het KRO-programma’Liefde voor later’, waarin presentatrice Anita Witzier zogenoemde herinneringsdozen samenstelde met stervende zieken (en hun jonge kinderen!). “Deze knuffel, hè?”,  vroeg Witzier met een poppetje in haar hand aan het sterfbed van nierkankerpatiënt Eric, “deze knuffel is vast een vriendje geweest in goede en slechte tijden?”Zo blijkt, ook leed-tv ontkomt niet aan de ijzeren wetten van Hilversum: het moet de kijker bij z’n nekvel grijpen. Het belang van de stervende lijkt niet altijd hoofdzaak. Alles voor de kijkcijfers. “Goed wakker geworden”, twitterde Marc Dik, producent van ‘Liefde voor later’, “950.000 kijkers.”

De kijker moge bevestiging ervaren van zijn eigen verdriet, ook hij betaalt een prijs: angst. Zo verschenen onderin beeld bij ‘Over leven met’voortdurend vreesaanjagende mededelingen uit, wat ik voor het gemak maar even ‘de steeds-meer-school’ noem: steeds meer alzheimer, steeds meer demente vrouwen, nu al  gestegen naar één op drie – alleen al tijdens de uitzending? (W.P.) –  en steeds meer geld nodig. Ten slotte een telefoonnummer, waar we terechtkonden met onze giften.

Dezelfde combinatie van angst en strijdlust zien we in ‘Ik sta op tegen kanker’, een jaarlijks terugkerende KWF-donateursshow. Avro-presentatoren herhalen daarin om de drie zinnen dezelfde mantra: Sta op, sta op, sta op. Grimmige wervingsspotjes van BN’ers moeten die oproepen ondersteunen. Simon (van Nick en Simon): “Hoe ver moeten we gaan om jou te laten opstaan?”En Robert ten Brink: “Ja, hoeveel BN’ers moeten we nog voorbij laten komen?”

ik-sta-op-tegen-kanker

 

Wat deze programma’s veelal uitstralen is een groot geloof in maakbaarheid. In ‘Operatie NL fit’ (Avro) moesten obesitas-patiënten hun imperfectie zelfs bekopen met een verantwoordingsplicht voor een streng en vernederend tribunaal.  Wie maar genoeg strijdt zal genezen, is de gedachte. Alsof toeval, geluk of stomweg genetische pech niet bestaan. Wat moeten al die mensen die niet zo vechtlustig zijn of de moed al hebben opgegeven? Hebben die het aan zichzelf te wijten als ze overlijden?

Een vorm van troost die ons nog maar zelden wordt geboden is die van de acceptatie en berusting. Zoals bij Toon Hermans. Of leukemie-patiënt Herman Finkers.“Ik ben een oldtimer die vaak naar de garage moet, maar wel goed blijft lopen”, zei de cabaretier olijk relativerend in ‘College tour’ (NTR). Zijn zus Angelique legde uit: “Herman was niet boos toen hij de diagnose hoorde. Hij vroeg zich niet af: waarom ik? Er kwam juist een enorme rust over hem.”

Over het waarom van die overvloed aan kwalen op tv valt het één en ander te zeggen. En niet alleen dat het samengebald verzet is. Het heeft ook te maken met positieve overwegingen als  bewustwording en preventie (iedereen kan immers ernstig ziek worden). Bovendien zijn leed-programma’s relatief goedkoop te produceren (geen dure sterren die je moet betalen) en leveren ze gegarandeerd hoge kijkcijfers op. Verder zal de farmaceutische industrie er ook niet vies van zijn. Maar er is nog iets, en daartoe moeten we een ander populair Hilversums fenomeen onder de loep nemen: de traan.

De traan doet zich in velerlei vormen en gedaanten voor en is overvloedig op de buis present. In juli 2010, toen ik net tv-recensent was van Trouw, heb ik er eens een paar avonden speciaal op gelet. In álle programma’s die ik zag werd gehuild. Niet alleen in uitzendingen waarin je enig malheur zou mogen verwachten, zoals ‘XXS’ (anorexiapatiënten) of ‘Spoorloos extra’(herenigde familieleden), nee, ook in iets lichtvoetigs als de Nijmeegse Vierdaagse.

KRO-presentator Fons de Poel toverde in één uitzending van ‘Het gevoel van de Vierdaagse’ niet minder dan drie huilende vrouwen tevoorschijn. Een van de bedroefde dames had zelfs een zakdoek ter grootte van een theedoek nodig om haar verdriet te stelpen. Wat was er aan de hand? Ze was geblesseerd geraakt. Niet nu, maar ooit tijdens een eerdere Vierdaagse.

Hoe komt het toch dat mensen bereid zijn op televisie hun leed zo breed uit te venten? In zijn boek ‘Publieke tranen’(2002) geeft mediaprofessor Henri Beunders daarvoor een plausibele verklaring. Vroeger wisten mensen hun verdriet te plaatsen in het grote verhaal van een godsdienst of ideologie, wat relativering en troost opleverde. Nu die grote verhalen voor velen zijn weggevallen, hebben we alleen nog ons eigen ik overgehouden, en dat schreeuwt om erkenning. Krijgen we die erkenning niet op het terrein van talent of beroep, dan maar op dat van klein en groot leed. Democratisering van het trauma, noemt Beunders dit psychologische verschijnsel.

Ik zou liever willen spreken van individualisering van het trauma, juist omdat dát woord mijns inziens nóg beter aangeeft hoe allerlei vertrouwde verbanden, die ons vroeger ter zijde stonden (kerk, verenigingen, familie, huwelijk, verzorgingsstaat), zijn verbrokkeld of uit het zicht verdwenen. We hebben inderdaad alleen onszelf nog.

Waar mensen vroeger met hun ellende naar de kerk gingen, gaan ze er nu mee naar Hilversum. De presentator is de nieuwe dominee/priester, die ons begripvol aanhoort, met dit verschil dat hij met een schuin oog voortdurend op de kijkcijfers let.

Emoties horen bij het leven, en mogen ook zeker op tv, maar in Hilversum lijkt elke maatstaf zoek.  En dat is jammer, want kijkers kunnen via de buis veel (h)erkenning ervaren, blijkt uit het proefschrift ‘De troost van televisie’(1993) van de onvolprezen oud-IKON-directeur wijlen dr. Wim Koole. Uit die dissertatie is een handzame richtlijn te destilleren: alleen privéproblemen die thuis niet bespreekbaar zijn of waarbij de professionele hulpverlening ernstig tekort schiet zijn, mits respectvol en ethisch in beeld gebracht, geschikt voor uitzending op televisie.

Oud-Ikon-directeur Wim Koole
Oud-Ikon-directeur Wim Koole

Maar nee, de tv weet van geen ophouden. Ook materieel leed behoort nu tot haar zorgtaak. Financiële misère? ‘Een dubbeltje op zijn kant’(RTL 4). Achterstanden met de hypotheek? ‘Uitstel van executie’(RTL 4). Vervelende wijk? ‘Bonje met de buren’(SBS 6).  En ga zo maar door.

Ook in dit genre gelden de onverbiddelijke wetten van de televisie. Er wordt ingespeeld op het voyeurisme van de kijker. We krijgen medelijden met al die ‘stumperds op de buis’, of voelen ons juist gelukkig omdat wij niet zo berooid, naïef of eenzaam zijn. Bij ‘gluur-tv’is kijkcijfersucces gegarandeerd.

De deelnemers aan hulp-programma’s vallen in verschillende categorieën uiteen. Soms zie je mensen  die vooral graag op tv willen, maakt niet uit waarmee. Voorbeeld: de helft van de deelnemers aan ‘Alle dagen seks’vorige zomer had geen seksuele problemen die in de daartoe geëigende circuits (partners, hulpverleners) niet besproken of opgelost zouden kunnen worden (u weet wel, het uit Wim Kooles proefschrift gedestilleerde criterium voor tv-aandacht). Toch spraken deze mensen drie avonden lang met KRO-coryfee Arie Boomsma over de slaapkamer.

Maar de meeste deelnemers aan hulp-tv verkeren wel degelijk in grote moeilijkheden. We zien eenzame en verslagen mensen die elke aansluiting met de maatschappij kwijt lijken. In ‘Een dubbeltje op zijn kant’ figureerden vorig najaar Gertjan en Margriet die vijftigduizend euro schuld hadden. Ze maakten tegenover presentatrice Annemarie van Gaal een hulpeloze indruk. Wat aan het kijkersoog voorbijtrekt is precies het tegendeel van waar de (neo-liberale) Haagse politiek de mond vol van heeft: autonomie en zelfredzaamheid.

Ik denk dat de Wim Koole-richtlijnen,  als ik het zo even mag noemen, daarom welllicht met één criterium moeten worden uitgebreid: voor mensen die de weg in de doolhof van het leven zijn kwijtgeraakt.

RTL, dat grossiert in hulpverleningsprogrammma’s, werd vanwege die grote maatschappelijke betrokkendheid gehuldigd met de Machiavelliprijs 2014. Volgens de jury heeft de omroep de samenbindende taak van kerken en verenigingen overgenomen. Ook RTL-baas Bert Habets refereerde daaraan. Daar zit zeker een kern van waarheid in. Maar er zijn ook pregnante verschillen. Zo stuurt de kerk bij stervenden een priester langs met de laatste sacramenten, en niet Anita Witzier met een herinneringsdoos.

En de commerciële omroep heeft, anders dan de kerk, natuurlijk áltijd financiële belangen. Hulp-tv is één grote fuik voor sponsors en (sluik)reclame. ‘Uitstel van executie’ werd mede mogelijk gemaakt door Grando Keukens & Bad, en toen in dat programma de tuin van een van de deelnemende koppels (Torsten en Sharmaine) moest worden opgeknapt, verscheen het tuincentrum levensgroot met de firmanaam in beeld. In het reclameblok zagen we spotjes van Bruynzeel en Kwantum. Mensen helpen en tegelijkertijd de kassa laten rinkelen is voor een commerciële zender een uitgelezen combinatie, lijkt mij.  Maar met een kerk is deze hulp in dát opzicht natuurlijk niet te vergelijken.

Zeker is wel dat de tobbende mens niet meer in de eerste plaats de kerk op zijn weg treft, maar de omroep. Op háár manier voedt de televisie hongerigen, laaft ze dorstigen en troost ze weduwen. ‘Komt allen tot mij die vermoeid en belast zijt’, noodt Hilversum, ‘en ik zal u rust geven.’ Én kijkcijfers.

Dit essay is een verkorte weergave van de speech die Willem Pekelder hield op de Inspiratiedag 2015 van vrijzinnige kerkgenootschappen.

Geef deze jongens meer zendtijd op tv

 

Nicolaas Veul (l) en Tim den Besten in 'Oudtopia'.
Nicolaas Veul (l) en Tim den Besten in ‘Oudtopia’.

Tim den Besten en Nicolaas Veul (VPRO) behoren tot de veelbelovendste jonge tv-makers van dit moment. Ze zijn gezegend met een mentaliteit waar de ‘vrijzinnige’van oudsher patent op heeft:  open, verwonderd en tegendraads. Die houding leidt tot programma’s die in elk geval als idee vaak bijzonder origineel zijn.

Zo probeerden de twee er in 2013 achter te komen of ze echt zo homoseksueel waren als ze vermoedden. Een prikkelende gedachte, die in de uitvoering helaas schipbreuk leed omdat Den Besten zijn eerste heteroseksuele ervaring onderging met een dame uit de seksindustrie, wat de geloofwaardigheid van de documentaire ondermijnde, ook al speelde die zich af in liefdesstad Parijs.

Een ander goed concept was ‘Oudtopia’. Het duo dook een maandlang onder in het Haagse woonzorgcentrum Jonker Frans om te achterhalen hoe het is om oud te zijn. Het werd een ontroerend portret waarin bejaarden nu eens niet alleen maar uit de verf kwamen als zielig en eenzaam, maar ook als mensen van wie jongeren, zoals de programmamakers, iets kunnen leren.

Het is de laatste tijd op tv wat stiller rond het VPRO-tweetal, maar dat wil niet zeggen dat ze duimen draaien. Den Besten is naast zijn tv-werk actief op internet, waar hij nu vier mini-interviewtjes presenteert onder de titel ‘Frieten met’. In een frietkot ontmoet hij vanwege het Vlaams Film Festvial telkens een andere Bekende Vlaming. Weer eens wat anders dan al die uitgekauwde BN’ers.

De interviewtjes duren hooguit een minuut of zes, hebben weinig om het lijf en lijken nauwelijks voorbereid. Maar, zou je kunnen zeggen, juist die volkomen pretentieloosheid geeft de sessies iets ontspannends en ongedwongens. Zo besluit auteur Herman Brusselmans het gesprek met een oproep aan alle Nederlandse jonge vrouwen om contact met hem te zoeken: “Ik ben rijk, vrijgezel en semi-impotent, maar aan dat laatste valt een mouw te passen.”

Maar als je alle vier de afleveringen hebt gezien (met, naast Brusselmans, Kaat Bollen, Belle Pérez en Adil El Arbi en Bilall Fallah), betwijfel je wel of die frietjes iets toevoegen aan het geheel, behalve dat ze doorgaan voor Vlaams volksvoedsel nummer één. De gesprekjes gaan alle kanten op, alhoewel seks meestal een vast ingrediënt is.

Den Besten komt beter uit de verf wanneer hij een provocerende startvraag heeft, zoals in zijn afgelopen februari gelanceerde ‘Yolanthe-documentaire’. Uitgangspunt daarin is Den Bestens weerzin tegen voetbalvrouw Yolanthe Sneijder-Cabau. Antipathie levert boeiender en gepeperder programma’s op dan sympathie, bekijk het internet-filmpje maar eens. “Ik vind haar al heel lang best wel stom”, biecht Den Besten zijn motivatie op tegenover Yolanthe’s manager Xenia Kasper. Waarna we, uiterst geestig, de maker in therapie zien gaan om zijn Yolanthe-afkeer te analyseren.

Nog doller wordt het wanneer dit voorjaar in Shownieuws’(SBS6) het nieuwtje opduikt dat Sneijder-Cabau een advocaat op Den Besten heeft gezet. Dat is natuurlijk niks geworden, maar het tekent wel haar volstrekte gebrek aan humor en zelfrelativering. En voor een maker is het de kers op de taart. Hopelijk geeft de VPRO Den Besten en Veul snel weer de ruimte voor een spraakmakende documentaire op tv.

De CHU was een wijze van zijn

Deze maand verschijnt een biografie van Johan van Hulst (104), oud-verzetsstrijder, voormalig hoogleraar en ex-senator van CHU/CDA. Het boek, getiteld ‘Pedagoog, politicus, verzetsman'(eindredactie Gerlof Verwey), wordt op 27 mei in de Eerste Kamer gepresenteerd. In 2008 mocht ik Van Hulst spreken omdat het dat jaar een eeuw was geleden dat de Christelijk-Historische Unie werd opgericht. Hij en vele andere oud-CHU’ers figureerden in een verhaal dat op 17 oktober van dat jaar in De Groene Amsterdammer werd gepubliceerd. Bijzondere, beetje gekke partij, die CHU. Ter ere van de biografie hierbij een herpublicatie.

Premier Netanyahu van Israël eert oud-verzetsman en -CHU'er Johan van Hulst.
Premier Bibi Netanyahu van Israël eert oud-verzetsman en -CHU’er Johan van Hulst.

 

Honderd jaar geleden zag de Christelijk-Historische Unie het levenslicht. De partij is allang ter ziele, maar het jubileum werd in Den Haag uitbundig gevierd. Want er bestaat  zoiets als CHU-nostalgie.  “De Unie is in het CDA zo goed als verdampt.  Heel spijtig.”

Toen hij ter wereld kwam was de CHU nog geen drie jaar oud:  Johan Wilhelm van Hulst,  geboren op 28 januari  1911 in Amsterdam. Zoon van een hervormde meubelstoffeerder. Nu, bijna een eeuw later, woont hij nog steeds in de hoofdstad, waar hij tot zijn pensioen hoogleraar pedagogiek was aan de VU.  “Ik ben, als ik het wel heb, zo rond 1930 lid geworden van de Christelijk- Historische Unie”, vertelt hij met heldere stem. “Ik was onderwijzer  in Oudewater en de CHU-afdeling aldaar had zo’n donkerbruin vermoeden dat ik wel zou sympathiseren met de club. Wel, dat hadden ze goed gezien. Ik mocht verslagen maken van de plaatselijke vergaderingen en die werden dan gepubliceerd in het CHU-blad De Nederlander.  Apetrots was ik natuurlijk.”

Van 1956 tot 1981 was hij Eerste Kamerlid voor CHU/ CDA, waarvan de laatste twaalf jaar als fractievoorzitter.  Tevens was hij van 1969 tot 1972 partijvoorzitter.  Een groepering met een gemoedelijke sfeer, zo omschrijft  Van Hulst  (97) de Unie. “Toen ik  in de jaren dertig voor het eerst de districtsvergaderingen bezocht, werd ik getroffen door de grote mate van vrijheid. Ieder had recht op zijn eigen  mening en tegenstanders gingen mild met elkaar om.  Dat was men vanuit de hervormde kerk gewend, waar vele stromingen – van vrijzinnig tot orthodox – onder één dak samenwoonden. Men had een grote bereidheid tot samenwerking met andersdenkenden.”

Van Hulst memoreert dat het  CHU-premier De Geer was die als eerste socialisten in zijn kabinet (1939-1940) durfde op te nemen.  “Ik heb jonkheer De Geer nog meegemaakt. Je kwam hem tegen op districtsvergaderingen. Als persoon was hij moeilijk te peilen. Geen man voor small talk. Hij miste uitstraling en charisma. Maar wel een uitstekende minister van financiën en in zijn eerste kabinetsperiode ook een goede premier. Tijdens de oorlog was hij een heel zwakke minister-president.  Zijn defaitistische houding tegenover de Duitse bezetter  valt niet goed te praten.”

De Geer was de enige premier die de CHU in haar 72-jarig bestaan (1908-1980) leverde, en die viel nog in ongenade ook.  De ARP – eveneens een middelgrote partij – tekende zeven keer voor het minister-presidentschap: baron Mackay,  Kuyper, Heemskerk, Colijn  (vijf kabinetten), Gerbrandy, Zijlstra en Biesheuvel.  “Tsja, dat is nou typisch die CHU-bescheidenheid”, verklaart Van Hulst.  “Wij probeerden te leven naar het Bijbelwoord de ander uitnemender te achten dan onszelf. Bij de ARP  trof je een enorme geldingsdrang: Wij weten het en wij weten het alleen. Ik meen me te herinneren dat Colijn altijd een kwartier te laat op partijvergaderingen kwam, zodat iedereen hem kon zien binnenkomen.  De Geer zat een kwartier voor aanvang al achter de tafel. Dat is tekenend, niet?”

Dat verschil in mentaliteit is blijkens  het boek ’Geschiedenis van de Christelijk-Historische Unie’, dat Marcel ten Hooven (hoofdredacteur van christen-democratische verkenningen) en Ron de Jong (historicus) ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van de  CHU schreven, terug te voeren op de ontstaansgeschiedenis van de twee protestants-christelijke partijen.  De ARP was een emancipatiepartij voor de kleine luiden, zoals de gereformeerden werden genoemd, en had van daaruit een grote daden-  en organisatiedrang. De CHU, in 1908 deels als afsplitsing van de ARP ontstaan onder leiding van jonkheer Alexander de Savornin Lohman,  kon als vertegenwoordiger van  het  (hervormde)  establishment  veel ontspannener politiek bedrijven.

Dat verschil vertaalde zich ook ideologisch. De ARP beleed, onder vurige aanvoering van Abraham Kuyper, de antithese-gedachte:  Het volk was op te delen in een christelijk en een niet-christelijk deel. De Savornin Lohman, die zich van Kuyper had afgekeerd vanwege diens in zijn ogen dictatoriale en machtsbeluste gedrag,  beschouwde het volk veel meer als één geheel.  “Wij waren vólksvertegenwoordigers”, zegt dr. Roelof Kruisinga, de laatste voorzitter van de CHU-Tweede Kamerfractie. “Wij hadden alleen  te maken met het belang van het volk en ons eigen geweten.  Dat onafhankelijke gedrag zie ik in het huidige CDA veel minder terug.”

Het ontbreken van een hechte partijorganisatie – de CHU was niet meer dan een los verband van kiesverenigingen, zonder politiek programma – en de afwezigheid van een strenge fractiediscipline maakten de Unie tot een curieuze verzameling  volièrevogels die bij stemmingen vaak alle kanten op vlogen.  In zijn villa in Wassenaar bekijkt Kruisinga glimlachend de indrukwekkende lijst van zijn afwijkende stemgedrag binnen de CHU-fractie. “Ik vermoed dat dit alleen nog maar de lijst is van mijn Eerste Kamer-periode.  De totale lijst is veel langer. Zo heb ik altijd tegen álle gemeentelijke herindelingen gestemd. Ik geloof in bestuur op kleine, menselijke schaal. Ik vond dat  standpunt heel goed passen bij  de plattelandspartij die de CHU after all was.”

Ook zijn verzet tegen de invoering van de neutronenbom is volgens Kruisinga (86) terug te voeren op de vrijheid die hij als CHU-vertegenwoordiger had. “Binnen de CHU en het CDA bestond over dat wapen geen eenstemmigheid. Als minister van defensie was ik faliekant tegen omdat invoering indruiste tegen de Conventie van Genève. Bovendien had ik als medicus gewetensproblemen omdat een dergelijk stralingswapen de menselijke vruchtbaarheid aantast. Op de achtergrond speelde mijn  opvoeding in de doopsgezinde kerk, een genootschap dat tegen wapens is.”

Zijn afwijkende standpunt noopte Kruisinga in maart 1978 tot opstappen, na een kortstondig ministerschap in het kabinet Van Agt.  De oud-bewindsman sluit niet uit dat zijn aftreden verregaande invloed heeft gehad:  “President Carter heeft kort na mijn vertrek de neutronenbom in de ijskast gezet.”

Verhalen als zou hij  door de Amerikanen zijn gedwongen tot opstappen omdat hij politieke contacten onderhield achter het IJzeren Gordijn en bovendien te veel zou drinken, wimpelt Kruisinga weg. “Ik dronk en drink graag een glas wijn, maar aanmerkelijk minder dan bijvoorbeeld Henk Vredeling. En ja, ik ging vanwege mijn vroegere werk voor milieubehoud en internationale volksgezondheid geregeld naar Oost-Europa, waar ik bevriend was met een paar bewindslieden.  Na afloop kwam er vaak een BVD’er langs, die mij vroeg naar mijn ervaringen.  Er bestaat van mij een dossier, maar dat is er van Jan, Piet en Klaas.”

De CHU in de gaten gehouden door de BVD, wie had dat ooit gedacht? De uiterst brave partij, die niet eens op macht uit was (‘niet de majoriteit, maar de autoriteit van het Evangelie’, stond in het beginselprogramma), en voornamelijk een burgerlijk-conservatieve koers voer. Een partij ook met redelijk wat  landadel, die zich aangetrokken voelde tot het historische karakter van de CHU: Onze gewetensvrijheid was niet uit de lucht komen vallen maar door Willem van Oranje duur bevochten in de Tachtigjarige Oorlog.  “Ach, we waren een partij van nette mensen”, relativeert baron O.W.A. van Verschuer, die van 1972 tot 1977 partijvoorzitter was.  “Een vriendenclub  die met haar rug naar de politiek toe stond.”  Die mentaliteit is in de huidige fusiepartij  soms nog terug te vinden, meent  de overtuigde CDA’er. “Dat mijn partijgenoot Veerman  na vier jaar minister van landbouw te zijn geweest in 2006 opstapte met de motivering dat hij weer eens wat anders wilde doen, past helemaal binnen het CHU-denken. Wij zijn geen mensen die aan het  het pluche kleven.”

De auteurs van het zojuist genoemde boek, het eerste historisch-wetenschappelijke werk over de CHU, geven van die onthechtheid pregnante voorbeelden.  Ten Hooven (51 ), voormalig politiek redacteur van Vrij Nederland:  “Bij de formatie van 1948 wilde kamerlid freule Wttwaal van Stoetwegen van de voortgang van de besprekingen op de hoogte worden gehouden. Het antwoord van fractieleider Tilanus sr. luidde: ‘Freule, dat is politiek, en daar hebt u niets mee te maken. Politiek, dat doe ik zelf.’”

Freule Wttewaal van Stoetwegen tijdens de CHU-verkiezingscampagne van 1971.
Freule Wttewaal van Stoetwegen tijdens de CHU-verkiezingscampagne van 1971.

De CHU maakte een strikt onderscheid tussen regering en volksvertegenwoordiging. Dat dualisme kwam, volgens de auteurs, niet voort uit het Verlichtingsideaal van de trias politica, waarbij rechterlijke, uitvoerende en wetgevende macht ieder een gelijkwaardige rol vervullen, maar uit de overtuiging dat het parlement ondergeschikt is aan de regering. De Jong (47): “De regering heeft het gezag van God ontvangen, was de gedachte, en staat daardoor in haar eigen recht.  Zo gauw een CHU’er minister werd, zette hij zijn partijpet af en was hij dienaar van de Kroon.”

Wat de auteurs betreft wordt de CHU-mentaliteit in het huidige politieke tijdsgewricht node gemist.  “De Unie stond model voor de betekenis van harmonie en verzoening in een pluriforme samenleving. Dat ondogmatische was haar stille kracht. Zo’n partij zou in deze tijd van grote woorden en opgeklopte tegenstellingen goed werk kunnen verrichten.”

Van Hulst: “Voorzover de CHU een politiek programma had, ging dat over een sterke defensie en politie, trouw aan het koninklijk huis en dat soort algemene zaken. De partij was bovenal een wijze van zijn.” Toch zijn er, wanneer hij de voorbije eeuw overziet, wel enkele politieke successen te noemen. “Onze minister De Visser  heeft in 1920 de financiële gelijkstelling  van het bijzonder met het openbaar onderwijs wettelijk kunnen regelen.  Dat de CHU de Doorbraak heeft overleefd is ook een belangrijke verdienste.  Ik wil hier toch ook De Geer noemen. Hij heeft tijdens de crisisjaren als minister van financiën Nederland voor een faillissement behoed. Ik vind dat hij voor dat deel van zijn carrière gerehabiliteerd moet  worden. De man is te hard gestraft  en moet  recht worden gedaan”, meent de voormalige CHU-partijvoorzitter.

De behandeling van De Geer, die wegens zijn toegeeflijke houding in de oorlog in 1947 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf werd veroordeeld, is niet het enige wat gevoelig ligt in de voormalige CHU. Ook de onzichtbaarheid van de christelijk-historischen in het CDA is voor sommigen een pijnlijke werkelijkheid.  Sinds het ontstaan van het CDA in 1980 zijn alle belangrijke partijpolitieke functies (partijvoorzitter,  premier en fractieleider  in de Tweede Kamer) naar oud-KVP’ers en -ARP’ers gegaan. Van Hulst:  “De CHU-invloed is zo goed als verdampt, ja.  Aan de ene kant logisch, want de bloedgroepen bestaan officieel niet meer, maar op gevoelsmatig niveau zijn ze er nog wel. Daarom zeg ik: Heel spijtig voor de CHU.  Dat de KVP veel posten claimt is logisch. Het was de grootste partij van de drie. We zijn vooral gesneuveld onder de dadendrang van de ARP.”

Er zijn oud-CHU’ers die het niet willen laten bij dergelijke verzuchtingen. Zo  bestaan er achtentwintig jaar na de opheffing van de partij nog steeds stichtingen die de christelijk-historische mentaliteit levend proberen te houden in het CDA, zoals de Beerninkstichting (genoemd naar de voormalig CHU-minister van binnenlandse zaken) en de  jhr. De Savornin Lohmanstichting. De laatste club organiseerde deze week een reünie rond honderd jaar CHU in de Oude Zaal van de Tweede Kamer, waarbij het boek van Ten Hooven en De Jong officieel werd gepresenteerd aan premier Balkenende.  Een  come back van de CHU?  “Er zijn CDA’ers  die vinden dat de CHU meer aandacht verdient”, verklaart Kruisinga diplomatiek.  Zelf is de oud-bewindsman, die de totstandkoming van het boek financieel ondersteunde,  ook minder enthousiast geworden over de fusiepartij. “Als de Unie  morgen opnieuw werd opgericht sloot ik mij meteen weer aan.”

Roelof Kruisinga
Roelof Kruisinga

Zo ver gaat Leo de Snaijer (77), bestuurllijk actief in bovengenoemde stichtingen,  niet. Hij zegt dat hij als één man achter premier Balkenende staat. Wel waakt het voormalig CHU-hoofdbestuurslid ervoor  dat er voldoende ‘christelijk-historischen’ op de CDA-lijst staan. Thuis in Vlaardingen houdt hij de stand nauwkeurig bij.  “Acht van de huidige 41 CDA Kamerleden hebben wortels in de CHU. Dat is een redelijk aantal. In de jaren tachtig hebben we er zeer slecht voorgestaan. Toen was de fractie groter en waren er maar vijf CHU’ers.”

Tweemaal al heeft hij als privé-persoon voorkeursacties gehouden voor oud-CHU’ers.  Eerst  voor Jan ten Hoopen, secretaris van de Lohmanstichting, en bij de laatste verkiezingen voor Antoinette Vietsch.  Beide keren kreeg De Snaijer  zijn favoriete kandidaat  op een verkiesbare plaats. “Bedenk wel: Ik heb  alles langs de koninklijke weg gedaan, dus via de kiesverenigingen. Bij de laatste actie heb ik heb tevens de hulp ingeroepen van zorginstellingen omdat mevrouw Vietsch uiterst deskundig is op het gebied van volksgezondheid.  Vooral de Philadelphia Zorgstichting, waarvan voorzitter  Frits Brink een oud-CHU’er is, heeft me uitstekend gesteund.”

De Snaijer beseft dat er over een aantal decennia  geen oud-CHU’ers meer zullen zijn, maar tot die tijd moet de strijd doorgaan, vindt hij. “We zijn dit avontuur met z’n drieën begonnen. Dan mag de CHU er, als kleinste partner, niet  een beetje bij gaan bungelen.”

En zo lijkt honderd jaar na de oprichting van de CHU het machtsconflict tussen De Savornin Lohman en Kuyper nog steeds actueel.  “Voor sommigen geldt dat zeker”, beaamt baron Van Verschuer, kasteelheer te Beesd (Gld.). “Zelf ben ik erfelijk belast. Mijn betovergrootvader kreeg het als kerkvoogd alhier aan de stok met zijn predikant, Abraham Kuyper. Kuyper zette alles op alles om de kerk te gebruiken als proeftuin voor zijn staatsrechtelijke vernieuwingen, onder meer door te sleutelen aan de kerkelijke kiescolleges.  Mijn betovergrootvader heeft zich daar steeds tegen verzet.”

Otto baron Van Verschuer
Otto baron Van Verschuer

 

“En zie hier”, zegt de CHU-baron, een parallel trekkend met het heden, “de heer Aantjes beklaagt zich in de Staatscourant dat het CDA niet de kant op is gegaan waar hij als AR-man altijd voor had gevochten. Ik stoor me aan dit soort Kuyperiaans gedrag en heb die ergernis ook overgebracht aan onze CDA-voorzitter Van Heeswijk, die me pas uitnodigde voor een gesprek.  Lohman tegen Kuyper, inderdaad,  die strijd heeft mensen als Aantjes en ik nog altijd iets te zeggen.”

Tv neemt peilingen veel te serieus

Een stralend echtpaar Cameron na de onverwachte Conservatieve overwinning.
Een stralend echtpaar Cameron na de onverwachte Conservatieve overwinning.

Als de media wijs zijn, gooien ze politieke opiniepeilingen voortaan met een grote zwaai in de prullenbak. De Britse onderzoeksbureaus voorspelden een nek-aan-nek-race tussen rechts en links , maar uiteindelijk behaalden de Conservatieven een monsterzege op Labour. ‘RTL Nieuws’ evenwel slikte op verkiezingsavond de polls nog steeds voor zoete koek.  En deed zelfs alsof de peilingen de einduitslag waren.

Het Britse politieke landschap zou ‘radicaal veranderen’, wist Londen-correspondent Vanessa Lamsvelt, en er stond ‘moeizaam coalitie-overleg’voor de deur,  waarbij ‘allerlei onderhandelingstrucs’ uit de kast zouden komen. En of dat alles nog niet erg genoeg was, moest Engeland het ook nog stellen zonder geschreven grondwet, waarschuwde ze, waardoor het overleg zou uitlopen ‘op niets dan chaos en geruzie.’

“Ja, het wordt ongekend spannend”, concludeerde nieuwslezer Rick Nieman. “Geen van beide partijen haalt de meerderheid, dat is wel zeker.“ En: “Misschien moet premier Cameron wel vertrekken, en wordt Labour-leider Miliband de winnaar.” Nou, precies het omgekeerde gebeurde dus: 24 zetels winst voor de Conservatieven en 26 verlies voor Labour. De Tories kunnen in hun eentje door.  Hoe ver kun je ernaast zitten als opiniepeiler, en hoe verstandig is het voor de media  – niet alleen voor ‘RTL Nieuws’- om politieke voorspellingen in het vervolg met een korreltje zout te nemen?

Maar, je kan het ook positief bekijken en zeggen: dankzij die koffiedikkijkers heb je niet één- maar tweemaal  groot nieuws. De eerste keer dankzij hun spectaculaire voorspellingen en de tweede keer door hun grandioze miscalculaties. Zo pakten veel media het aan, waaronder ‘EenVandaag’. “Het Britse politieke landschap is, net als bij ons, aan het verbrokkelen”, blogte politiek commentator Kees Boonman. “Dat betekent partners zoeken. Die spelen in de campagne een grote rol. Een coalitieregering, ze gruwen ervan, maar het kan niet anders. Wie gaat met wie?”

Twee dagen later kon ‘EenVandaag’-radio met evenveel stelligheid melden dat de peilingen, zoals iedereen ondertussen al wist, er flink naast zaten. En ach, als je Gijs Rademaker van het ‘EenVandaag’-opiniepanel hoorde, kon je hem en zijn collega’s nauwelijks kwalijk nemen dat ze de onderzoeksbureaus blindelings hadden geloofd. “Álle peilingen voorspelden wekenlang dezelfde uitslag: nek-aan-nek”, vertelde Rademaker. “Er zijn peilingen van peilingen gedaan, demografische en historische factoren zijn erin verwerkt, en steeds was het resultaat hetzelfde.”

“Hoe kunnen ze zich dan tóch zo hebben vergist?”, wilde presentatrice Suzanne Bosman weten. “Nou”, antwoordde docent politicologie Armèn Hakhverdian, “dat ligt aan de zwevende kiezer. De één weet echt niet wat hij gaat stemmen, maar de ander liegt gewoon. Dat zijn verhulde Torie-stemmers.” Er is dus een Torie-shyness?,vroeg Bosman. “Daar komt het wel op neer”, reageerde Hakhverdian.

Dus, geloof het of niet, de peilers zijn onschuldig, het komt allemaal door die verdraaide  Conservatieven. Als die niet zo zouden jokken, hadden we kloppende voorspellingen. Vraag blijft dan wel waarom de Tories de waarheid niet durven spreken. Misschien iets voor een opiniepeilinkje?

 

 

België lelijk en dik of dik tevreden?

België, het lelijkste land ter wereld?
België, het lelijkste land ter wereld?

Het valt niet mee om Belg te zijn. Dat vermoedde u waarschijnlijk al, maar het is nu dubbel en dwars bevestigd door de tv. Er wonen de dikste mensen, en het is de lelijkste staat ter wereld. Over dat laatste ging het in ‘De wereld draait door’. Aanleiding was een nieuwe serie op Canvas: ‘Archibelge, het lelijkste land’.

Die reeks trapte overigens genuanceerd af. Brussel (want daar draaide aflevering één om) is een spiegel van de menselijke ziel, vond schrijver Thierry Demey. “De stad reflecteert de dingen die ons optrekken en die ons neerhalen.”

In ‘DWDD’ legde NRC-hoofdredacteur Peter Vandermeersch uit waarom het in zijn vaderland zo’n ratjetoe aan bouwstijlen is. “België is altijd bezet geweest, en daardoor hebben wij totaal geen idee van publieke ruimte. Mijn woning is modern, maar die van mijn buurman is opgetrokken in Oostenrijkse stijl.”

Volgens Vandermeersch is het ergste scheldwoord voor een Brusselaar ‘architect’. “Omdat zij onze hoofdstad hebben beroofd van haar sociale weefsel en haar identiteit.”Auteur Dimitri Verhulst kwam met een praktisch voorstel: “We moeten onze lelijkheid uitventen als toeristische troef.”

Waarom is het zo troostend om te kijken naar Vlamingen op tv? Niet alleen omdat zij zo schoon spreken, om het maar even op z’n Vlaams uit te drukken, maar ook vanwege hun berusting, zelfspot en relativering. Ze aanvaarden het menselijk tekort met een gelaten glimlach. “Je kan de aanblik van lelijke bouwkunst vermijden door er zelf in te gaan wonen”, klinkt het in ‘Archibelge’. Ach, in een land waar ‘architect’de ernstigste beschimping is, kan het nooit slecht toeven zijn.

En die obese dan, is dat niet erg? Jeroen Pauw presenteerde de laatste WHO-cijfers: Belgische vrouwen dreigen samen met hun Bulgaarse en Ierse seksegenoten uit te groeien tot de dikste mensen ter wereld. Nederland daarentegen bungelt onderaan de statistieken. De tafelgasten in ‘Pauw’vatten het onderzoek niet al te zwaar op. “Ach”, sprak de Vlaamse presentatrice Margriet Hermans, “elke bekende Vlaming slankt af en schrijft er een boek over, behalve ik. Er zijn vijftig methodes, het is een raadsel hoe wij nog dik kunnen zijn. Pas nog Bart de Wever. Maar die komt ook van de frieten, hè? In ‘De slimste mens’kon hij alle snacks van de frituur opsommen.”

Bioloog Midas Dekkers gaf geen cent om het onderzoek. “Een beetje wetenschapper vraagt zich bij zo’n onderzoek af wat Belgen, Bulgaren en Ieren nog meer gemeen hebben dan dik zijn. Wel, dat is het katholieke geloof.” Waarmee hij zich vergiste, want Bulgaren zijn voor 85 procent orthodox. Hoogleraar obesitas Jaap Seidell, de serieuste van het stel, vond dat de autoriteiten moesten ingrijpen. Wat hier en daar al gebeurt. “Er zijn negentig Amsterdamse scholen waar ze alleen maar water drinken en niet trakteren met verjaardagen”, sprak hij tevreden.

Hermans trachtte vanachter haar glas rode wijn ernstig te kijken. Even daarvoor had ze gezegd: “Rijke Belgen gaan naar hoogstaande sterren-restuarants, waar je nauwelijks ziet wat op je bord ligt. Ik ga met honger buiten. En het zijn heel dure schotels.”Met smaak herinnerde zich de Vlaamse communiefeesten van vroeger: zes gangen.

Eigenlijk valt het best mee om Belg te zijn.

 

En telkens weer nieuwe verhalen over de oorlog

Ben Ali Libi, de goochelaar, vergast in Sobibor.
Ben Ali Libi, de goochelaar, vergast in Sobibor.

De vele programma’s over de herdenking van de oorlog hadden één ding gemeen: het persoonlijke relaas. Of het nu ging om ‘Verlies niet de moed’ (een familieverhandeling van Hella de Jonge), ‘De langste nacht voor de joodse raad’(over de twee raadsvoorzitters Asscher en Cohen) of ‘Er reed een trein naar Sobibor’(Jules Schelvis over zijn transport van Westerbork naar Sobibor) telkens kreeg het grote verhaal van de bezetting een gezicht op basis van individuele, aangrijpende geschiedenissen.

Uit het enorme aanbod kies ik twee documentaires voor verdere bespreking. Allereerst ‘De razzia van Putten’(NOS). Die Duitse represaille kennen we allemaal, maar ik keek vooral vanwege het tweede deel van de titel: ‘de weg naar verzoening’. “Tussen Putten en het Noord-Duitse Ladelund, waar honderden Puttense mannen werden begraven, groeide door de jaren heen een band”, meldde mijn tv-gids. Wie wist dat? Intrigerend, verzoening tussen onderdrukker en onderdrukte.

Ook hier weer werden een paar persoonlijke verhalen uitgelicht. Zoals dat van Rikkert van Emous, een boerenzoon van 22 jaar. We zagen zijn neef, ook Rikkert geheten, die met liefde over zijn familielid vertelde. “We bespraken alles samen en deden alles samen. Zijn deportatie was een groot gemis.” Langzaam ontrolde zich de historie. Rikkert kwam in kamp Neuengamme terecht in Ladelund, en stierf daar.

De plaatselijke pastoor, Meyer, regelde een waardige begrafenis voor vele Puttenaren, en  behoedde hen daarmee voor het anonieme massagraf. We zagen de rij namen in steen gebeiteld voorbijkomen, onder meer die van Rikkert. Na de oorlog nodigde Meyer Puttense weduwen uit de  graven te bezoeken: het begin van vriendschap tussen de twee dorpen

En nu deden inwoners van Putten, onder wie familie van Rikkert, een estafetteloop naar Ladelund. Een onthullende documentaire en een prachtig monument van verzoening.  Of zoals de huidige pastoor en ex-Waffen SS’er Harold Richter het verwoordde: “Ik ben schuldig, maar als ik dat beken, is er vergeving. Dat heb ik in Putten ervaren.”

Minstens zo ontroerend was ‘Ben Ali Libi – goochelaar’ (NTR). Heeft deze joodse man, over wie Willem Wilmink zo’n mooi gedicht schreef, werkelijk bestaan, was de fascinerende startvraag. Stukje bij beetje werd het mysterie van de goochelaar onthuld. Joost Prinsen, vertolker van dat gedicht, had in het toneelmuseum een foto gezien van ene Michel Velleman, zei hij, die zich Ben Ali Libi noemde.In ‘Pauw & Witteman’dook een kleindochter op. Hij had dus echt geleefd.

Hij had zelfs opgetreden voor keizer Wilhelm en prins Hendrik. Op zijn visitekaartje prijkte een kroontje: hof-goochelaar. In juni 1943 werd Velleman gedeporteerd naar Westerbork. En daarna naar Sobibor. We zagen zijn naam op de transportlijst. Jules Schelvis verscheen in beeld. Nu kreeg het verhaal een extra dimensie: de gruwelen van Sobibor en Schelvis’ ontsnapping daaraan. Aan het eind van de docu kwamen de lijntjes weer samen bij Velleman. Knap werk. Tot slot een Staatscourant met de datum van overlijden: 2 juli 1943. Direct na aankomst, door vergassing.

Een film die de grote tragedie van de Holocaust verbeeldde aan de hand van de kleine geschiedenis  van een  goochelaar uit Amsterdam.

 

Nepal-ramp kreeg voor tv-kijker een gezicht

Het tastbare, maar ook hoopvolle gezicht van de ramp in Nepal: Pemba Tamang.
Het tastbare, maar ook hoopvolle gezicht van de ramp in Nepal: Pemba Tamang.

Het werd aangekondigd als een actiedag voor Nepal, maar de kijker merkte daar betrekkelijk weinig van. Geen avondvullende inzamelingsshow met bellende BN’ers, maar hier en daar een voorlopige opbrengst in live-programma’s van NPO, RTL en SBS. En tussendoor spotjes waarin beroemdheden als Frank de Boer en Isa Hoes ons opriepen te storten op giro 555. Verder konden we vrijdagavond gewoon kijken naar ‘Witse’en ‘Blik op de weg’.

Radio 2 was wel de hele dag in touw en zond live uit vanaf de Amsterdamse Hallen, het zenuwcentrum van ‘Nederland helpt Nepal’. Gelukkig hadden we op tv de nieuws- en actualiteitenrubrieken. Die probeerden bij de kijker de hoop levend te houden op overlevenden in het aardbevingsgebied. Zo berichtte ‘EenVandaag’over  Pemba Tamang, een tiener die in Kathmandu na vijf dagen ademend onder het puin vandaan was gehaald. “Hij leefde op twee pakjes boter en zoog aan een nat kledingstuk om vocht binnen te krijgen”, wist verslaggever Herman Zaalberg. “Er is nog steeds hoop”, zei hij, “want bij de aardbeving in Haïti werden na 27 dagen nog mensen gered.”

Goede moed was er ook bij actievoorzitter Gijs de Vries. Die verwachtte in ‘RTL Nieuws’een hoge opbrengst, omdat Nepal een sympathiek boeddhistisch land is, en geliefd bij bergtoeristen. Bovendien, voegde hoogleraar filantropie Theo Schuyt daar aan toe, geven kijkers liever voor natuuurrampen dan voor oorlogsgebieden. “De idee is: ach, zo’n natuurramp, daar kunnen die mensen niets aan doen, en het kan ons ook overkomen.”

Zo blijkt, de kijker heeft bij elke ramp (onbewust?) z’n eigen innerlijke kompas. Geen  beelden, geen opbrengst. Zie ebola. Van de aardbeving zijn beelden in overvloed. “Dat zal goed uitpakken voor de inzameling”, vermoedde Ardy Stemerding in het ‘Journaal’. Gelukkig steeg de opbrengst sneller dan het aantal doden. Stond de teller in ‘DWDD’nog op 5,2 miljoen euro, ‘Pauw’maakte rond middernacht de (bescheiden) eindstand bekend: ruim 8,5 miljoen.

Het optimisme over mogelijke overlevenden was inmiddels verdwenen. “De Nederlandse reddingsteams zijn weg, naar overlevenden wordt niet meer gezocht”, meldde Astrid Kersseboom zaterdag in het ‘Journaal’. Verslaggeefster Marieke de Vries illustreerde wat voor verloren gevoel dat vertrek moet hebben gegeven bij de Nepalezen. We zagen bergdorpen volledig in puin, met daartussen dolende inwoners. Joeri Boom berichtte vanuit Kathmandu dat duizenden plekken nog steeds zijn verstoken van noodhulp, dat wonden niet worden verzorgd en kinderen lijden aan longontsteking.

Maar ook daar waar de hulp wél op gang kwam, was het dikwijls een chaos. Herman Zaalberg sprak vanuit het dorp Shaku over de wirwar van hulpverleningsorganisaties. Dat is een tragische kant van rampenbestrijding. Lees ‘De crisiskaravaan’maar van Linda Polman. Mariëlle Tweebeeke (‘Nieuwsuur’) en Jeroen Pauw vroegen zich af of de ingezamelde gelden wel  goed zullen terechtkomen in het corrupte, trage Nepal. Een gewettigde vraag.

Maar waarschijnlijk verging het de meeste kijkers zoals u en mij. We werden ook nu weer geraakt door het kleine verhaal, dat een immense catastrofe een tastbaar, maar ook hoopvol gezicht gaf: de tiener Pemba Tamang. En we doneerden.